Wat heeft 2000 ons gebracht? Nieuwe geneesmiddelen, ontwikkelingen en bijwerkingen


drs D. Bijl, onder medeverantwoordelijkheid van de redactiecommissie

De ontwikkelingen op het gebied van de farmacotherapie in 2000 onderscheiden zich van die in 1998 en 1999. Er zijn in 2000 onder meer aanvullende gegevens bekend geworden op het gebied van de hormonen en stofwisseling, en de behandeling van hypertensie. Wezenlijke doorbraken bleven echter uit. Van enkele oude middelen, metformine en spironolacton, is de effectiviteit op harde eindpunten aangetoond. In tegenstelling tot de afgelopen twee jaren, zijn er geen geneesmiddelen van de markt gehaald vanwege ernstige, levensbedreigende bijwerkingen. Wel zijn opnieuw ernstige bijwerkingen bekend geworden. Dit geldt met name voor consumentenproducten (Gebu 2001; 35: 1-7).

 


In dit artikel worden per orgaansysteem of tractus de belangrijkste nieuwe geneesmiddelen en de belangrijke ontwikkelingen in de farmacotherapie, alsmede de belangrijkste bijwerkingen van geneesmiddelen in 2000 besproken. Waar dit van toepassing is, wordt teruggekeken naar conclusies van (hoofd)artikelen uit vorige Geneesmiddelenbulletins. Het jaar 2000 heeft onder meer de Geneesmiddelenbulletin-website opgeleverd en een nieuwe lay-out.

 

 


Nieuwe geneesmiddelen. Voor de behandeling van narcolepsie is modafinil geregistreerd (Gebu 2000; 34: 98-99). Het werkingsmechanisme van dit psychostimulans is niet geheel bekend. Uit placebogecontroleerd onderzoek is gebleken dat het middel de overmatige slaapaanvallen overdag significant vermindert. Daarentegen heeft het geen effect op kataplexie en hallucinaties. Vergelijkend onderzoek met andere middelen die bij narcolepsie worden gebruikt, zoals methylfenidaat en tricyclische antidepressiva, ontbreekt.
Gabapentine is geregistreerd voor de adjuvante behandeling van patiënten met refractaire partiële epilepsie met of zonder secundair gegeneraliseerde aanvallen (Gebu 2000; 34: 98). De effectiviteit van gabapentine is aangetoond in drie onderzoeken bij patiënten die al met een of twee andere anti-epileptica werden behandeld. Direct vergelijkend onderzoek met de meeste andere anti-epileptica, zoals lamotrigine, topiramaat en tiagabine, is niet voorhanden, waardoor een plaatsbepaling niet goed valt te geven. Een voordeel is vooralsnog het ontbreken van interacties met andere anti-epileptica.
Het NSAID tolfenaminezuur, waarvan de capsulevorm is geregistreerd voor de behandeling van artrose en reumatoïde artritis, is in de tabletvorm geregistreerd voor de behandeling van acute migraineaanvallen (Gebu 2000; 34:138). Voor het eerst is nu een NSAID geregistreerd voor de behandeling van migraine op basis van een placebovergelijkend onderzoek.
Apomorfine is geregistreerd voor de behandeling van invaliderende responsfluctuaties, bij patiënten met de ziekte van Parkinson, die voortduren ondanks behandeling met levodopa en/of andere dopamine-agonisten (Gebu 2000; 34: 111-112). Nadelen van apomorfine zijn de noodzaak tot subcutane toediening en de korte werkingsduur. Indien veelvuldige toediening (>6 dd) noodzakelijk is, kan subcutane toediening via een pompsysteem worden overwogen.
De catecholamine-heropnameremmer bupropion is geregistreerd als hulpmiddel bij het stoppen met roken in combinatie met ondersteuning van de motivatie om te stoppen met roken (Gebu 2000; 34: 23-24 en 26-27). In één vergelijkend onderzoek met een nicotinepleister bij zware rokers, bleek dat het middel na een jaar behandelen, in een gespecialiseerd centrum, significant effectiever was dan de pleister. Vergelijkend onderzoek met nicotinekauwgom is niet gepubliceerd. Of bupropion in de algemene praktijk effectiever is dan nicotinevervangende middelen zal moeten worden afgewacht. Bupropion veroorzaakt slapeloosheid en een droge mond. Bij het voorschrijven zal rekening moeten worden gehouden met de in de productinformatie opgenomen contra-indicaties en waarschuwingen, zoals patiënten met epilepsie in de voorgeschiedenis. Bupropion geeft relevante interacties met onder meer tricyclische antidepressiva.
De indicatie van de selectieve serotonine-heropnameremmer paroxetine is uitgebreid met de kortdurende behandeling van sociale angststoornissen of sociale fobie. De effectiviteit op de lange termijn is niet vastgesteld.
Ontwikkelingen.  In een meta-analyse werden de resultaten van 315 onderzoeken naar onder meer de effectiviteit van antidepressiva bij 'depressie in engere zin' geanalyseerd.1 De onderzoekers concluderen dat zowel oude als nieuwe antidepressiva effectief zijn en dat beide groepen middelen effectiever zijn dan placebo. Ofschoon er significante verschillen in de aard van de bijwerkingen zijn, was er geen verschil in het totale aantal patiënten dat de behandeling vanwege bijwerkingen staakte. Deze gegevens onderbouwen de conclusie die in Gebu 1995; 29: 103-108 werd getrokken.
Frequent voorkomende psychotische verschijnselen bij oudere patiënten met de ziekte van Parkinson zijn niet altijd te behandelen door de dosering van de anti-Parkinsonmiddelen te verminderen. In twee dubbelblinde placebogecontroleerde onderzoeken bleek het atypische antipsychoticum clozapine effectief de psychotische verschijnselen te reduceren, zonder de verschijnselen van de ziekte van Parkinson te verergeren.2 3 Clozapine blijft echter een toxische stof waarbij speciale voorzorgen in acht moeten worden genomen, zoals regelmatige telling van het aantal witte bloedcellen.
Bijwerkingen. Van clozapine is bekend geworden dat het myocarditis en cardiomyopathie kan veroorzaken (Gebu 2000; 34: 62-63). Het anti-epilepticum valproïnezuur is in verband gebracht met het optreden van parkinsonisme (Gebu 2000; 34: 37-38).

