In het kort Artikel

Tien jaar omalizumab


De registratie-indicatie van het anti-astmamiddel omalizumab in 2007 betrof ernstig allergisch astma bij patiënten vanaf 12 jaar. Bewijs voor klinisch relevante exacerbatie-afname volgens algemeen aanvaarde criteria was er toen nog nauwelijks. Voor patiënten die voldeden aan de oorspronkelijke registratie-indicatie is dit bewijs in tien jaar niet méér geworden. Vandaar nu bijstelling van de Gebu-pilwaardering naar ‘onvoldoende toegevoegde waarde’. Inmiddels geldt dezelfde indicatie voor kinderen van 6-12 jaar. Bij hen zijn eerste aanwijzingen gevonden voor relevante werkzaamheid, zonder nog voldoende zekerheid over de uiteindelijk toegevoegde waarde. Voor de tussentijdse extra indicatie van omalizumab, chronische idiopathische urticaria, blijft relevant bewijs vooralsnog uit.


  • Omalizumab werd in 2007 geregistreerd voor de behandeling van ernstig allergisch astma bij volwassenen en kinderen vanaf 12 jaar. De registratie van omalizumab is inmiddels uitgebreid met de toepassing bij ernstig allergisch astma bij kinderen van 6 tot 12 jaar en bij chronische idiopathische urticaria (chronische spontane urticaria) bij volwassenen en kinderen vanaf 12 jaar.
  • In 2007 werd slechts één placebo gecontroleerd registratieonderzoek met de juiste doelgroep (patiënten met ernstig allergisch astma) uitgevoerd. De afname van het aantal exacerbaties bleek alleen statistisch significant (niet klinisch relevant), nadat achteraf gecorrigeerd werd voor de exacerbatiehistorie aan het begin van het onderzoek. 
  • Post-registratieonderzoek met als harde uitkomstmaat het gemiddelde aantal exacerbaties laat zien dat dit aantal bij het gebruik van omalizumab statistisch significant afneemt ten opzichte van placebo. In deze onderzoeken zijn echter ook patiënten met matig astma ingesloten.
  • De uitbreiding met de toepassing bij kinderen werd door de registratieautoriteiten goedgekeurd op basis van een onderzoek bij kinderen met ernstig allergisch astma. Dit onderzoek liet een statistisch significante en klinisch relevante verbetering zien van het aantal exacerbaties.
  • De registratie van omalizumab bij de toepassing bij urticaria is gebaseerd op twee onderzoeken. Deze onderzoeken lieten een statistisch significante en nauwelijks of geen klinisch relevante verbetering zien van jeukklachten.
  • Uit het post-marketingonderzoek naar omalizumab zijn geen opvallende nieuwe bijwerkingen gekomen.
  • Omalizumab wordt genoemd in de richtlijnen van de longartsen, echter niet als geneesmiddel van eerste keuze. In de richtlijn ‘Urticaria’ van de NVDV wordt omalizumab als derde stap toegevoegd aan de bestaande behandeling.
  • In 2007 was de Gebu-pilwaardering van omalizumab bij de behandeling van ernstig allergisch astma ‘+/-‘ (matig of nog niet te beoordelen). Vanwege de na 10 jaar aanhoudende onduidelijkheid over de werkzaamheid bij deze oorspronkelijk geregistreerde indicatie zou de pilwaardering naar beneden moeten worden bijgesteld naar ‘-‘ (‘onvoldoende’).
  • Voor de klinisch relevante werkzaamheid van omalizumab bij kinderen bij wie hoog gedoseerde alternatieve behandelingen onvoldoende werkzaam zijn is eerste bewijs gekomen. Een Gebu-pilwaardering van ‘+/-‘ (‘matig of nog niet te beoordelen’) is op zijn plaats, ook omdat de werkzaamheid en veiligheid op langere termijn nog niet kan worden beoordeeld.
  • Voor patiënten met ernstige jeuk door chronische idiopathische urticaria lijkt omalizumab een aanvulling op de huidige behandelmogelijkheden, als antihistaminica onvoldoende werken. Maar vanwege het ontbreken van duidelijk bewijs voor klinisch relevante werkzaamheid is een Gebu-pilwaardering ‘-‘ (‘onvoldoende’)  voor deze nieuwe geregistreerde toepassing vooralsnog te verdedigen.
Pilwaardering: +/- matig (wat is dit?)

