Tien mythen over de farmaceutische industrie: Mythe 6

In Gebu 2014; 48: 142-143 is aandacht besteed aan het boek ’Deadly medicines and organised crime’ van de Deense internist en hoogleraar Peter Gøtzsche.1 In één van de laatste hoofdstukken bespreekt de auteur de mythen die de industrie zo vaak herhaalt dat veel artsen, apothekers, politici en het algemene publiek ze zijn gaan geloven. Deze mythen vormen, volgens de auteur, een belemmering om tot een rationeel gezondheidszorgsysteem te komen. De naar het oordeel van de auteur belangrijkste tien mythen worden in het bulletin nader besproken. Thans komt nummer 6 aan bod.


In 2012 gaf de ’Association of the British Pharmaceutical Industry’ (ABPI) een richtlijn uit waarin samenwerking met artsen wordt aangemoedigd.2 Er wordt gesproken over gezamenlijke doelen en werkers in de gezondheidszorg werden opgeroepen zich ’…niet te laten verleiden om de negatieve mythen over samenwerking met de industrie te accepteren.’ Gesteund door diverse organisaties, waaronder de ’British Medical Association’, het ’Royal College of General Practitioners’ en het Britse Ministerie van Volksgezondheid, en met gebruikmaking van het logo van de Lancet werden claims ondersteund, zoals ’De industrie speelt een vitale en belangrijke rol bij het aanbieden van medische scholing’ en ’Artsenbezoekers kunnen een waardevolle informatiebron zijn voor werkers in de gezondheidszorg’.

De richtlijn ’…weerspiegelt de wens van de industrie om de relatie met werkers in de gezondheidszorg te baseren op integriteit, eerlijkheid, wetenschap, adequaat gedrag, transparantie en vertrouwen’. Ook wordt gesteld dat ’…alle gerandomiseerde onderzoeken zijn onderworpen aan nauwgezette controle…resultaten van deze onderzoeken beschikbaar zullen komen in het publieke domein…en …dat de praktijkcode van ABPI inhoudt dat details van de onderzoeken openbaar worden gemaakt’.

Gøtzsche stelt dat de details van de onderzoeken (vrijwel) nooit openbaar worden gemaakt en dat veel resultaten bij de bedrijven in de la verdwijnen. De onderzoeken worden niet onderworpen aan nauwgezette controle. Medisch-ethische toetsingscommissies toetsen alleen het onderzoeksprotocol en niet de uitvoering van een onderzoek.

De in de richtlijn geuite claim dat ’…indien dit adequaat wordt aangepakt, de objectiviteit van het klinische besluitvormingsproces niet wordt geschaad door het samenwerken met de industrie’ en dat ’…de bestaande regelgeving garandeert dat de professionele en ethische richtlijnen in stand worden gehouden’ zijn volgens Gøtzsche in tegenspraak met alles wat we over dit onderwerp weten. Ook wordt meegedeeld dat ’…de investeringen van de farmaceutische industrie de bron zijn van de meeste doorbraken en innovaties in geneesmiddelen’ (Gebu 2015; 49: 60-61).

Gøtzsche stelt dat samenwerking incidenteel voor beide partijen voordelig kan zijn, maar in het algemeen is het niet in het belang van patiënten als de publieke sector de manier waarop de industrie met geneesmiddelen omgaat, omarmt. Het idee wordt uitgedragen dat de volksgezondheid en de farmaceutische industrie een gemeenschappelijke agenda hebben. In 2012 heeft de Britse regering aangekondigd dat zij verwacht dat huisartsen met de industrie gaan samenwerken om te bepalen hoe patiënten het beste kunnen worden behandeld.3 In de richtlijn van de ABPI wordt gesteld dat ’…interessante onderwerpen voor samenwerking zijn het opsporen van niet-gediagnosticeerde patiënten, het beoordelen van therapieresistente patiënten, en het verbeteren van de therapietrouw’. Betekent dit dan dat artsenbezoekers het patiëntenbestand van de huisartsen gaan doorzoeken en patiënten selecteren waarvan zij denken dat die baat kunnen hebben bij de geneesmiddelen van de fabrikant? Gøtzsche geeft aan dat precies het tegenovergestelde moet worden gedaan, namelijk het opsporen van patiënten bij wie schade is ontstaan door overbehandeling en polyfarmacie.

Mythe 6 zou moeten worden geformuleerd als:

6. Het is niet vanzelfsprekend dat samenwerking tussen de publieke sector en de industrie patiënten ten goede komt.


Het is de vraag of de door Gøtzsche beschreven ontwikkelingen inmiddels ook in Nederland in gang zijn gezet. Nefarma heeft een inbreng gekregen in behandelrichtlijnen die over farmacotherapie gaan.4 In ’Het Toetsingskader kwaliteitsstandaarden, informatiestandaarden & meetinstrumenten 2015’ van Zorginstituut Nederland wordt gesteld dat relevante partijen moeten worden betrokken bij de ontwikkeling van richtlijnen en dat in sommige gevallen betrokkenheid van de industrie relevant is.5 Het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) heeft Nefarma volgens een vaste procedure in de commentaarfase van richtlijnen betrokken maar wijst overigens elk contact met individuele bedrijven systematisch af. Nefarma vindt het zorgelijk dat nieuwe inzichten en geneesmiddelen zo traag hun weg vinden naar de richtlijnen.6 Als gevolg daarvan is minder dan 0,5% van alle voorgeschreven geneesmiddelen korter dan vijf jaar in de handel. Daarmee wordt de patiënt tekort gedaan, meent Nefarma. Het NHG stelt daar tegenover dat veel nieuwe geneesmiddelen geen voordeel bieden aan patiënten in de eerste lijn.6 Bovendien is een conservatief behandelbeleid voor de meeste klachten en aandoeningen in de eerste lijn de meest aangewezen behandeloptie. Het Geneesmiddelenbulletin steunt het NHG wat betreft deze zienswijze en opstelling, zoals blijkt uit het feit dat er vrijwel geen nieuwe geneesmiddelen voor de eerste lijn worden geregistreerd. Zolang de kloof tussen zakendoen en wetenschap bedrijven niet is gedicht, is het niet wenselijk dat de farmaceutische industrie wordt betrokken bij de ontwikkeling van richtlijnen (Gebu 2012; 46: 137-145). Zakelijke belangen mogen nooit prevaleren boven wetenschappelijke belangen. Daarom is inbreng van partijen die financieel voordeel kunnen verkrijgen door deelname aan richtlijnontwikkeling uit den boze.


  1. Gøtzsche PC. Deadly medicines and organised crime. London: Radcliffe, 2013.
  2. https://www.rcplondon.ac.uk/resources/guidance-collaboration-between-healthcare-professionals-and-pharmaceutical-industry.
  3. Goldacre B. Bad Pharma. London: Fourth estate, 2012.
  4. Behandelrichtlijnen. Nefarma, 2014.
  5. https://www.zorginstituutnederland.nl/kwaliteit/toetsingskader+en+register/toetsingskader.
  6. NHG en Nefarma oneens over belang innovatie. Nefarma, 2014; 7 (7): 8.