 

 



Nieuwe geneesmiddelen Barnidipine is de tiende dihydropyridine-calciumantagonist die voor de behandeling van lichte tot matige essentiële hypertensie is geregistreerd (Gebu 2000; 34: 85). Er is geen onderzoek gepubliceerd waarin een verschil in werkzaamheid met andere langwerkende calciumantagonisten is aangetoond. Barnidipine heeft geen toegevoegde waarde.
Ontwikkelingen.  In de behoefte aan vergelijkende onderzoeken op harde eindpunten van 'nieuwere' middelen met diuretica en ß-blokkers bij hypertensie, is onder meer voorzien met vier onderzoeken. In één onderzoek (INSIGHT) werd de calciumantagonist nifedipine (met vertraagde afgifte) vergeleken met de combinatie hydrochloorthiazide/amiloride (Gebu 2000; 34: 149-150).4 Met beide behandelingen was er na drie jaar geen verschil in het primaire eindpunt, de frequentie van cardio- en cerebrovasculaire incidenten. Wel staakten in de nifedipinegroep significant meer patiënten de behandeling dan in de diureticagroep. Ook kwamen er bij patiënten die nifedipine gebruikten significant meer gevallen van hartfalen voor. Het tweede onderzoek (NORDIL) vergeleek een behandeling met diltiazem plus een diureticum of een ß-blokker (Gebu 2000; 34: 149-150).5 Tussen beide behandelingen waren er na 4,5 jaar geen verschillen ten aanzien van het primaire eindpunt, een combinatie van cardio- en cerebrovasculaire incidenten. Bij patiënten die diltiazem gebruikten kwamen wel significant minder vaak beroerten voor. Het open (niet-geblindeerde) karakter van dit onderzoek doet echter afbreuk aan de wetenschappelijke betekenis van de gevonden verschillen. Het derde onderzoek (ALLHAT) vergelijkt een behandeling met de D-blokker doxazosine, de calciumantagonist amlodipine en de ACE-remmer lisinopril met het diureticum chloortalidon (Gebu 2000; 34: 150-151).6 De resultaten van een interim-analyse toonden dat het gebruik van doxazosine als monotherapie gepaard gaat met een verhoogd risico van hart- en vaatziekten in het algemeen en van congestief hartfalen in het bijzonder. Uit dit onderzoek zou kunnen worden geconcludeerd dat er geen plaats is voor doxazosine als monotherapie. In de praktijk wordt het als tweede-keuzemiddel gebruikt en vrijwel altijd in combinatie met een diureticum. In het vierde onderzoek (STOP-2) werden bij personen ouder dan 65 jaar diuretica en ß-blokkers vergeleken met 'nieuwere' farmaca, zoals calciumantagonisten en ACE-remmers (Gebu 2000; 34: 50-51).7 Behandeling van hypertensie bij oudere patiënten met een leeftijd tussen 70 en 84 jaar blijkt zinvol, omdat daardoor het risico van cardio- en cerebrovasculaire ziekte en sterfte vermindert.
De resultaten van, onder meer, deze onderzoeken kunnen een bijdrage leveren aan het gerichter voorschrijven van antihypertensiva, waarbij meer rekening wordt gehouden met de individuele risicofactoren van een patiënt, de bijwerkingen en de individuele verdraagbaarheid van een middel. Met name voor de calciumantagonisten kan dan opnieuw de balans van effectiviteit en bijwerkingen worden opgemaakt. Dan kan ook worden bezien of de conclusie in Gebu 1996; 30: 51-57, namelijk dat er in de eerste lijn geen duidelijke indicatie is waarvoor calciumantagonisten eerste-keuzemiddelen zijn, bijstelling behoeft.
Van de ACE-remmer ramipril is in placebogecontroleerd onderzoek bij oudere patiënten (>55 jaar) met een verhoogd risico van cardiovasculaire ziekte of diabetes én tenminste nog een andere risicofactor, gevonden dat er een geringe maar significante vermindering van de mortaliteit en van de incidentie van hartinfarct en beroerten was opgetreden (Gebu 2000; 34: 25-26).8 Vergelijkend onderzoek met andere antihypertensiva is aangewezen.