In 2007 werd omalizumab op de markt gebracht en werd het als nieuw geneesmiddel besproken in Gebu 2007; 41; 9-10.
Bij de introductie van een geneesmiddel is relatief weinig bekend over de werkzaamheid en bijwerkingen en is onderzoek naar harde uitkomstmaten nog zelden gepubliceerd. Dit gold ook voor omalizumab. Daarom kon in die tijd slechts een voorlopige plaatsbepaling voor het middel worden gegeven. Op grond van de in 2007 gepubliceerde resultaten van gerandomiseerd onderzoek kreeg omalizumab daarom een Gebu-pilwaardering ‘+/-‘. Na tien jaar is het tijd om de balans opnieuw op te maken.


Omalizumab is een met behulp van recombinant-DNA-technologie vervaardigd gehumaniseerd monoklonaal antilichaam, dat selectief bindt aan humaan IgE. De hoeveelheid vrij IgE die beschikbaar is om een allergische cascade teweeg te brengen, vermindert.1
Omalizumab werd indertijd geregistreerd voor de behandeling van ernstig allergisch astma (Gebu 2007; 41: 9-10) bij volwassenen en kinderen vanaf 12 jaar met overtuigend immunoglobuline E(IgE)-gemedieerd astma. Omdat het middel subcutaan moest worden toegediend en vanwege de nog beperkte ervaring ermee in de praktijk was de toediening voorbehouden aan een arts of verpleegkundige. In Nederland wordt omalizumab uitsluitend toegepast in de tweede lijn.
De registratie van omalizumab is in 2009 uitgebreid met de toepassing bij ernstig allergisch astma bij kinderen van 6 tot 12 jaar en in 2014 bij chronische idiopathische urticaria (chronische spontane urticaria) bij volwassenen en kinderen vanaf 12 jaar.


Werkzaamheid bij volwassenen en adolescenten

In Gebu 2007; 41: 9-10 werden vijf gerandomiseerde onderzoeken besproken naar de werkzaamheid van omalizumab ten opzichte van placebo.2-4 In vier van de onderzoeken werden ook patiënten ingesloten voor wie het geneesmiddel volgens de registratie niet bedoeld was, namelijk patiënten met een matig ernstige vorm van astma. In deze vier onderzoeken nam het gemiddeld aantal exacerbaties per patiënt per jaar statistisch significant af ten opzichte van placebo (zie tabel 1). In het vijfde onderzoek werden alleen patiënten met ernstig astma ingesloten. Omdat er tussen beide behandelgroepen een verschil was in exacerbatiehistorie werd de primaire uitkomstmaat aangepast in overleg met de CHMP (Committee for Medicinal Products for Human Use). Deze aanpassing hield in dat de resultaten werden gecorrigeerd voor het verschil in exacerbatiehistorie, hoewel dit niet van te voren in het onderzoeksprotocol werd vastgelegd. Pas na deze aanpassing was er een statistisch significant verschil in het aantal astma-exacerbaties per patiënt. De Nederlandse Vereniging voor Artsen voor Longziekten en Tuberculose (NVALT) beschouwt een afname in het gemiddelde aantal exacerbaties van meer dan 30% klinisch relevant.5 Uit tabel 1 blijkt dat de afname van het gemiddeld aantal exacerbaties in het enige onderzoek bij patiënten met ernstig allergisch astma op basis van het NVALT-criterium niet klinisch relevant is.2

Interventieref

ernst astma

aantal pat.

duur (wk.)

exacerbaties/pat. omalizumab

exacerbaties/pat. placebo

verbetering (%)

omalizumab/placebo2

ernstig

482

28

0,68/28 wk.

