Sint-Janskruid (diverse merken), bij depressieve gevoelens

Sint-Janskruid
Diverse merken
Dragees 300 µg hypericine
bij depressieve gevoelens

In Duitsland worden middelen op plantaardige basis veel gebruikt. Een voorbeeld is het extract van Hypericum perforatum (Sint Janskruid) dat daar is geregistreerd voor de behandeling van angst, depressie en slaapstoornissen. In ons land is het kruid niet als geneesmiddel geregistreerd, maar wel vrij verkrijgbaar onder meer in de vorm van dragees met 300 µg hypericine. Een fabrikant ervan claimt dat de driemaal daagse toepassing ervan na ongeveer 2-3 weken zorgt voor 'een fleurig en zonnig gevoel' en 'geestelijke veerkracht', dat het 'helpt problemen te verlichten' en geschikt is 'bij innerlijke onrust'. Uit sommige onderzoeken komen aanwijzingen dat hypericine, net zoals de xanthonen en de flavonen, een met de MAO-remmers vergelijkbare werking zou hebben, maar door andere is dit niet bevestigd.
Over het effect van hypericine bij depressie zijn vele onderzoeken gepubliceerd. Recent vatte een meta-analyse de resultaten samen van 16 gerandomiseerde onderzoeken bij patiënten met lichte tot matig ernstige depressieve symptomen.1 Dertien van de onderzoeken vergeleken hypericine (0,5-2,7 mg/dag) met placebo en drie met antidepressiva, namelijk maprotiline 75 mg/dag, imipramine 75 mg/dag en amitriptyline 30 mg/dag. Samengevat reageerden met hypericine significant meer patiënten positief (55%) dan met placebo (22%). Negen onderzoeken verschaften gegevens over de score op de Hamilton-depressieschaal. Deze verbeterde met hypericine gemiddeld 4,4 punten [95%BI=3,5-5,5] meer dan met placebo. Met hypericine reageerden evenveel patiënten (64%) positief als met de drie antidepressiva (59%) en de verbetering op de Hamilton-depressieschaal was vergelijkbaar. Bijwerkingen kwamen met hypericine significant minder vaak voor (19%) dan met de antidepressiva (36%).
Er zijn enkele problemen bij de interpretatie van de resultaten van deze meta-analyse. De methodologische kwaliteit van de afzonderlijke onderzoeken was volgens de auteurs redelijk tot goed, maar volgens anderen variabel.2 Bij de meeste onderzoeken ontbrak een precieze diagnostische classificatie volgens de DSM-criteria. Slechts één onderzoek had betrekking op een homogene groep patiënten met een lichte tot matige depressie, terwijl geen enkel zich bezig hield met patiënten met een ernstige depresssie. De onderzoeken duurden relatief kort, namelijk doorgaans 4-8 weken, en de antidepressiva waarmee werd vergeleken waren in twee onderzoeken 25% lager en in één zelfs 60% lager gedoseerd dan gebruikelijk. Opmerkelijk was verder dat de placeboreactie in sommige onderzoeken aanzienlijk, maar in andere marginaal was.
Bij dieren is fototoxiciteit vastgesteld na de inname van doseringen hypericine die 30-50 keer hoger waren dan de therapeutische. Ondanks wijdverbreid gebruik in Duitsland zijn tot nu toe geen ernstige bijwerkingen, interacties of gevallen van toxiciteit bij overdosering gemeld. Uit een open onderzoek bij 3.250 patiënten kwamen gastro-intestinale klachten (0,6%), allergische reacties (0,5%) en vermoeidheid (0,4%) als meest voorkomende bijwerkingen naar voren.3 Informatie over mogelijke bijwerkingen bij langdurig gebruik ontbreekt echter nog. Omdat het middel een MAO-remmende werking zou hebben, wordt wel gewaarschuwd voor een interactie met producten die tyramine bevatten.

Plaatsbepaling

Er zijn aanwijzingen dat hypericine, afkomstig uit Sint Janskruid, in vergelijking tot placebo een positief effect kan hebben op depressieve symptomen. Op de methodologie van de onderzoeken valt echter het nodige aan te merken. Langer durende, goed opgezette en vergelijkende onderzoeken met antidepressiva in gebruikelijke doseringen bij homogene patiëntengroepen zullen duidelijk moeten maken hoe sterk dit effect precies is. De bijwerkingen bij kortdurend gebruik zijn tot nu toe gering gebleken en gevallen van toxiciteit bij overdosering zijn niet gemeld.



1. Linde K et al. BMJ 1996; 313: 253-258.
2. De Smet PAGM et al. BMJ 1996; 313: 241-242.
3. Woelk H et al. Geriatr Psychiatry Neurol 1994; 7 (suppl. 1): S34-38.