In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, is er geen verhoogd risico van het manifest worden van diabetes mellitus type 2 bij het gebruik van thiazidediuretica in de bij hypertensie aanbevolen (lage) doseringen (Gebu 2000; 34: 123-124).9 Hetzelfde geldt ook voor ACE-remmers. Daarentegen is er wel een licht verhoogd risico bij het gebruik van ß-blokkers.
Antihypertensiva kunnen orthostatische hypotensie veroorzaken. In een onderzoek naar de behandeling van oudere patiënten met hypertensie werd geen verschil gevonden in het bloeddrukverlagend effect tussen nifedipine en enalapril.10 Enalapril verminderde het aantal episoden van orthostatische hypotensie significant, terwijl nifedipine de orthostase juist verergerde. Bij de keus van antihypertensiva bij ouderen kan hiermee rekening worden gehouden.
Bij de behandeling van lichte tot matig ernstige vormen van hartfalen worden de ß-blokkers bisoprolol, carvedilol en metoprolol steeds meer gebruikt (Gebu 2000; 34: 65-70). Bij de ernstige vormen van hartfalen geldt dit ook voor de aldosteronantagonist spironolacton, een middel dat al meer dan 20 jaar in de handel is.
Bijwerkingen.  Verlenging van het QT-interval kan aanleiding geven tot ritmestoornissen (bv. 'torsade de pointes') en daardoor tot plotseling overlijden. Van steeds meer middelen wordt verlenging van het QT-interval op het elektrocardiogram beschreven: de anti-aritmica amiodaron, kinidine en sotalol, het antibioticum erytromycine, het antihistaminicum terfenadine, verschillende neuroleptica en cisapride (Gebu 2000; 34: 62). Verlenging van het QT-interval treedt bij deze geneesmiddelen meestal op omdat er door remming van de afbraak hogere serumconcentraties ontstaan.
Het anti-aritmicum amiodaron is in verband gebracht met het optreden van een dubbelzijdige ischemische opticusneuropathie (Gebu 2000; 34: 12).

 

 


Nieuwe geneesmiddelen.  Rabeprazol is als vierde protonpompremmer in de handel gekomen (Gebu 2000; 34: 61). Het is geregistreerd voor de behandeling van actief ulcus duodeni en actief benigne ulcus ventriculi, en symptomatische, eroderende of ulceratieve gastro-oesofageale reflux. De door de fabrikant geclaimde sneller intredende werking en sterkere onderdrukking van de maagzuursecretie dan bij de andere protonpompremmers, heeft voor de patiënt geen voordelen in de zin van snellere pijnreductie of hogere genezingspercentages.
Esomeprazol, de S-isomeer van omeprazol, is geregistreerd voor de behandeling van gastro-oesofageale refluxziekte en voor de eradicatie van H. pylori in combinatie met antibiotica (Gebu 2000; 34: 152). Het gepubliceerde klinische onderzoek toont dat het middel zich niet wezenlijk onderscheidt van omeprazol.
Bijwerkingen.  Cisapride kan aanleiding geven tot verlenging van het QT-interval en hartritmestoornissen (Gebu 2000; 34: 114). Dit kan zowel bij volwassenen als pasgeborenen voorkomen, maar pasgeborenen hebben bij gebruik van cisapride mogelijk een verhoogd risico. Deze bijwerking treedt in versterkte mate op bij gelijktijdig gebruik van ketoconazol, itraconazol, miconazol, fluconazol, erytromycine en claritromycine.
Van loperamide zijn enkele patiënten beschreven die tijdens het gebruik urineretentie ontwikkelden (Gebu 2000; 34: 100).