0,91/28 wk.

25,3

omalizumab/placebo (meta-analyse)3

matig ernstig- ernstig

1421

16

0,69/jr.

1,56/jr.

55,8

omalizumab/placebo4

matig ernstig- ernstig

405

28

0,25/28 wk.

0,40/28 wk.

37,5

Tabel 1: Aantal exacerbaties gevonden in onderzoek naar omalizumab.

In 2014 is er een systematisch literatuuroverzicht en meta-analyse verschenen waarin in totaal 21 onderzoeken met 5.975 patiënten (kinderen, adolescenten en volwassenen) zijn opgenomen.6 Deze onderzoeken vergeleken het gebruik van de subcutane toediening van omalizumab met placebo bij patiënten met matig tot ernstig allergisch astma. Een primaire uitkomstmaat was het aantal ernstige astma-exacerbaties. In de groep met omalizumabgebruikers kwam ten minste één exacerbatie voor bij 163 van de 1.000 gebruikers ten opzichte van 262 van de 1.000 placebogebruikers met een Odds ratio van 0,55 (95% BI 0,46-0,65). De gevonden verbetering was 37,8% en is klinisch relevant volgens de richtlijn van de NVALT. In een subgroepanalyse bleek dat het aantal patiënten met een exacerbatie bij patiënten met ernstig astma (de geregistreerde toepassing) die omalizumab gebruikten niet was verminderd ten opzichte van patiënten die placebo gebruikten.6

Werkzaamheid bij kinderen

De registratie van omalizumab is in 2009 uitgebreid naar de groep kinderen van 6 tot 12 jaar. Deze registratie werd verleend op grond van één gerandomiseerd dubbelblind onderzoek bij kinderen van 6 tot 12 jaar met ernstig allergische astma waarbij omalizumab werd vergeleken met placebo, toegevoegd aan de bestaande behandeling.8 De primaire uitkomstmaat was het gemiddelde aantal exacerbaties in de eerste periode van 24 weken.

Soort onderzoek: gerandomiseerd dubbelblind onderzoek, uitgevoerd in meerdere onderzoekscentra.
Belangenverstrengeling: Het onderzoek werd gesponsord door Novartis.
Powerberekening: niet vermeld.
Insluitingscriteria: Kinderen van 6 tot 12 jaar bij wie hoge doseringen inhalatiecorticosteroïden en langwerkende β-agonisten onvoldoende werkzaam zijn.
Belangrijke uitsluitingscriteria: niet vermeld.
Onderzoeksduur: 52 weken.
Analyse van de resultaten: in de aangepaste ‘intention-to- treat’ populatie (pat. die 1 of meer doseringen omalizumab/placebo hadden ontvangen).
Aantal patiënten: totaal 235, 159 in de placebogroep, 76 in de omalizumabgroep. Uitval was 12 in de placebogroep en 25 in de omalizumabgroep.
Patiëntkenmerken: gemiddelde leeftijd 9 jr., 65.5% jongens.
(NCT00079937)

Na 24 weken was het gemiddeld aantal exacerbaties in de omalizumabgroep kleiner dan in de placebogroep met respectievelijk 0,42 exacerbaties per patiënt per 24 weken en 0,63 exacerbaties per patiënt per 24 weken (NNT 4,8). Het relatieve risico was 0,66 (0,44 – 0,995) waarmee het verschil statistisch significant was.8  De bereikte verbetering ten opzichte van placebo was 33,3% en was klinisch relevant volgens de richtlijnen van de NVALT.


In 2014 werd de registratie van omalizumab uitgebreid met de indicatie chronische idiopathische urticaria.1 De goedkeuring voor deze nieuwe indicatie werd verleend op grond van twee gerandomiseerde dubbelblinde fase 3- onderzoeken.9 10 
In het eerste onderzoek werd omalizumab (75, 150 en 300 mg subcutaan/4 wk.) vergeleken met placebo, toegevoegd aan de bestaande behandeling bij patiënten (volwassenen en adolescenten) die onvoldoende reageerden op behandeling met een antihistaminicum.9 Het primaire eindpunt was het verschil in jeuk na 12 weken ten opzichte van de score bij het begin van het onderzoek op de Itch Severity Scale (ISS). In deze schaal wordt een daling van meer dan 5 punten ten opzichte van de uitgangswaarde als klinisch relevant gezien.

