Terugblik Nieuwe geneesmiddelen 2000 en 2001 en nieuwe pilwaarderingen


onder medeverantwoordelijkheid van de redactiecommissie

 


Terug naar boven

In de prikbordrubriek ’Nieuwe geneesmiddelen’ worden geneesmiddelen besproken kort nadat ze in de handel zijn gebracht. Bij de introductie van een geneesmiddel is nog relatief weinig bekend over de werkzaamheid en bijwerkingen en is een plaatsbepaling slechts voorlopig. In september 2000 werd, in navolging van enkele zusterbladen van de ’International Society of Drug Bulletins’ (ISDB), de ’pilwaardering’ voor nieuwe geneesmiddelen geïntroduceerd (Gebu 2000; 34: 111). Deze is in 2010 gewijzigd van vijf (++ tot --) naar drie (+ tot -) waarderingen (Gebu 2010; 44: 61-64) (zie kader, hieronder). De pilwaardering komt tot stand door de balans van werkzaamheid en bijwerkingen van het nieuwe geneesmiddel op te maken, zo mogelijk in vergelijking met de standaardtherapie. In dit artikel blikken we terug op geneesmiddelen die vanaf de introductie van die pilwaardering in 2000 en 2001 zijn besproken in de rubriek 'Nieuwe geneesmiddelen'.

Pilwaarderingen in het Geneesmiddelenbulletin.
++: een uitzonderlijk goede uitbreiding van het farmacotherapeutisch arsenaal.*
+: een nuttig geneesmiddel waarvan wordt verwacht dat het de bestaande farmacotherapeutische mogelijkheden uitbreidt.
+/-: een geneesmiddel met twijfelachtig nut, of een middel waarvan de waarde nog niet goed kan worden beoordeeld.
-: een geneesmiddel zonder toegevoegde waarde.
--: een geneesmiddel met extra risico’s dat niets toevoegt aan de behandelmogelijkheden.**

* Deze pilwaardering is vanaf Gebu 2010; 44: 61-64 komen te vervallen.
** De waardering -- is in Gebu 2010; 44: 61-64 gewijzigd in een ’rode kaart’.

 


