Voorschrijven op stofnaam door huisartsen

Sedert januari 1996 is de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) bezig met een implementatieprogramma om het voorschrijven op stofnaam door huisartsen te stimuleren (Gebu 1998; 32: 134). Men heeft het Nederlands Instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (NIVEL) gevraagd de effecten van dit programma te meten. De uitkomsten zijn recent via een rapport beschikbaar gekomen.1 In een nulmeting zijn in 1995 de gegevens van 129 huisartsen verzameld door per huisarts honderd recepten, verdeeld over twee perioden per jaar, via de apotheek in te zien. Deze meting is in 1998 herhaald bij dezelfde groep artsen. Gemeten zijn de percentages van voorgeschreven specialités en generieke geneesmiddelen en de besparing die daarmee is behaald, ervan uitgaande dat de apotheker inderdaad het goedkoopste product heeft afgeleverd bij een generiek voorschrift.
In de periode van 1995 tot 1998 is het aantal op stofnaam voorgeschreven middelen gestegen van 30%29, naar 51%. In 1995 schreef de huisarts met het grootste aantal generieke voorschriften deze in 63% van de gevallen voor; dit percentage was in 1998 gestegen tot 97%. De huisarts met het laagste percentage generieke voorschriften steeg van 7% in 1995 tot 14% in 1998. Paracetamol, codeïne, doxycycline, acenocoumarol en prednison werden in 1998 zelfs uitsluitend als generiek product voorgeschreven. Middelen die in 1995 relatief weinig, maar in 1998 veel op stofnaam werden voorgeschreven waren: captopril, tramadol, ranitidine en miconazol. Middelen die in 1998 nog relatief weinig met hun stofnaam werden vermeld zijn: ipratropium, de 'pil' en plantago ovatapreparaten.
Door het aantal, via de computer gegenereerde, voorschriften te tellen bleek duidelijk de stimulerende werking van de Voorschrijven Op Stofnaam (VOS)-module in de diverse Huisarts Informatie Systemen (HIS). Van de huisartsen die altijd recepten met behulp van een HIS uitschreven, gebruikte 16% vaker de stofnaam dan hun collega’s die dit met de hand deden.
Bij de start van het implementatieprogramma is een schatting gemaakt van de besparing die het voorschrijven op stofnaam zou opleveren. Als er altijd op stofnaam zou worden voorgeschreven, was de maximaal te behalen besparing in 1998 51 miljoen gulden op basis van de prijzen van 1995. Inmiddels zijn die door de Prijzenwet binnen de geneesmiddelgroepen genivelleerd. Op basis van de gegevens van 1998 is de maximaal haalbare besparing 32 miljoen gulden. Hiervan is in 1998 ruwweg een kwart gerealiseerd. Als een aantal dure geneesmiddelen die relatief veel worden voorgeschreven (omeprazol, simvastatine, anticonceptie-pillen) als generiek product beschikbaar komen, zal de besparing nog aanzienlijk kunnen toenemen.

Uit deze gegevens blijkt dat door de intensieve campagne een toename van het aantal generieke voorschriften is gerealiseerd van een bescheiden 20%. Het plafond is dus nog niet bereikt. Dit blijkt ook uit de variatie die er tussen artsen onderling en tussen de voorgeschreven middelen is. Nu het implementatieprogramma ten einde loopt, is de vraag wat er zal gebeuren met het voorschrijfgedrag van de artsen. Om te voorkomen dat de positieve effecten zullen wegebben, is het belangrijk blijvend aandacht te besteden aan het voorschrijven op stofnaam. Nieuwe initiatieven, zoals het elektronisch voorschrijfsysteem (EVS) en het Farmacotherapeutisch Transmuraal Overleg (FTTO), zullen nodig zijn om een verdere verbetering van het percentage voorschriften op stofnaam te bewerkstelligen.


1. Grielen SJ et al. Het voorschrijven van geneesmiddelen op stofnaam: Effecten van het implementatieprogramma 'voorschrijven op stofnaam', mei 1999 (Uitg. NIVEL, Postbus 1568, 3500 BN Utrecht).