Onderzoeksnaam: ASTERIA II (acroniem niet uitgelegd) 
Soort onderzoek: gerandomiseerd dubbelblind fase 3-onderzoek, uitgevoerd in verschillende onderzoekscentra.
Belangenverstrengeling: het onderzoek werd gesponsord door Genentech en Novartis.
Powerberekening: uitgaande van een verschil van negen punten in de omalizumab groepen en 3,5 punten in de placebo groep, een standaard deviatie van 6 punten en een uitval van 15%, waren in totaal 300 patiënten nodig voor een power van 98%.
Insluitingscriteria: patiënten van 12 tot 75 jaar, CIU ≥ 6 maanden, jeukklachten ≥ 8 achtereenvolgende weken, gebruik van een H1-antihistaminicum.
Belangrijke uitsluitingscriteria: urticaria met een bekende oorzaak, chronisch gebruik van andere ontstekingsremmers zoals corticosteroïden of immunoglobulinen. 
Onderzoeksduur: 28 weken, waarvan 12 weken behandeling en 16 weken follow-up.
Analyse van de resultaten: in de aangepaste ‘intention-to- treat’ populatie (pat. die 1 of meer doseringen omalizumab/placebo hadden ontvangen), met ‘last-observation-carried-forward’ bij ontbrekende gegevens.
Aantal patiënten: totaal 323, 79 in de placebogroep, 244 in de omalizumabgroep (82, 83, 79 pat. kregen resp. 75, 150 of 300 mg omalizumab subcutaan per vier weken).
Patiëntkenmerken: gemiddelde leeftijd 42,5 jr., 76% vrouwen.
(NCT01292473)

Na 12 weken was de gemiddelde ISS-score in de omalizumab 150 en 300 mg groep statistisch significant gedaald ten opzichte van de placebogroep (zie tabel 2). Deze verschillen waren niet klinisch relevant. Het verschil tussen de omalizumab 75 mg en placebo was niet-significant.9

 

placebo
(n=79)

omalizumab 75 mg (n= 82)

omalizumab 150 mg (n= 83)

omalizumab 300 mg (n= 79)

gemiddelde daling ISS-score (punten)

-5,1

-5,9

-8,1

-9,8

afname ten opzichte van placebo (punten [95%BI])

-

-0,7 (NS)

-3,0 (-4,9 - -1,2)

-4,80 (-6,5 - -3,1)

Tabel 2: Verschil in ISS-scores na 12 weken ten opzichte van de uitgangswaarde in week 0.9

In het tweede onderzoek werd omalizumab (75, 150 en 300 mg subcutaan/4 wk.) vergeleken met placebo, toegevoegd aan de bestaande behandeling bij patiënten (volwassenen en adolescenten) die onvoldoende reageerden op behandeling met een antihistaminicum.10 Het primaire eindpunt was het verschil in jeuk na 12 weken ten opzichte van de score bij het begin van het onderzoek op de ISS.