Terug naar boven

Apomorfine. De dopamine-agonist apomorfine werd in 2000 geregistreerd voor de behandeling van invaliderende fluctuaties in mobiliteit (on-off-fluctuaties) bij patiënten met de ziekte van Parkinson die worden behandeld met levodopa en/of andere dopamineagonisten (Gebu 2000; 34: 111-112). Destijds was er nog geen farmacotherapeutische behandeling mogelijk voor deze patiënten en kreeg het middel, waarvan in twee kleine gerandomiseerde onderzoeken werd vastgesteld dat het off-perioden verminderde, de waardering +/-. Sinds de introductie van apomorfine, tegenwoordig onder de merknaam APO-go® in de handel, zijn weinig nieuwe onderzoeksgegevens beschikbaar gekomen. Desondanks is het een middel dat mogelijk voor een zeer beperkte groep patiënten bruikbaar kan zijn, maar waarvan de waarde nog steeds niet goed kan worden beoordeeld: +/-.
Brinzolamide. In Gebu 2000; 34: 122-123 werd aangegeven dat brinzolamide, de tweede koolzuuranhydraseremmer voor de behandeling van openkamerhoekglaucoom en oculaire hypertensie, een tweedekeuzemiddel is na β-blokkers. Aan brinzolamide, dat door ons Franse zusterblad La Revue Prescrire werd bestempeld als een me too,1 werd geen pilwaardering toegekend. In 2005 concludeerden de auteurs van een meta-analyse (27 ond., >6.800 pat.) dat de prostaglandine-analoga bimatoprost (verlaging intra-oculaire druk na 1 mnd.: 33%) latanoprost (31%) en travoprost (31%) en de β-blokker timolol (27%) het werkzaamst waren. De relatieve intra-oculaire drukverlaging met brinzolamide was 17%.2 In een vier jaar later gepubliceerde meta-analyse (15 ond., tot. 450 pat.) werd dit bevestigd bij patiënten met glaucoom zonder verhoogde intra-oculaire druk.3 Tien jaar na de introductie blijkt dat brinzolamide niet werkzamer of veiliger is dan andere behandelopties. Het is geen waardevolle toevoeging gebleken aan het arsenaal van glaucoommiddelen en daarom wordt het middel beoordeeld als een geneesmiddel zonder toegevoegde waarde: -.
Imiquimod. In Gebu 2000; 34: 148-149 werd aangegeven dat imiquimod bij onwerkzaamheid van of overgevoeligheid bij podofyllotoxine kan worden toegepast voor de behandeling van condylomata acuminata. Sindsdien zijn nog steeds geen direct vergelijkende dubbelblinde onderzoeken gepubliceerd tussen imiquimod en podofyllotoxine. Ofschoon beide middelen in een systematisch literatuuroverzicht gelijkwaardige genezingspercentages (50 en 56% resp. imiquimod en podofyllotoxine) toonden,4 blijft imiquimod een tweedekeuzemiddel.
Inmiddels is de indicatie van imiquimod uitgebreid met de lokale behandeling van kleine superficiële basocellulaire carcinomen (sBCC) bij volwassenen (Gebu 2006; 40: 52). In La Revue Prescrire werd imiquimod voor deze indicatie afgeraden, omdat het middel minder werkzaam was en slechter werd verdragen dan chirurgische excisie en radiotherapie.5 Er is ook een handelsvergunning verleend voor de behandeling van actinische keratose.6 Ofschoon in een meta-analyse (5 ond., 1.293 pat.) imiquimod werkzamer was dan placebo (Number Needed to Treat (NNT) complete remissie na 12-16 wk.: 2,2), gaf het significant vaker aanleiding tot erytheem en korstvorming (Number Needed to Harm (NNH): 3,2-5,9)7 en ontbreken vergelijkende onderzoeken met fluorouracil, waardoor voor deze indicatie geen plaatsbepaling kan worden opgemaakt. Imiquimod kan (soms ernstige) inflammatoire huidreacties (Gebu 2000; 34: 148-149) en fotosensibilisatie (Gebu 2010; 44: 37-42) veroorzaken en er zijn casuïstische mededelingen gepubliceerd over systemische bijwerkingen, zoals leverschade8 en het capillaireleksyndroom.9 Gezien bovenstaande gegevens over de werkzaamheid en bijwerkingen wordt imiquimod gewaardeerd met een -.
Montelukast. Toen de leukotrieenantagonist montelukast werd geregistreerd voor de behandeling van licht tot matig-ernstig astma waren nog geen gegevens bekend op harde eindpunten (prognose en behoud van longfunctie) (Gebu 2000; 34: 134-135). De werkzaamheid bleek geringer te zijn dan van inhalatiecorticosteroïden (Gebu 1998; 32: 135-141). Ons Duitse zusterblad Arznei-Telegramm maande dan ook tot terughoudendheid met het voorschrijven van dit geneesmiddel met een nieuw werkingsmechanisme.10 Toch groeide de afzet in Nederland sinds de introductie met gemiddeld 22.000 voorschriften per jaar tot 235.000 in 2010.11 In de Verenigde Staten (VS) was het in 2008 zelfs het meest verstrekte middel bij de behandeling van astma met bijna 26 miljoen voorschriften.12
In 2011 verscheen een meta-analyse in de Cochrane-bibliotheek waaruit bleek dat het risico op een exacerbatie groter was bij leukotrieenantagonisten dan bij langwerkende β-sympathicomimetica (LABA’s) als zij werden toegevoegd aan een bestaande behandeling met inhalatiecorticosteroïden (11 vs. 9%) (6 ond., 5.571 pat.).13 Het NNT om één exacerbatie te voorkomen gedurende 48 weken van LABA’s in vergelijking met leukotrieenantagonisten was 38. Beide behandelingen verschilden niet-significant wat betreft bijwerkingen.13 In 2009 kwamen er aanwijzingen uit Amerikaanse post-marketinggegevens dat leukotrieenantagonisten mogelijk waren geassocieerd met gedrags- en stemmingsstoornissen, suïcidaliteit en suïcide (Gebu 2009; 43: 32).