 

 


Nieuwe geneesmiddelen.  Montelukast is een oraal werkzame selectieve antagonist van de cysteïnylleukotrieen (CysLT1)-receptor (Gebu 2000; 34: 134-135). Het middel is geregistreerd voor de combinatiebehandeling van licht tot matig ernstig chronisch astma die onvoldoende onder controle is met inhalatiecorticosteroïden en 'zo nodig'-gebruik van kortwerkende ß2-agonisten, en tevens voor de profylaxe van inspanningsastma. Hoewel montelukast een interessant nieuw werkingsmechanisme kent, geldt vooralsnog de conclusie uit Gebu 1998; 32: 140: de toegevoegde waarde van het middel is onduidelijk. Belangrijke gegevens, zoals de effectiviteit op harde eindpunten, de werkzaamheid ervan in vergelijking met het verhogen van de dosering inhalatiecorticosteroïden, en de effectiviteit ervan toegevoegd aan inhalatiecorticosteroïden in plaats van een langwerkende ß2-agonist, zijn niet bekend.
De werkzaamheid van montelukast als monotherapie bij de behandeling van chronisch astma is geringer dan die van inhalatiecorticosteroïden, zodat deze laatstgenoemde middelen de voorkeur hebben. Montelukast is niet geschikt voor de behandeling van een astma-aanval. Bij de preventie van inspanningsastma is de plaats van montelukast, dat chronisch moet worden ingenomen, evenmin duidelijk. Een ß2-agonist voor 'zo nodig'-gebruik, is de eerste keuze.
Ontwikkelingen.  Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen heeft voor fluticason een uitbreiding van de indicatie toegestaan op grond van de resultaten van twee gerandomiseerde dubbelblinde onderzoeken, bij patiënten met matige tot ernstige, stabiele COPD (FEV1 - 50% van de voorspelde waarde) (Gebu 2000; 34: 125-126). Daarin werd van fluticason, in vergelijking met placebo, enige werkzaamheid aangetoond op het behoud van de longfunctie, de frequentie en de ernst van exacerbaties en de gezondheidstoestand bij een deel van de patiënten. Omdat niet te voorspellen is welke patiënten zullen reageren op een behandeling, wordt een proefbehandeling van zes maanden geadviseerd.
De werkzaamheid van systemische corticosteroïden bij exacerbaties van COPD werd recent bevestigd. Uit een onderzoek bij patiënten met exacerbaties van COPD, bleek dat systemische corticosteroïden een reductie van het aantal ziekenhuisdagen bewerkstelligden.11 Tevens trad er een reductie op ten aanzien van het gecombineerde eindpunt van overlijden, intubatie, mechanische ventilatie en heropname. Onduidelijk blijft wat de optimale dosering is, de wijze van toediening en de duur van de behandeling. Wel zijn de risico's van systemische corticosteroïden duidelijk, zoals hyperglykemie, infecties en myopathieën.

 


Nieuwe geneesmiddelen.  Imiquimod is geregistreerd voor de lokale behandeling van uitwendige genitale en perianale wratten bij volwassenen (Gebu 2000; 34: 148-149). Het middel heeft een immunomodulerende werking en stimuleert tevens de antivirale activiteit. Het is nog onvoldoende duidelijk hoe groot de recidiefkans is en of het middel bij recidief nog werkzaam is. Eerste keuze bij de behandeling van condylomata acuminata blijft derhalve podofyllotoxine.
Bijwerkingen.  Recent werd een patiënt beschreven die ciclosporine gebruikte vanwege uitgebreid constitutioneel eczeem en waarbij zich een virale myocarditis, met dodelijke afloop, ontwikkelde (Gebu 2000; 34: 72).

 


Ontwikkelingen.  Over de behandeling van jonge kinderen met acute otitis media zijn nieuwe gegevens beschikbaar (Gebu 2000; 34: 72-73). In een Nederlands onderzoek werd de effectiviteit van een behandeling met amoxicilline vergeleken met placebo bij kinderen van 6 maanden tot 2 jaar met acute otitis media.12 Patiëntjes die amoxicilline kregen, hadden op dag 4 minder symptomen dan zij die placebo kregen. Op dag 11 was er evenwel geen verschil in het aantal patiënten waarbij de behandeling had gefaald. Tussen beide behandelingen waren geen significante verschillen in het otoscopische beeld na 4 en 11 dagen. Evenmin was er verschil in het aantal patiënten dat na 6 weken otitis media met effusie had ontwikkeld.
Een nog stringentere, behoedzaam afwachtende houding dan in de eerste herziening van de NHG-Standaard Otitis media acuta werd geadviseerd, lijkt met dit onderzoek te kunnen worden onderbouwd.