Onderzoeksnaam: ASTERIA I (acroniem niet uitgelegd) 
Soort onderzoek: gerandomiseerd dubbelblind fase 3-onderzoek, uitgevoerd in verschillende onderzoekscentra.
Belangenverstrengeling: het onderzoek werd gesponsord door Genentech en Novartis.
Powerberekening: uitgaande van een verschil van negen punten in de omalizumab groepen en 3,5 punten in de placebo groep, een standaard deviatie van 6 punten en een uitval van 15%, waren in totaal 300 patiënten nodig voor een power van 98%.
Insluitingscriteria: patiënten van 12 tot 75 jaar, CIU ≥ 6 maanden, jeukklachten ≥ 8 achtereenvolgende weken, gebruik van een H1-antihistaminicum.
Belangrijke uitsluitingscriteria: urticaria met een bekende oorzaak, chronisch gebruik van andere ontstekingsremmers zoals corticosteroïden of immunoglobulinen.
Onderzoeksduur: 42 weken, waarvan 24 weken behandeling en 16 weken follow-up.
Analyse van de resultaten: in de aangepaste ‘intention-to- treat’ populatie (pat. die 1 of meer doseringen omalizumab/placebo hadden ontvangen), met ‘last-observation-carried-forward’ bij ontbrekende gegevens.
Aantal patiënten: totaal 319, 80 in de placebogroep, 239 in de omalizumabgroep (78, 80, 81 pat. kregen resp. 75, 150 of 300 mg omalizumab subcutaan per vier weken).
Patiëntkenmerken: gemiddelde leeftijd 41,2 jr., 72,6% vrouwen.
(NCT01287117)

Na 12 weken was de gemiddelde ISS-score in alle omalizumabgroepen statistisch significant gedaald ten opzichte van placebo (zie tabel 3), maar alleen voor de hoogste dosering van 300 mg was dit verschil klinisch relevant.10

 

placebo
(n=80)

omalizumab 75 mg (n= 78)

omalizumab 150 mg (n= 80)

omalizumab 300 mg (n= 81)

gemiddelde daling ISS-score (punten)

-3,6

-6,5

-6,7

-9,4

afname ten opzichte van placebo (punten [95%BI])

-

-3,0 (-4,7 - -1,2)

-3,0 (-4,7 - -1,2)

-5,8 (-7,5 - -4,1)

Tabel 3: Verschil in ISS-scores na 12 weken ten opzichte van de uitgangswaarde in week 0.10


In een in 2014 gepubliceerd prospectief observationeel onderzoek werd gekeken naar de incidentie van maligniteiten bij omalizumab vergeleken met patiënten zonder omalizumab.11 Dit onderzoek werd gedaan omdat in een van de registratieonderzoeken een verhoogd aantal maligniteiten werd gevonden in de omalizumabgroep. In het observationele onderzoek werden patiënten met matig tot ernstig allergisch astma vanaf 12 jaar ingesloten. Deze patiënten werden gedurende vijf jaar gevolgd. Primaire uitkomstmaat was de bevestigde maligniteiten die tijdens het onderzoek bij navragen door de patiënt zelf werden gerapporteerd, weergegeven in aantal per 1.000 persoonsjaren. In totaal werden 5.007 patiënten ingesloten in de omalizumabgroep, in het onderzoek werden 2.829 patiënten ingesloten die geen omalizumab gebruikten. 2.696 patiënten uit de omalizumabgroep werden gevolgd tot het einde van het onderzoek en 1.698 van de niet-omalizumabgebruikers. In de omalizumabgroep kwamen in totaal 16 maligniteiten per 1.000 persoonsjaren voor ten opzichte van 19,1 bij niet-omalizumabgebruikers, een niet-significant verschil.11
Bij Bijwerkingencentrum Lareb zijn tot op heden 127 meldingen van bijwerkingen bij omalizumab binnengekomen waaronder 95 meldingen van ernstige bijwerkingen. De meeste meldingen werden gedaan in de groepen ademhalingstelstel (76) en huid en onderhuid (67).12

Astma

Omalizumab wordt in de NHG-Standaard ‘astma bij kinderen’ niet geadviseerd of besproken als tweedelijnsbehandeling. In de NHG-Standaard ‘astma bij volwassenen’ wordt aangegeven dat omalizumab één van de mogelijkheden is voor de tweedelijnsbehandeling bij ernstig allergische astma.13 14 In de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Artsen voor Longziekten en Tuberculose (NVALT) staat dat behandeling met omalizumab kan worden overwogen bij patiënten met ernstig allergisch astma, die ondanks optimale medicamenteuze behandeling twee of meer exacerbaties per jaar hebben.5
Omalizumab komt niet voor in de richtlijn ‘Astma bij kinderen’ van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde van 2013.15 