Tabel 1. Oude en nieuwe pilwaarderingen van geneesmiddelen die in 2000 zijn besproken in de prikbordrubriek ’Nieuwe geneesmiddelen’.

</left><div style="font-size:10px">* Thans niet meer onder deze naam in de handel. ** Geen pilwaardering toegekend.</div>

* Thans niet meer onder deze naam in de handel. ** Geen pilwaardering toegekend.

In de Standaard ’Astma bij volwassenen’ van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) wordt montelukast gepositioneerd als alternatief voor patiënten met persisterende lokale bijwerkingen door inhalatiecorticosteroïden, ondanks een geringere werkzaamheid.14 Montelukast is geen eerstekeuzemiddel voor patiënten met astma en krijgt als pilwaardering -.
Risedroninezuur. Risedroninezuur was na tiludroninezuur het tweede bisfosfonaat dat werd geregistreerd voor de behandeling van de ziekte van Paget (Gebu 2000; 34: 147-149). Ofschoon vergelijkend onderzoek met tiludroninezuur ontbrak en er weinig ervaring was met het middel, werd het middel met +/- gewaardeerd vanwege de lagere kosten en de kortere kuurduur (Gebu 2000; 34: 147-149). Een jaar later werd het middel ook geregistreerd voor de behandeling van osteoporose (Gebu 2001; 35: 10-11) (zie verderop). Na alendroninezuur is risedroninezuur het meest voorgeschreven bisfosfonaat.15 Thans is tiludroninezuur niet meer beschikbaar en is behalve risedroninezuur nu ook zoledroninezuur geregistreerd voor de behandeling van de ziekte van Paget. In een door de fabrikant van zoledroninezuur gefinancierd non-inferioriteitsonderzoek kwam zoledroninezuur gunstiger naar voren dan risedroninezuur, maar primair werd een surrogaatparameter voor de botafbraak onderzocht waarvan de klinische betekenis onbekend is.16 Meer onderzoek is nodig om een duidelijke plaatsbepaling op te kunnen maken en tot die tijd wordt de pilwaardering uit 2000 aangehouden: +/-.

 