 




Nieuwe geneesmiddelen.  Het bisfosfonaat risedronaat is geregistreerd voor de behandeling van de ziekte van Paget (Gebu 2000; 34: 147-148). Het middel is relatief goedkoop en hoeft slechts twee in plaats van drie maanden te worden ingenomen. Er is geen vergelijkend onderzoek gedaan met een ander in Nederland voor de ziekte van Paget geregistreerd bisfosfonaat, oraal tiludronaat of intraveneus pamidronaat.
Levonorgestrel is het eerste orale progestageen dat is geregistreerd als 'morning-afterpil' (Gebu 2000; 34: 90). Het middel is mogelijk effectiever dan de gebruikelijke methode met tweemaal daags 2 tabletten met 50 µg ethinylestradiol en 250 µg levonorgestrel (de 'Yuzpe-methode'). Bijwerkingen komen met het nieuwe middel significant minder voor.
Repaglinide is het eerste carbamoylmethyl-benzoëzuurderivaat dat is geregistreerd voor de behandeling van diabetes mellitus (Gebu 2000; 34: 35-36). Het kan evenals de sulfonylureumderivaten als monotherapie of in combinatie met metformine worden toegepast bij patiënten met diabetes mellitus type 2. Voorlopig is niet aangetoond dat repaglinide voordelen heeft boven glibenclamide. Bij de medicamenteuze behandeling van diabetes mellitus type 2 hebben de sulfonylureumderivaten en metformine de voorkeur.
Rosiglitazon is geregistreerd voor de combinatietherapie van diabetes mellitus bij patiënten bij wie de bloedglucoseregulatie onvoldoende is met maximale doseringen van een sulfonylureumderivaat of metformine (Gebu 2000; 34: 113). Rosiglitazon, behorend tot de thiazolidinedionderivaten, beïnvloedt op directe wijze de insulinegevoeligheid. Vanwege onduidelijkheid over de langetermijnveiligheid dient het niet buiten het beperkte geregistreerde indicatiegebied te worden voorgeschreven (Gebu 2000; 34: 103-110).
Insuline aspart is, na insuline lispro, het tweede kortwerkende analogon van humane insuline dat op de markt is verschenen (Gebu 2000; 34: 46-47). De werking van insuline aspart treedt sneller in en is van kortere duur dan die van kortwerkende humane insuline. Voor de tot nu toe onderzochte doseringschema's van insuline aspart in combinatie met middellangwerkende insuline, is echter niet aangetoond dat er een betere instelling van de diabetes wordt verkregen. Voor bepaalde patiëntengroepen zouden kortwerkende insuline-analoga van voordeel kunnen zijn.
Ontwikkelingen.  Met oudere middelen wordt weinig onderzoek gedaan en er is daarom weinig bewijs voor de werkzaamheid. Opmerkelijk is daarom dat van metformine, een middel dat al meer dan 40 jaar in de handel is en waarvan het precieze werkingsmechanisme onbekend is, recent gegevens op harde eindpunten beschikbaar zijn gekomen uit een Engels langetermijnonderzoek (UKPDS) (Gebu 2000; 34: 103-110). Het is het enige bloedglucose-verlagende middel waarvan is aangetoond dat het effectief macrovasculaire en microvasculaire complicaties bij diabetes mellitus reduceert.
De vermeende controverse rondom het verhoogde risico van veneuze trombo-embolie bij de 3e-generatie orale anticonceptiva blijft het onderwerp van talrijke publicaties. Nadat meerdere onderzoeken een verhoogd risico van veneuze trombo-embolie van de derde generatie anticonceptiva hadden gevonden, verscheen in de zomer van 2000 een onderzoek in de British Medical Journal waarin een verhoogd risico niet waarschijnlijk kon worden gemaakt.13 Recent werd een andere analyse van dezelfde gegevens gepubliceerd, waaruit bleek dat er wel degelijk sprake is van een tweemaal verhoogd risico van de 3e-generatie pillen.14 De verklaring van de gevonden verschillen moet worden gezocht in een betere definitie van de risicogroepen. De redactie van de BMJ, die het boetekleed aantrok, verontschuldigde zich bij de lezers.15 Ongetwijfeld zal er nog een interessante briefwisseling volgen.
Over de effectiviteit van oestrogeensuppletie bij postmenopauzale vrouwen zijn diverse gegevens bekend geworden. Gebleken is dat deze middelen niet effectief zijn bij de behandeling van vrouwen met licht tot matig ernstige vormen van de ziekte van Alzheimer (Gebu 2000; 34: 112).16 Bij vrouwen met een aangetoonde coronaire hartziekte bleek dat oestrogenen, al dan niet in combinatie met progestagenen, geen invloed hebben op de (angiografische) progressie van de aandoening.17 Ten aanzien van de primaire preventie van coronaire hartziekte bij vrouwen zijn nieuwe gegevens van de 'Nurses Health Study' gepubliceerd. In dit cohortonderzoek werd een reductie in het optreden van coronaire hartziekte waargenomen.18 De volgende veranderingen in 'levenswijze of - stijl' konden deze reductie verklaren: stoppen met roken 13%, dieetaanpassingen 16% en hormonale suppletietherapie 9%. Daarentegen was er bij de vrouwen sprake van gewichtstoename die verantwoordelijk zou kunnen zijn voor een toename van de incidentie van coronaire hartziekte met 8%.
Bijwerkingen.  Als patiënten die penvullingen met middellangwerkende (isofane of NPH) insuline gebruiken, deze onvoldoende schudden (d.w.z. <20-maal) kan er, als gevolg van onvolledige suspensie, hypoglykemie en een minder goede bloedglucoseregulatie optreden (Gebu 2000; 34: 50).
Van het bisfosfonaat etidronaat is bekend dat het haaruitval kan veroorzaken. Thans wordt ook alendronaat in verband gebracht met het optreden van haaruitval (Gebu 2000; 34: 36-37).

