Verstrekking van heroïne aan ernstig verslaafden

Het gecontroleerd verstrekken van heroïne aan ernstig verslaafden die onvoldoende reageren op alles wat er verder aan hulpverleningsmogelijkheden is, heeft tot doel de algemene gezondheidstoestand van de gebruikers te verbeteren en de overlast in hun omgeving te beperken. Na een jarenlange voorbereiding komt deze verstrekking, voorlopig als experiment, ook in ons land binnen bereik.1 Interessant is daarom een recente evaluatie van een dergelijk programma in Zwitserland.2
Men selecteerde chronische heroïneverslaafden die in slechte sociale en lichamelijke omstandigheden verkeerden en bij wie ten minste twee pogingen tot behandeling waren mislukt. Het betrof voornamelijk jonge mannen die, naast een ruim gebruik van orale opiaten, gemiddeld 12 jaar heroïne hadden gespoten en die een hoge incidentie van psychopathologie hadden. Na randomisatie ontstond een experimentele groep (n=27) die direct voor de gecontroleerde verstrekking van intraveneuze heroïne met een uitgebreide medisch-sociale begeleiding in aanmerking kwam. De controlegroep (n=24) kreeg in afwachting van die interventie nogmaals een half jaar een conventionele behandeling, bijvoorbeeld methadon. Na zes maanden werden de gezondheidstoestand, het sociaal functioneren en het zelfgemelde drugsgebruik in beide groepen vergeleken. Overigens weigerden twee personen uit de controlegroep hun verdere medewerking.
In de experimentele groep volgden 25 personen het gehele programma. Daarbij dienden zij zich zelf heroïne (gem. 480 mg/dag) toe, een dosis die was gebaseerd op de zelf aangegeven behoefte. Opmerkelijk was dat deze behoefte gedurende de zes maanden van het onderzoek gemiddeld niet toenam. Eén verslaafde prefereerde straatheroïne en één direct methadon, maar verder zei niemand uit deze groep meer heroïne te hebben gebruikt buiten het programma om. In de controlegroep daarentegen werd aan het einde van de 'wachttijd' nog door 10 personen dagelijks straatheroïne gespoten.
Het experimentele programma bleek significant beter dan de conventionele behandeling, waar het de geestelijke gezondheid, het aantal suïcidepogingen, het sociaal functioneren, de afhankelijkheid van de straatdrugsscene en de drugscriminaliteit betrof. Geen verschil was er echter aantoonbaar in de algemene gezondheidstoestand, het gebruik van andere drugs dan heroïne en de reguliere werkhervatting. De gecontroleerde heroïneverstrekking veroorzaakte geen verstoring in de betrokken stadswijk, al is onduidelijk hoe dat werd gemeten. Tegen de verwachting in bleek slechts 38% van de controlegroep na afloop van de wachttijd alsnog bereid om op de gecontroleerde intraveneuze heroïnetoediening over te stappen. De overigen wilden opnieuw trachten het spuiten te staken.

Uit dit onderzoek blijkt dat een heroïneverstrekkingsprogramma een uitvoerbare en doelmatige optie is voor ernstig verslaafden, die niet reageren op conventionele interventies. Niet op te maken valt of de gevonden verschillen zijn toe te schrijven aan de gecontroleerde verstrekking van heroïne of aan het gehele complex van medische en psychosociale hulpverlening daaromheen. Een bron van mogelijke vertekening is dat de uitkomsten in belangrijke mate zijn gebaseerd op zelfrapportage. Dat van de controlegroep na een half jaar meer dan 60% toch niet voor verstrekking in aanmerking wilde komen, onder meer vanwege de intentie af te kicken, maakt duidelijk dat er ook meer programma's moeten komen die zijn gericht op resocialisatie en afkicken.



1. Schnabel P. Op de grens tussen voorschrijven en verstrekken van heroïne. Ned Tijdschr Geneeskd 1995; 139: 2604-2606.
2. Perneger TV, Giner F, Rio M del, Mino A. Randomised trial of heroin maintenance programme for addicts who fail in conventional drug treatments. BMJ 1998; 317: 13-18.