Terug naar boven

Vier van de 15 in 2001 besproken nieuwe geneesmiddelen zijn niet meer beschikbaar. Amprenavir (Gebu 2001; 35: 43-44) werd van de markt gehaald om commerciële redenen.17 Becaplermine, een gel ter behandeling van chronische diabetische neuropathische ulcera (Gebu 2001; 35: 8-9), werd in 2011 uit de handel genomen vanwege de geringe vraag naar het product,18 en kreeg eerder in de VS een ’black-box-warning’ vanwege een verhoogd risico op maligniteiten.19 Estradiolneusspray (Gebu 2001; 35: 89-90) is wel geregistreerd, maar wordt door de firma Servier niet meer in Nederland geleverd. Van rosiglitazon (Gebu 2001; 35: 31-33), waarvan aanvankelijk werd geclaimd dat het het cardiovasculaire risico bij patiënten met diabetes mellitus zou verlagen, werd de indicatie telkens verder ingeperkt en is handelsvergunning uiteindelijk geschorst vanwege een verhoogd risico op myocardinfarct (Gebu 2010; 44: 132).
Analgetica. In 2001 kwamen de NSAID’s dexketoprofen (Gebu 2001; 35: 78-79) en dexibuprofen (Gebu 2001; 35: 126-127), de cyclo-oxygenase (COX)-2-remmer celecoxib (Gebu 2001; 35: 44-45) en het opioïde analgeticum oxycodon (Gebu 2001; 35: 53-54) op de markt. De twee eerstgenoemde middelen waren zogenaamd innovatieve geneesmiddelen, beide een linksdraaiend enantiomeer (moleculair spiegelbeeld) van respectievelijk het racemisch mengsel ketoprofen en ibuprofen, die geen voordelen hadden boven de reeds beschikbare en goedkopere NSAID’s. Beide NSAID’s zijn nu nog steeds geneesmiddelen zonder toegevoegde waarde: -.
Bij de introductie van COX-2-remmers waren al aanwijzingen beschikbaar over de cardiovasculaire risico’s en veel patiënten zijn overleden door het gebruik van deze middelen. Rofecoxib (Gebu 2005; 39: 1-5) en valdecoxib (Gebu 2005; 39: 121-129) zijn om die reden van de markt gehaald. Ook van celecoxib zijn duidelijke aanwijzingen dat het middel het cardiovasculaire risico verhoogt (Gebu 2005; 39: 121-129). Celecoxib werd initieel geregistreerd voor de symptomatische behandeling van artrose en reumatoïde artritis (Gebu 2001; 35: 44-45). Later kwam celecoxib onder de merknaam Onsenal® beschikbaar voor de reductie van het aantal adenomateuze intestinale poliepen bij familiaire adenomateuze polypose. Deze handelsvergunning is recent doorgehaald vanwege een ongunstige balans van werkzaamheid en bijwerkingen (Gebu 2011; 45: 107). COX-2-remmers zijn niet werkzamer dan de niet-selectieve NSAID’s. Celecoxib moet daarom worden beschouwd als een geneesmiddel met extra risico’s dat niets toevoegt aan de behandelmogelijkheden (rode kaart). Ons Franse zusterblad La Revue Prescrire adviseerde al in 2005 om het middel niet voor te schrijven.20
In Gebu 2001; 35: 53-54 werd aangegeven dat oxycodon met gereguleerde afgifte geen voordelen had boven morfine met gereguleerde afgifte, maar dat bij onvoldoende effect van de laatstgenoemde oxycodon kon worden toegepast (opiaatrotatie). Thans wordt oxycodon veel vaker gebruikt dan morfine (ca. 125.000 vs. 65.000 gebruikers in 2011).15 In La Revue Prescrire werd oxycodon, een synthetische afgeleide van morfine, geen waardevolle vernieuwing genoemd.21 Oxycodon is niet werkzamer of veiliger en heeft dus geen therapeutisch voordeel, het geeft artsen alleen meer keuzemogelijkheden: +/-.