 


Nieuwe geneesmiddelen.  Rofecoxib is een prostaglandinesynthetaseremmer met een hoge specificiteit voor cyclo-oxygenase-2 (COX-2) is geregistreerd voor de symptomatische behandeling van artrose (Gebu 2000; 34: 14 en 71-72). Rofecoxib bestrijdt de klachten bij artrose even goed als diclofenac en ibuprofen, maar is voor deze indicatie een erg duur middel. Of rofecoxib werkzamer is dan paracetamol, is niet onderzocht. Celecoxib, de tweede specifieke COX-2-remmer, is geregistreerd voor de symptomatische behandeling van pijn en ontsteking bij artrose en reumatoïde artritis bij volwassenen (Gebu 2000; 34: 89-90).
De balans van effectiviteit en bijwerkingen van beide middelen is (nog) niet te maken. In elk geval treden ook bij deze middelen ulcera, bloedingen en perforaties op, zij het in mindere mate. Daarentegen lijkt het optreden van bijwerkingen op de nier en de lever alsmede klachten van dyspepsie niet te worden gereduceerd met de nieuwe middelen. Onder meer 'post-marketing surveillance'-onderzoek zal duidelijk moeten maken of het totale bijwerkingenprofiel van rofecoxib en celecoxib significant beter is dan dat van de oudere NSAID's.
Bijwerkingen.  Tijdens het gebruik van etanercept, dat recent is geïntroduceerd voor de behandeling van reumatoïde artritis, zijn ernstige bloedbeeldafwijkingen bekend geworden, met soms een dodelijke afloop (Gebu 2000; 34: 149). Onduidelijk is of dit door het middel wordt veroorzaakt of door het eerder gegeven methotrexaat.

 


Nieuwe geneesmiddelen.  Voor de behandeling van gevorderde borstkanker bij vrouwen met een natuurlijke of geïnduceerde postmenopauze bij wie progressie is opgetreden na anti-oestrogene therapie, is exemestaan, een selectieve aromataseremmer, geregistreerd (Gebu 2000; 34: 60). Het middel remt de vorming van oestrogenen voornamelijk in de perifere weefsels door het enzym aromatase irreversibel te remmen. Als tamoxifen geen effect meer heeft bij gemetastaseerde hormoongevoelige borstkanker in de postmenopauze komt het gebruik van een selectieve aromataseremmer, zoals exemestaan, anastrozol of letrozol, in aanmerking. Het gebruik van het niet-selectieve aminoglutethimide is hiermee ongewenst geworden.
Oxaliplatine, een platinaverbinding, is geregistreerd voor de eerstelijnsbehandeling van patiënten met gemetastaseerd colorectaal carcinoom in combinatie met 5-fluorouracil en folinezuur (Gebu 2000; 34: 51). In twee onderzoeken werd een significante verlenging (3,7 mnd) van de progressievrije overlevingsduur gevonden in vergelijking met de combinatie van 5-fluorouracil en folinezuur. De bijwerkingen zijn aanzienlijk en de absolute overlevingsduur verschilde niet tussen beide behandelingen.
Ontwikkelingen.  Van de topo-isomerase-I-remmer irinotecan is in onderzoek bij patiënten met gemetastaseerd colorectaal carcinoom aangetoond dat het, toegevoegd aan de combinatie van 5-fluorouracil en folinezuur, de progressievrije ziekteduur en overleving significant (gem. 2 maanden) verlengt, vergeleken met de combinatie van 5-fluorouracil en folinezuur.19