Urticaria

De farmacotherapeutische richtlijn ‘Urticaria’ van het NHG dateert uit 2007 toen omalizumab nog niet als behandeling voor urticaria geregistreerd was.16 In de richtlijn ‘Chronische spontane urticaria’ van de NVDV uit 2015 werd omalizumab als derde stap toegevoegd aan de behandeling van urticaria (stap 1: antihistaminica, stap 2: dosisverhoging aanvulling met montelukast of corticosteroïden of wisselen van antihistaminicum). De auteurs geven hierbij aan dat het bewijs voor de werkzaamheid van omalizumab van hoge kwaliteit is en het middel een goed veiligheidsprofiel heeft op korte termijn. Als nadeel wordt de hoge prijs genoemd.17

Gebruikscijfers

Geneesmiddel

merk®

aantal gebruikers 2016*

vergoedingsprijs 150mg/ml in wegwerpspuit.** (€)

omalizumab

Xolair

1.733

350,82

Tabel 4: gebruikscijfers van omalizumab
* GIP-databank. Voorlopige cijfers Zvw, overige add-ons 2016. Via: www.gipdatabank.nl.
** Vergoedingsprijs G-standaard februari 2018.


Omalizumab kreeg in 2007 een pilwaardering ‘+/-‘ (matig of kan nog niet worden beoordeeld) omdat er onvoldoende onderzoek bekend was naar de werkzaamheid in de groep patiënten met ernstig astma, de enige indicatie waarvoor het middel toen geregistreerd was. Helaas kwam hierover in de afgelopen tien jaar weinig meer duidelijkheid. Wel verscheen in 2014 een meta-analyse wederom van alleen onderzoeken uitgevoerd bij patiënten (volwassenen en kinderen) met matig ernstig tot ernstig allergisch astma en niet bij de specifieke patiëntengroep waarvoor dit geneesmiddel is geregistreerd. In de totale patiëntengroep werden significante en klinisch relevante verbeteringen gevonden, maar bij een subgroepanalyse van patiënten met ernstig astma was het aantal ernstige exacerbaties niet verminderd ten opzichte van patiënten die placebo kregen. 
Er zijn geen nieuwe ernstige bijwerkingen geconstateerd en in een onderzoek naar maligniteiten werd geen verband met het gebruik van omalizumab gevonden. De werkzaamheid bij patiënten bij de geregistreerde indicatie, ernstig allergische astma, blijft na tien jaar onduidelijk. Vanwege deze aanhoudende onduidelijkheid zou de Gebu-pilwaardering naar beneden moeten worden bijgesteld naar ‘onvoldoende’: ‘-‘.
Voor klinisch relevante werkzaamheid van omalizumab bij kinderen bij wie hoog gedoseerde alternatieve behandelingen met inhalatiecorticosteroïden en langwerkende β-agonisten onvoldoende werkzaam zijn is eerste bewijs gekomen. Voor deze toepassing is een Gebu-pilwaardering van ‘+/-‘ op zijn plaats, ook omdat de werkzaamheid en veiligheid op langere termijn nog niet kan worden beoordeeld.
Voor patiënten met ernstige jeuk door chronische idiopathische urticaria lijkt omalizumab in potentie een aanvulling op de huidige behandelmogelijkheden, als antihistaminica onvoldoende werken. Maar vanwege het ontbreken van duidelijk bewijs voor klinisch relevante werkzaamheid van omalizumab bij urticaria is een Gebu-pilwaardering ‘-‘ (‘onvoldoende’)  voor deze nieuwe geregistreerde toepassing te verdedigen.