Anticonceptiva. Ethinylestradiol/drospirenon was in 2001 het eerste anticonceptivum dat het progestageen drospirenon bevatte (Gebu 2001; 35: 90-91). Bij de introductie was onduidelijk hoe de anticonceptieve werkzaamheid zich verhield met die van het anticonceptivum van eerste keuze ethinylestradiol/levonorgestrel en wat het risico was op veneuze trombo-embolie (Gebu 2001; 35: 90-91). Anno 2013 is bekend dat het tromboserisico van drospirenonbevattende anticonceptiva is verhoogd (Gebu 2009; 43: 105-106 en Gebu 2011; 45: 81-82). Enkele zusterbladen geven aan dat in de praktijk dient te worden gekozen voor anticonceptiva met levonorgestrel en dat ethinylestradiol/drospirenon niet moet worden verstrekt.22 23 Het Geneesmiddelenbulletin ondersteunt dit advies en beschouwt deze pil als een geneesmiddel met extra risico’s dat niets toevoegt aan de behandelmogelijkheden, een rode kaart.
Desloratadine. Merck Sharp and Dohme registreerde in 2001 het niet-sederende antihistaminicum desloratadine, de metaboliet van het eerder uit patent geraakte loratadine. Dit werd niet als aanwinst beschouwd (Gebu 2001; 35: 138-139) en La Revue Prescrire bestempelde het middel als een commerciële vernieuwing.24 Al snel werd een toename in het gebruik van dit middel waargenomen ten koste van loratadine, mogelijk omdat desloratadine wel wordt vergoed en loratadine alleen bij chronisch gebruik.25 Met bijna 600.000 gebruikers in 2011 is desloratadine het meest gebruikte antihistaminicum.25 Er zijn sinds 2001 geen aanwijzingen uit gerandomiseerd onderzoek beschikbaar gekomen die tonen dat desloratadine werkzamer is of beter wordt verdragen dan andere antihistaminica. Daarom blijft de pilwaardering onveranderd: -.
Estradiol/dydrogesteron. Estradiol/dydrogesteron werd in 2001 geregistreerd als hormonale suppletietherapie (HST) voor de behandeling van menopauzale klachten bij vrouwen met een baarmoeder en ter preventie van postmenopauzale osteoporose bij vrouwen met een baarmoeder die een verhoogde kans op botbreuken hebben (Gebu 2001; 35: 66-67). Destijds werd vastgesteld dat het middel voor beide indicaties geen aangetoonde voordelen (werkzamer en/of minder bijwerkingen) had in vergelijking met respectievelijk de beschikbare combinatiepreparaten van een oestrogeen en een progestageen, en bisfosfonaten (Gebu 2001; 35: 66-67). Kort daarna werd bekend dat HST onder meer is geassocieerd met een verhoogd risico op borstkanker (Gebu 2003; 37: 110-111). Voor de preventie van postmenopauzale osteoporose blijven bisfosfonaten de eerstekeuzemiddelen (Gebu 2007; 41: 25-33). De balans van werkzaamheid van estradiol/dydrogesteron is derhalve negatief: -.
Levetiracetam. Levetiracetam kwam in 2001 beschikbaar voor de toegevoegde behandeling van partiële aanvallen met of zonder secundaire generalisatie bij volwassenen met epilepsie. Er waren toen nog geen vergelijkende onderzoeken met andere anti-epileptica verricht. Vanwege lichte bijwerkingen en het ontbreken van interacties kreeg het middel de waardering +/- (Gebu 2001; 35: 115-116). Kort daarna werd vastgesteld dat de langetermijnwerkzaamheid onbekend was, dat het middel mogelijk psychosen kan veroorzaken en dat het om die redenen een tweedekeuzemiddel is (Gebu 2003; 37: 47-56). De European Medicines Agency (EMA) concludeerde dat het gebruik van anti-epileptica, waaronder levetiracetam, een gering verhoogd risico op suïcidaal gedrag en suïcidale gedachten kan geven (Gebu 2009; 43: 1-9).
Uit de resultaten van een recent gepubliceerde meta-analyse in de Cochrane-bibliotheek (11 ond., 1.861 pat. (vnl. volwassenen)) bleek dat levetiracetam als toevoeging aan een bestaande behandeling partiële aanvallen verminderde in vergelijking met placebo.26 Het risico op gedragsveranderingen bij kinderen was verhoogd.26 Inmiddels is levetiracetam ook geregistreerd voor de behandeling van myoclone aanvallen en primair gegeneraliseerde tonisch-clonische aanvallen, ook bij (jonge) kinderen (2006; 40: 39-40).27 Voor de laatstgenoemde indicatie-uitbreiding concludeerde La Revue Prescrire in 2008 dat, mede door het ontbreken van vergelijkende onderzoeken, er geen reden was om levetiracetam te verkiezen boven andere reeds voor tonisch-clonische aanvallen geregistreerde anti-epileptica.28