 


In gebieden waar huidkanker endemisch voorkomt geeft het jarenlange gebruik van zonnebrandcrème in combinatie met goede voorlichting, enige bescherming tegen het ontstaan van plaveilselcelcarcinoom, maar niet tegen basalecelcarcinoom (Gebu 2000; 34: 87-88). Er zijn geen prospectieve onderzoeken verricht naar de werkzaamheid van zonnebrandcrème bij de preventie van melanoom.
Van fyto-oestrogenen, die als voedingssupplement in de handel worden gebracht, wordt geclaimd dat het een 'natuurlijk' alternatief is voor postmenopauzale hormoonsubstitutie. Tot op heden zijn er geen gegevens uit gerandomiseerd dubbelblind en gecontroleerd onderzoek gepubliceerd waaruit een dergelijke werking zou blijken (Gebu 2000; 34: 100-101).
Van kruidenpreparaten waarin, per abuis, Aristolochia (pijpbloemen) waren verwerkt, is bekend geworden dat zij urotheelcelcarcinoom kunnen veroorzaken (Gebu 2000; 34: 124-125). Eerder waren deze preparaten al in verband gebracht met terminaal nierfalen door snel progressief fibroserende interstitiële nefritis. Het is voor de consument vaak niet goed mogelijk te achterhalen wat de exacte samenstelling van kruidenpreparaten is, omdat dergelijke preparaten niet aan dezelfde strikte regels worden onderworpen als reguliere geneesmiddelen.
Van Kava-Kava wordt geclaimd dat het een onschuldig en natuurlijk rustgevend middel is. Recent zijn ernstige bijwerkingen en interacties aan het licht gekomen (Gebu 2000; 34: 137). Gemeld zijn onder meer allergische dermatitis, necrotiserende hepatitis en acuut leverfalen. Gelijktijdig gebruik van Kava-Kava en alprazolam gaf bij een patiënt aanleiding tot een semi-comateuze toestand.

Trefwoorden: jaaroverzicht; nieuwe geneesmiddelen; ontwikkelingen; bijwerkingen

Overige stof- en merknamen®

acetylsalicylzuur  merkloos, div. fabr., Alka-Seltzer, Aspirine, Aspro 
albendazol  Eskazole 
alprazolam  merkloos, div. fabr., Xanax 
amlodipine  Norvasc 
amoxicilline  merkloos, div. fabr., Clamoxyl, Flemoxin 
anastrozol  Arimidex 
bisoprolol  Bisobloc, Emcor, Emcor DECO 
carvedilol  Eucardic 
chloortalidon  merkloos, div. fabr., Hygroton 
claritromycine  Klacid 
diclofenac  merkloos, div. fabr., Cataflam, Voltaren 
diltiazem  merkloos, div. fabr., Sular, Tildiem 
dorzolamide  Trusopt 
doxazosine  Cardura 
enalapril  merkloos, div. fabr., Renitec 
etidronaat/calciumcarbonaat  Didrokit 
5-fluorouracil  merkloos, div. fabr., Fluracedyl 
fluconazol  Diflucan 
fluticason  Flixotide 
folinezuur  Ledervorin, Leucovorine, Rescuvolin 
glibenclamide  merkloos, div. fabr., Daonil, Hemi-Daonil 
heparine  merkloos, div. fabr., Calparine, Minihep 
ibuprofen  merkloos, div. fabr., Actifen, Advil, Brufen, Femapirin, Ibosure, Nurofen, Relian, Zafen 
insuline lispro  Humalog 
irinotecan  Campto 
itraconazol  Trisporal 
ketoconazol  Nizoral 
kinidine  merkloos, div. fabr., Cardioquin, Kinidine Durettes 
lamotrigine  Lamictal 
letrozol  Femara 
lisinopril  Novatec, Zestril 
metoprolol  merkloos, div. fabr., Lopresor, Selokeen 
metformine  merkloos, div. fabr., Glucophage 
methylfenidaat  Ritalin 
miconazol  Daktarin 
nicotinekauwgom  Nicorette (kauwgom), Nicotinell (kauwgom) 
nicotinepleister  Nicotinell, Nicorette 
nifedipine  merkloos, div. fabr., Adalat 
omeprazol  Losec 
paracetamol  merkloos, div. fabr., Hedex, Panadol 
paroxetine  Seroxat 
podofyllotoxine  Wartec, Condyline 
ramipril  Tritace 
sotalol  merkloos, div. fabr., Sotacor 
spironolacton  merkloos, div. fabr., Aldactone 
tamoxifen  merkloos, div. fabr., Nolvadex 
terfenadine  merkloos, div. fabr., Triludan 
tiludronaat  Skelid 
topiramaat  Topamax 
vigabatrine  Sabril 


