Tien mythen over de farmaceutische industrie: Mythe 5

In Gebu 2014; 48: 142-143 is aandacht besteed aan het boek ’Deadly medicines and organised crime’ van de Deense internist en hoogleraar Peter Gøtzsche.1 In één van de laatste hoofdstukken bespreekt de auteur de mythen die de industrie zo vaak heeft herhaald dat veel artsen, apothekers, politici en het algemene publiek ze zijn gaan geloven. Deze mythen vormen, volgens de auteur, een belemmering om tot een rationeel gezondheidszorgsysteem te komen. De naar het oordeel van de auteur belangrijkste tien mythen worden in het bulletin nader besproken. Thans komt nummer 5 aan bod.


Frits Mythe_5Deze mythe wordt met succes door de fabrikanten gepropageerd om de regelgeving rondom geneesmiddelen en markttoelating van nieuwe geneesmiddelen te reduceren vanuit het idee dat alle problemen zullen worden opgelost door de krachten die de markt reguleren. Er is echter geen sprake van een vrije markt voor producten die in grote mate worden gesubsidieerd met belastinggeld en als er tevens sprake is van fraude (Gebu 2014; 48: 142-144). Gøtzsche beschrijft vanuit zijn eigen ervaring toen hij bij de farmaceutische industrie werkzaam was, hoe ondoorzichtig de prijzen van geneesmiddelen door de industrie worden vastgesteld.
De toenmalige hoofdredacteur van het ’New England Journal of Medicine’ dr Marcia Angell heeft in haar artikel in Gebu 2001; 35: 13-17 deze mythe in feite al ontkracht. De Amerikaanse industrie beweert dat haar wereldwijde leiderspositie in de ontwikkeling van innoverende geneesmiddelen te danken is aan het feit dat ze opereert in een vrijemarkteconomie waar het rendement evenredig kan zijn aan de enorme risico’s. Angell stelde daar tegenover dat dit beeld van de farmaceutische industrie als voorbeeld van de vrijemarkteconomie wel zeer ver afstaat van de werkelijkheid. De farmaceutische industrie krijgt juist buitengewone overheidsprotectie en -subsidies. Een groot deel van het aanvankelijke fundamentele onderzoek dat eventueel kan leiden tot de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen, wordt in de Verenigde Staten (VS) gefinancierd door de ’National Institutes of Health’, een federale overheidsinstelling die zich toelegt op geneeskundig onderzoek. Gewoonlijk raken de geneesmiddelenproducenten pas bij de ontwikkeling betrokken als de resultaten van het onderzoek doen vermoeden dat er een goede kans op praktische toepasbaarheid bestaat. Verder geniet de sector ook aanzienlijke belastingvoordelen. Niet alleen de onderzoeks- en ontwikkelingskosten zijn fiscaal aftrekbaar, maar ook de enorme marketinguitgaven. En het belangrijkste voordeel is dat de geneesmiddelenproducenten van de regering een 17 jaar durend monopolie, dat wil zeggen octrooibescherming, krijgen op hun nieuwe geneesmiddelen. Zodra voor een geneesmiddel een octrooi is verleend, mag niemand anders het verkopen en kan het farmaceutische bedrijf het middel verkopen voor de prijs die men bereid is ervoor te betalen.
Angell sluit af met de vaststelling dat de farmaceutische industrie in een uiterst bevoorrechte positie verkeert. Ze profiteert zeer sterk van door de overheid gefinancierd onderzoek, door de overheid verleende octrooien en grote belastingvoordelen, en strijkt buitensporige winsten op. Daarom, en omdat de farmaceutische industrie producten vervaardigt die van vitaal belang zijn voor de volksgezondheid, zou ze niet alleen verantwoording verschuldigd moeten zijn aan haar aandeelhouders, maar ook aan de maatschappij als geheel.
De besproken voordelen die de farmaceutische industrie geniet, zijn moeilijk te rijmen met een vrijemarkteconomie en derhalve gaat de redenering niet op dat alle problemen zullen worden opgelost door de krachten die de markt reguleren.

Mythe 5 zou moeten worden geformuleerd als:


Zie ook: Mythe 1 | Mythe 2 | Mythe 3 | Mythe 4


Literatuurreferenties
1.
Gøtzsche PC. Deadly medicines and organised crime. London: Radcliffe, 2013.