Nog steeds ontbreken vergelijkende onderzoeken en kan op basis van het bovenstaande worden geconcludeerd dat levetiracetam slechts een uitbreiding is van de behandelopties als toegevoegde therapie, maar geen werkzamer alternatief. Bovendien dienen zorgverleners en patiënten bedacht te zijn op bijwerkingen, zoals gedragsveranderingen, psychosen of in ernstiger gevallen suïcidaal gedrag: +/-.
Risedroninezuur. In 2007 werd aangegeven dat de werkzaamheid van alendroninezuur en risedroninezuur bij de behandeling van osteoporose het beste was aangetoond en dat deze bisfosfonaten eerstekeuzemiddelen zijn (Gebu 2007; 41: 25-33). Ook in de NHG-Standaard ’Osteoporose’ zijn dit de eerstekeuzemiddelen (Gebu 2006; 40: 50-51).29 Ons Canadese zusterblad Therapeutics Initiative publiceerde in 2012 een meta-analyse (33 ond., >25.000 pat., 13.163 pat. met risedroninezuur) waarin de balans van werkzaamheid en veiligheid bij de primaire en secundaire preventie van fracturen bij postmenopauzale vrouwen opnieuw werd opgemaakt.33 Alleen als secundaire preventie bleken bisfosfonaten op de korte termijn werkzaam en verminderden ze heupfracturen (NNT=100 ged. 2,9 jr.) en polsfracturen (NNT=77 ged. 3 jr.), en dit werd als een klein effect bestempeld.30 Daartegenover staat een gering verhoogd risico op atypische femurfracturen (Gebu 2010; 44: 104-106). Eén van onze Spaanse zusterbladen Drugs and Therapeutics Bulletin of Navarre stelt daarom dat de balans van werkzaamheid en bijwerkingen van bisfosfonaten, die zijn bedoeld om fracturen te voorkomen maar ook fracturen blijken te veroorzaken, mogelijk zelfs ongunstig is.31 Voorts zijn de gegevens over de associatie met oesofaguscarcinoom tegenstrijdig (Gebu 2011; 45: 44-45). Vooralsnog blijft de beoordeling van risedroninezuur, ook vanwege de toepassing bij de ziekte van Paget, +/-.
Zofenopril. Zofenopril was in 2001 de zoveelste ’angiotensine converting enzyme’ (ACE)-remmer die op de markt kwam. Vanwege het ontbreken van vergelijkend onderzoek van enige omvang en het ontbreken van gegevens op harde eindpunten werd het middel beoordeeld met een - (Gebu 2001; 35: 103-104). Thans zijn geen nieuwe onderzoeksgegevens beschikbaar gekomen die de plaatsbepaling van deze gepatenteerde en dure ACE-remmer doen veranderen.
Sevelameer. In Gebu 2001; 35: 55-56 werd aangegeven dat sevelameer een plaats had in de behandeling van hyperfosfatemie bij patiënten die hemodialyse ondergaan (+/-). Er waren op dat moment nog geen gegevens op klinische eindpunten bekend. In een recent gepubliceerde meta-analyse in de Cochrane-bibliotheek bleek dat sevelameer de mortaliteit niet-significant verlaagde in vergelijking met calciumbevattende fosfaatbinders (10 ond., 3.079 pat.) maar het relatieve risico (RR) op gastro-intestinale bijwerkingen significant verhoogde: 1,6 (95%BI=1,1-2,3) (5 ond., 498 pat.).32 In september 2007 waarschuwde de FDA voor intestinale obstructie en ileus.33 Onder de merknaam Renvela® is ook een andere zoutvorm van sevelameer op de markt gekomen, maar dit werd in La Revue Prescrire als een commerciële vernieuwing (dezelfde balans van werkzaamheid en bijwerkingen) afgedaan.34 Ofschoon sevelameer niet werkzamer is maar meer bijwerkingen geeft dan calciumbevattende fosfaatbinders, biedt het artsen een extra keuzemogelijkheid: +/-.