1. Williams JW, et al. A systematic review of newer pharmacotherapies for depression in adults: evidence report summary. Ann Intern Med 2000; 132: 743-756. 
2. The French clozapine parkinson study group. Clozapine in drug-induced psychosis in parkinson'd disease. Lancet 1999; 353: 2041-2042. 
3. The Parkinson Study group. Low-dose clozapine for the treatment of drug-induced psychosis in Parkinson's disease. N Engl J Med 1999; 340: 757-763. 
4. Brown MJ, et al. Morbidity and mortality in patients randomised to double-blind treatment with a long-acting calcium-channel blocker or diuretic in the international nifedipine GITS study: intervention as a goal in hypertension treatment (INSIGHT). Lancet 2000; 356: 366-372. 
5. Hansson L, et al. Randomised trial of effects of calcium antagonists compared with diuretics and -blockers on cardiovascular morbidity and mortality in hypertension: the nordic diltiazem (NORDIL) study. Lancet 2000; 356: 359-365. 
6. Major cardiovascular events in hypertensive patients randomised to doxazosin vs chlorthalidone: the antihypertensive and lipid-lowering treatment to prevent heart attack trial (ALLHAT). ALLHAT Collaborative Research Group. JAMA 2000; 283: 1967-1975. 
7. Hansson L, et al. Randomised trial of old and new antihypertensive drugs in elderly patients: cardiovascular mortality and morbidity the Swedish trial in old patients with hypertension-2 study. Lancet 1999; 354: 1751-1756. 
8. Yusuf S, et al. (The Heart Outcomes Prevention Evaluation [HOPE] Study Investigators). Effects of an angiotensin-converting-enzyme inhibitor, ramipril, on cardiovascular events in high-risk patients. N Engl J Med 2000; 342: 145-153. 
9. Gress TW, et al. Hypertension and antihypertensive therapy as risk factor for type 2 diabetes mellitus. N Engl J Med 2000; 342: 905-912.
10. Slavachevsky I, et al. Effect of enalapril and nifedipine on orthostatic hypotension in older hypertensive patients. JAGS 2000; 48: 807-810. 
11. Niewoehner DE, et al. Effect of systemic glucocorticosteroids on exacerbations of chronic obstructive pulmonary disease. N Engl J Med 1999; 340: 1941-1947. 
12. Damoiseaux RA, et al. Primary care based randomised, double blind trial of amoxicillin versus placebo for acute otitis media in children aged under 2 years. BMJ 2000; 320: 350-354. 
13. Farmer RDT, et al. Effect of 1995 pill scare on rates of venous thromboembolism among women taking combined oral contraceptives: analysis og General Practice Research Database. BMJ 2000; 321: 477-479. 
14. Jick H, et al. Risk of venous thromboembolism among users of third generation oral contraceptives compared with users of oral contraceptives with levonorgestrel before and after 1995: cohort and case-control analysis. BMJ 2000; 321: 1190-1195. 
15. Smith R. Editorial footnote. BMJ 2000; 321: 1172. 
16. Mulnard RA, et al. Estrogen replacement therapy for treatment of mild to moderate Alzheimer disease. JAMA 2000; 283: 1007-1015. 
17. Herrington DM, et al. Effects of estrogen replacement on the progression of coronary-artery atherosclerosis. N Engl J Med 2000; 343: 522-529. 
18. Hu FB, et al. Trends in the incidence of coronary heart disease and changes in diet and lifestyle in women. N Engl J Med 2000; 343: 530-537. 
19. Saltz LB, et al. Irinotecan plus fluorouracil and leucovorin for metastatic colorectal cancer. N Engl J Med 2000; 343: 905-914.

Auteurs

  • drs D. Bijl