  1. Productinformatie omalizumab (Xolair®). Via: http://www.ema.europa.eu/docs/nl_NL/document_library/EPAR_-_Product_Information/human/000606/WC500057298.pdf.
  2. Humbert M, et al. Benefits of omalizumab as add-on therapy in patients with severe persistent asthma who are inadequately controlled despite best available therapy (GINA 2002 step 4 treatment): INNOVATE. Allergy 2005; 60: 309-316. 
  3. Holgate S, et al. Efficacy of omalizumab, an anti-immunoglobulin E antibody, in patients with allergic asthma at high risk of serious asthma-related morbidity and mortality. Curr Med Res Opin 2001; 17: 233-240.
  4. Vignola AM, et al. Efficacy and tolerability of anti-immunoglobulin E therapy with omalizumab in patients with concomitant allergic asthma and persistent allergic rhinitis. SOLAR. Allergy 2004; 59: 709-717.
  5. Richtlijn diagnostiek en behandeling van ernstig astma. Nederlandse Vereniging voor Artsen voor Longziekten en tuberculose 2012. Via: https://www.nvalt.nl/kwaliteit/richtlijnen/copd-astma-allergie.
  6. Normansell R, Walker S, Milan SJ, Walters EH, Nair P. Omalizumab for asthma in adults and children (Review). Cochrane Database of Systematic Reviews 2014; Issue 1: CD003559.
  7. Ledford D, Busse W, Trzaskoma B, Omachi TA, Rosén K, Chipps BE, et al. A randomized multicenter study evaluating Xolair persistence of response after long-term therapy. J Allergy Clin Immunol 2017; 140: 162-169.
  8. Kulus M, Hébert J, Garcia E, Fowler Taylor A, Fernandez Vidaurre C, Blogg M. Omalizumab in children with inadequately controlled severe allergic (IgE-mediated) asthma. Curr Med Res Opin 2010; 26: 1285-1293.
  9. Maurer M, Rosén K, Hsieh HJ, Saini S, Grattan C, Gimenéz-Arnau A, et al. Omalizumab for the treatment of chronic idiopathic or spontaneous urticaria. N Engl J Med 2013; 368: 924-35.
  10. Saini SS, Bindslev-Jensen C, Maurer M, Grob JJ, Bülbül Baskan E, Bradley MS, et al. Efficacy and safety of omalizumab in patients with chronic idiopathic/spontaneous urticaria who remain symptomatic on H1 antihistamines: a randomized, placebo-controlled study. J Invest Dermatol 2015; 135: 67-75.
  11. Long A, Rahmaoui A, Rothman KJ, Guinan E, Eisner M, Bradley MS, et al. Incidence of malignancy in patients with moderate-to-severe asthma treated with or without omalizumab. J Allergy Clin Immunol 2014; 134: 560-567.
  12. Informatie over aantal meldingen bij sitagliptine en omalizumab. Kennisbank Bijwerkingencentrum Lareb 2017. Via: www.lareb.nl.
  13. Bindels PJE, Van de Griendt EJ, Grol MH, Van Hensbergen W, Steenkamer TA, Uijen JHJM, et al. NHG-Standaard Astma bij kinderen (Derde herziening). Huisarts Wet 2014; 57: 70-80.
  14. Smeele I, Barnhoorn MJM, Broekhuizen BDL, Chavannes NH, In ’t Veen JCCM, Van der Molen T, et al. NHG-Standaard Astma bij volwassenen (derde herziening). Huisarts Wet 2015; 58: 142-154.
  15. van de Griendt EJ, Boluyt N, van Everdingen JJE, Tuut MK. Richtlijn ‘Astma bij kinderen’. NVK 2013. Via: http://www.nvk-richtlijnen.nl/astma/index.php/Hoofdpagina#Medicamenteuze_behandeling_van_astma.
  16. Verduijn MM, Folmer H. Farmacotherapeutische richtlijn ‘Urticaria’ 2007. NHG. Via: http://download.nhg.org/FTP_NHG/standaarden/FTR/Urticaria_text.html.
  17. Multidisciplinaire evidence-base richtlijn ‘Chronische spontane urticaria’ 2014. Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie. Via: https://www.huidziekten.nl/richtlijnen/richtlijn-urticaria-2015.pdf.

Auteurs

  • mw drs M.A.E. Nieuwhof