Tabel 2. Oude en nieuwe pilwaarderingen van geneesmiddelen die in 2001 zijn besproken in de prikbordrubriek ’Nieuwe geneesmiddelen’.

</left><div style="font-size:10px">* Thans niet meer in de handel. ** Geen pilwaardering toegekend.</div>

* Thans niet meer in de handel. ** Geen pilwaardering toegekend.

Tabel 3. Overige stof- en merknamen.


 

Plaatsbepaling

Ruim tien jaar na een eerste pilwaardering is gebleken dat in geen enkel geval de waardering positiever is en in vier gevallen zelfs negatiever. Enkele middelen die in 2000 en 2001 op de markt kwamen, zijn inmiddels uit de handel genomen. Hier lagen soms economische motieven aan ten grondslag en in het geval van rosiglitazon een verhoogd cardiovasculair risico. Rosiglitazon zou, als het nog beschikbaar zou zijn, met een rode kaart moeten worden beoordeeld. Ook celecoxib en ethinylestradiol/drospirenon moeten worden beschouwd als middelen met extra risico’s die niets toevoegen aan de behandelmogelijkheden.
Veel van de hier besproken geneesmiddelen zijn me too’s, hebben geen therapeutische toegevoegde waarde (niet werkzamer of minder bijwerkingen) en zijn niet meer dan een commerciële innovatie (bv. desloratadine). Enkele geneesmiddelen vormden daarentegen wel een uitbreiding van het therapeutische arsenaal (bv. apomorfine, levetiracetam).
Dit overzicht onderstreept het belang van een terughoudende attitude ten aanzien van het voorschrijven van nieuwe geneesmiddelen. In de jaren na de introductie van een geneesmiddel kunnen nieuwe gegevens over, soms ook zeer ernstige, bijwerkingen aan het licht komen. Derhalve dienen artsen de voorkeur te geven aan geneesmiddelen waarvan de werkzaamheid is aangetoond op de lange termijn, bij voorkeur op harde eindpunten, en waarvan de langetermijnbijwerkingen bekend zijn

Terug naar boven

Trefwoorden: nieuwe geneesmiddelen 2000 en 2001, terugblik, nieuwe pilwaarderingen



