Varicella-zoster-virusvaccin (Zostavax®), uitbreiding indicatie

Zostavax®, in 2006 geregistreerd, is een levend verzwakt varicella-zoster-virusvaccin (VZV-vaccin) geïndiceerd voor de preventie van herpes zoster ('zoster' of gordelroos) en postherpetische neuralgie (PHN). Het vaccin was geregistreerd voor personen van 60 jaar en ouder en recent is de indicatie uitgebreid naar personen van 50 jaar en ouder. Het vaccin wordt eenmalig subcutaan toegediend. Momenteel is de behoefte aan een boosterdosis na enkele jaren niet bekend.
Zostavax® is onderzocht in een gerandomiseerd dubbelblind en placebogecontroleerd onderzoek bij 38.546 personen van 60 jaar of ouder (Shingles Prevention Study).1 2 In vergelijking met placebo leidde het vaccin tot een significante daling van de incidentie van herpes zoster (resp. 11,1 en 5,4 gevallen per 1.000 persoonsjaren). De beschermende werkzaamheid bedroeg 51% (95%BI=44-58%). In vergelijking met placebo leidde het vaccin ook tot een daling van de incidentie van PHN (resp. 1,4 en 0,5 gevallen per 1.000 persoonsjaren). In dit onderzoek was de definitie van PHN: klinisch significante pijn door zoster die aanhoudt of ten minste 90 dagen na aanvang van de huiduitslag optreedt. Vaccinatie met het vaccin leidde in vergelijking met placebo tot een specifieke VZV-immuunrespons. Er bleek zowel een stijging van VZV-antistoffen als van T-cel activiteit te zijn.
Bijwerkingen in de vorm van reacties op de injectieplaats, zoals roodheid, pijn en zwelling, kwamen vaker voor bij personen die met het vaccin waren gevaccineerd dan met placebo (resp. 48% en 17%). Ook systemische bijwerkingen die werden gerelateerd aan vaccinatie, zoals koorts, diarree, hoofdpijn en maculopapulaire huiduitslag, kwamen vaker voor (resp. 6,3% en 4,9 %).
Vaccinatie met het vaccin is gecontraïndiceerd bij immunodeficiëntie en bij behandeling met immunosuppressiva, echter niet bij gebruik van lokaal werkzame preparaten of lage (in de praktijk meestal <10 mg>Gelijktijdig toediening van Zostavax® met een geïnactiveerd influenzavaccin als afzonderlijke injecties in verschillende extremiteiten leidde niet tot verminderde antistofvorming tegen een van beide vaccins. 
De recente uitbreiding van de indicatie naar personen van 50 jaar en ouder is gebaseerd op twee klinische onderzoeken.1 In deze onderzoeken werd de hoogte van de antistofrespons bij personen van 50 tot 59 jaar vergeleken met die bij personen van 60 jaar en ouder. Vier weken na vaccinatie bleek de geometrisch gemiddelde 'titer' bij de jongere personen iets hoger te zijn dan bij personen van 60 jaar en ouder. Er kwamen daarentegen vaker lichte tot matig-ernstige bijwerkingen voor op de plaats van injectie. De klinische werkzaamheid is niet onderzocht gezien de lagere incidentie van herpes zoster en PHN, maar op basis van de onderzoeken naar de immunogeniciteit is de verwachting dat het vaccin in deze leeftijdsgroep minstens zo werkzaam is als in de groep van 60 jaar en ouder.
Met betrekking tot de toepassing in de praktijk van dit vaccin zijn er echter een aantal onzekerheden. Zo is het onbekend wat de invloed van vaccinatie van ouderen zal zijn op de epidemiologie van herpes zoster, maar ook op die van waterpokken, optredend tijdens de kinderleeftijd. Verder zijn de duur van bescherming en daarmee de noodzaak van een boostervaccinatie niet bekend. Ook bestaat er het (theoretische) risico dat het levend verzwakte vaccinvirus wordt overgedragen op een vatbaar persoon, zoals een immunogecompromitteerde patiënt. 


1. Productinformatie Zostavax , via: www.emea.europa.eu, human medicines, EPAR's.
2. Oxman MN, et al. Shingles Prevention Study Group. A vaccine to prevent herpes zoster and postherpetic neuralgia in older adults. N Engl J Med. 2005; 352: 2271-2284.   

 

Auteurs

  • mw dr T.G.J. van Rossum (CBG)