Werkzaamheid en bijwerkingen van medicamenteuze behandeling van urine-incontinentie bij vrouwen

Achtergrond. De standaardbehandeling van vrouwen met gecombineerde urge- en stress-urine-incontinentie omvat leefstijlveranderingen en bekkenbodemtraining gecombineerd met blaastraining. Voorts zijn diverse spasmolytica geregistreerd voor de behandeling van een overactieve blaas bij volwassenen al dan niet met urge-incontinentie. Voor de behandeling van stressincontinentie of gemengde incontinentie zijn geen geneesmiddelen geregistreerd. Tot nu toe heeft men zich in systematische literatuuroverzichten over urine-incontinentie vooral gericht op statistisch significante verschillen in incontinentiefrequentie, terwijl (het bereiken van) continentie voor de patiënt een belangrijkere uitkomstmaat is. Urinecontinentie en kwaliteit van leven vormden de primaire uitkomstmaten van een nieuwe meta-analyse.1

Methode. Er werd een systematisch literatuuroverzicht gemaakt van Engelstalige gerandomiseerde onderzoeken naar de medicamenteuze behandeling van urge-incontinentie bij vrouwen. Uitkomstmaten waren onder meer het aantal continente vrouwen na behandeling en kwaliteit van leven. Er werd apart gekeken naar het risico op bias en er werden absolute risicoverschillen berekend.

Resultaat. 94 onderzoeken kwamen in aanmerking voor de meta-analyse. Urinecontinentie per 1.000 vrouwen werd als volgt door geneesmiddelen bereikt: fesoterodine (Toviaz®) 130, tolterodine (Detrusitol®) 85, oxybutynine (merkloos, Dridase®, Kentera®) 114, solifenacine (Vesicare®) 107 en het niet in Nederland in de handel zijnde trospium 114. Het aantal vrouwen per 1.000 behandelde vrouwen dat de behandeling staakte vanwege bijwerkingen in vergelijking met placebo was als volgt: fesoterodine 31, oxybutynine 63, trospium 18 en solifenacine 13. Bij tolterodine was er geen significant verschil in het aantal patiënten dat de behandeling staakte in vergelijking met placebo.
Vanwege het inconsistente gebruik van de definities van incontinentie en kwaliteit van leven, kon hierover geen samenvattende analyse worden gemaakt. Ook waren er te weinig direct vergelijkende onderzoeken tussen de verschillende middelen verricht. De onderzoeksvraag naar de relatie tussen kwaliteit van leven en werkzaamheid van geneesmiddelen kon hierdoor niet worden beantwoord. Hetzelfde gold voor de invloed van ras, ernst van de incontinentie en comorbiditeit op het effect van de behandeling.

Conclusie onderzoekers. Samengevat geven geneesmiddelen voor de behandeling van urge-incontinentie vergelijkbare en geringe positieve effecten. Bij de keuze van een middel dienen tevens de bijwerkingen te worden betrokken. Er zijn geen gegevens over langetermijntherapietrouw en de veiligheid van de behandeling.

Plaatsbepaling

De resultaten van deze meta-analyse van voornamelijk placebogecontroleerde onderzoeken tonen dat de werkzaamheid van spasmolytica bij urge-incontinentie bij vrouwen over het algemeen groter is dan placebo en dat de meerderheid van de vrouwen niet herstelt van hun incontinentie. Als men hierbij het aantal patiënten betrekt dat een behandeling staakt vanwege bijwerkingen, dan resteert een bescheiden klinisch effect waarvan men zich kan afvragen wat de klinische relevantie is. Dit geldt des te meer omdat bekend is dat de registratie en rapportage van bijwerkingen in klinisch onderzoek te wensen overlaat. Nadat een geneesmiddel op de markt is gebracht en het door grote groepen patiënten wordt gebruikt, wordt het bijwerkingenprofiel duidelijker. In de voorlichting aan patiënten met urge-incontinentie dient het bescheiden effect van geneesmiddelen te worden gekoppeld aan het gebrek aan bewijs voor werkzaamheid en het verbeteren van de kwaliteit van leven op de lange termijn, alsmede aan de veiligheid op zowel de korte als de lange termijn. De balans van werkzaamheid en bijwerkingen dient derhalve regelmatig te worden gecontroleerd.

<hr />


1. Shamliyan T, et al. Benefits and harms of pharmacologic treatment for urinary incontinence in women. Ann Intern Med 2012; 156: 861-874.

Auteurs

  • dr D. Bijl