1. Anoniem. Brinzolamide collyre – Azopt®. 2ème inhibiteur de l’anhydrase carbonique pour le glaucome chronique : pas de progrès . Rev Prescrire 2001; 21: 729-733.
2. Valk R van der, Webers CA, Schouten JS, Zeegers MP, Hendrikse F, Prins MH. Intraocular pressure-lowering effects of all commonly used glaucoma drugs: a meta-analysis of randomized clinical trials. Ophthalmology 2005; 112: 1177-1185.
3. Cheng JW, Cai JP, Wei RL. Meta-analysis of medical intervention for normal tension glaucoma. Ophthalmology 2009; 116: 1243-1249.
4. Yan J, Chen SL, Wang HN, Wu TX. Meta-analysis of 5% imiquimod and 0.5% podophyllotoxin in the treatment of condylomata acuminata. Dermatology 2006; 213: 218-223.
5. Anoniem. Imiquimod – Aldara®. Carcinome basocellulaire : moins bien que d'autres traitements. Rev Prescrire 2006; 26: 173-1─173-3.
6. Productinformatie imiquimod (Aldara®), via www.cbg-meb.nl, Geneesmiddeleninformatiebank.
7. Hadley G, Derry S, Moore RA. Imiquimod for actinic keratosis: systematic review and meta-analysis. J Invest Dermatol 2006; 126: 1251-1255.
8. Anoniem. Imiquimod: atteintes hépatiques. Rev Prescrire 2009; 29: 22.
9. Anoniem. Capillary-Leak-Syndrom unter imiquimod (ALDARA Creme). Arznei-Telegramm 2004; 35: 16.
10. Anoniem. Leukotrien-antagonist montelukast (singulair) gegen asthma. Arznei-Telegramm 1998; 5: 46-47.
11. Tiotropium winnaar in stabiele groeimarkt [document op het internet]. Stichting Farmaceutische Kengetallen (SFK). Via: http://www.sfk.nl/nieuws-publicaties/PW/2011/2011-18.html.
12. FDA requires warnings about serious mental and other side effects with certain asthma drugs [document op het internet, artikel augustus 2009]. Worst Pills Best Pills Newsletter. Via: http://worstpills.org/member/newsletter.cfm?n_id=653.
13. Ducharme FM, Lasserson TJ, Cates CJ. Addition to inhaled corticosteroids of long-acting beta2-agonists versus anti-leukotrienes for chronic asthma. Cochrane Database Syst Rev 2011: CD003137.
14. Geijer RMM, Chavannes NH, Muris JWM, Sachs APE, Schermer T, Smeele IJM, et al. NHG-Standaard ’Astma bij volwassenen’. Huisarts Wet 2007; 50: 537-551.
15. GIPdatabank [internet]. College voor zorgverzekeringen (CVZ). Via: http://www.gipdatabank.nl.
16. Reid IR, Miller P, Lyles K, Fraser W, Brown JP, Saidi Y, et al. Comparison of a single infusion of zoledronic acid with risedronate for Paget’s disease. N Engl J Med 2005; 353: 898-908.
17. Agenerase (amprenavir). Withdrawal of the marketing authorisation in the European Union [document op het internet]. European Medicines Agency (EMA). Via: http://www.ema.europa.eu/docs/en_GB/document_library/Public_statement/2011/06/WC500107823.pdf.
18. Brief van Janssen-Cilag van 5 augustus 2011 over Regranex® 0,01% gel (becaplermin) [document op het internet]. College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG). Via: http://www.cbg-meb.nl/NR/rdonlyres/63EB897F-C2F1-4980-9969-25DE76A81D40/0/DHPCRegranex.pdf.
19. Regranex (becaplermin) Gel [document op het internet]. U.S. Food and Drug Administration (FDA). Via: http://www.fda.gov/Safety/MedWatch/SafetyInformation/SafetyAlertsforHumanMedicalProducts/ucm094968.htm.
20.
Anoniem. Le célécoxib encore sur le marché : au profit de qui? Rev Prescrire 2005; 25: 512-513.
21. Anoniem. Oxycodone par voie orale-pas d’advantage sur la morphine orale. Rev Prescrire 2002; 22: 649-651.
22. Anoniem. Drospirénone : thromboses veineuses (suite). Rev Prescrire 2011; 31: 827.
23. Anoniem. Thromboembolierisiko drospirenon-haltiger krontazeptiva (Yasmin u.a.). Arznei-Telegramm 2009; 40: 100.
24. Anoniem. Desloratadine – Aerius®. Me too, juste un métabolite actif de la loratadine. Rev Prescrire 2002; 22: 335-336.
25. Om van de huilen [document op het internet]. Stichting Farmaceutische Kengetallen (SFK). Via: http://www.sfk.nl/nieuws-publicaties/PW/2003/2003-37.htm.
26. Mbizvo GK, Dixon P, Hutton JL, Marson AG. Levetiracetam add-on for drug-resistant focal epilepsy: an updated Cochrane Review. Cochrane Database Syst Rev 2012: CD001901.
27. Productinformatie levetiracetam (Keppra®). Via: www.ema.europa.eu, EPAR’s.
28. Anoniem. Lévétiracétam – Keppra®. Crises tonico-cloniques : une autre option en 2e ligne. Rev Prescrire 2008; 28: 90.
29. Elders PJM, Leusink GL, Graafmans WC, Bolhuis AP, Spoel OP van der, Keimpema JC van, et al. NHG-Standaard ’Osteoporose’. Huisarts Wet 2005; 48: 559-570.
30. Anoniem. A systematic review of the efficacy of bisphosphonates. Therapeutics Letter 2012; 80: 83-84.
31. Lopéz JE. Bisphosphonates: do they prevent or cause bone fractures. Drugs and Therapeutics Bulletin of Navarre 2009; 17: 65-75.
32. Navaneethan SD, Palmer SC, Vecchio M, Craig JC, Elder GJ, Strippoli GF. Phosphate binders for preventing and treating bone disease in chronic kidney disease patients. Cochrane Database Syst Rev 2011: CD006023.
33. Anoniem. Sévélamer : constipation et occlusion. Rev Prescrire 2008; 28: 107.
34. Anoniem. Carbonate de sévélamer – Renvela®. Pas mieux que le chlorhydrate de sévélamer. Rev Prescrire 2010; 30: 99-100.

Auteurs

  • dr D. Bijl, drs K.R. van Deventer