Risicofactoren voor mortaliteit onder ibopaminegebruikers

Op 31 augustus 1995 werd de indicatie van de orale dopamine-agonist ibopamine (Inopamil®) beperkt tot licht hartfalen (NYHA-klasse II) (Gebu 1995; 29: 110). In een tussentijdse analyse van het PRIME II-onderzoek werd ten opzichte van de placebogroep een toegenomen sterfte vastgesteld bij patiënten met ernstig hartfalen (NYHA IV). Bij patiënten met matig-ernstig hartfalen (NYHA III) werd geen significant effect van ibopamine op de mortaliteit gevonden. Uit de eindanalyse van PRIME II bleek dat er een interactie bestaat tussen ibopamine en amiodaron. De patiënten die deze combinatie niet kregen (1.447 van 1.906) hadden geen significant verhoogd risico van voortijdig overlijden. In aansluiting hierop startte de Sectie Geneesmiddelenbewaking van de Inspectie voor de Gezondheidszorg een onderzoek naar de omvang van het gebruik van ibopamine in Nederland en naar risicofactoren voor mortaliteit.
Alle 2.147 apotheekhoudenden (openbare apothekers en apotheekhoudende huisartsen) kregen het verzoek om het geslacht en de geboortedatum van (voormalige) gebruikers van ibopamine te verstrekken. Daarna ontvingen 631 apotheekhoudende huisartsen voor alle gebruikers in hun praktijk (1.581) een vragenlijst. Hierin werd onder meer gevraagd naar de huidige NYHA-klasse, de comorbiditeit, de duur van het ibopaminegebruik en het klinische effect daarvan. Wanneer bleek dat de patiënt was overleden, werd tevens naar de datum en de oorzaak van het overlijden gevraagd. Van de overige patiënten, die ibopamine verstrekt kregen via de apotheek, werd een steekproef genomen van eveneens 1.581 patiënten. De apotheker werd verzocht de vragenlijst door te sturen naar de huisarts en van iedere patiënt een medicatiehistorie te reproduceren.
Het reactiepercentage onder de apotheekhoudenden was 92%. Op basis van de verzamelde gegevens kregen in ons land naar schatting 15.000 patiënten ibopamine voorgeschreven. Onder allen van wie zowel een vragenlijst als een medicatiehistorie aanwezig waren, werd een voorlopige analyse verricht via een patiënt-controle-onderzoek. Een 'patiënt' werd gedefinieerd als een lid van het cohort die was overleden en te eniger tijd ibopamine had gebruikt. Een controle werd op toevalsbasis gekozen uit de deelnemers die op dat moment nog in leven waren.
Bij een univariante analyse kwamen vier significante risicofactoren voor sterfte naar voren: ernstig hartfalen (RR=3,4 [95% BI: 1,2-10,9]), angina pectoris (RR=1,7 [95% BI: 1,1-2,9]), serumcreatinine > 163 µmol/l (RR=3,1 [95% BI: 1,4-7,2]) en het gebruik van amiodaron (RR=2,3 [95% BI: 1,01-5,5]). Bij een multivariante analyse bleken er twee significante, onafhankelijke risicofactoren voor sterfte te zijn: ernstig hartfalen (RR=1,6 [95% BI: 1,1-2,9]) en een verhoogd serumcreatinine (RR=1,6 [95% BI: 1,2-2,2]). In de multivariante analyse viel de significantie van de gecombineerde risicofactor ibopamine en amiodaron weg. 
Dankzij de grote bereidheid van apotheekhoudenden om mee te werken, werd een goed beeld verkregen van het ibopaminegebruik in ons land. Verdere analysen zullen moeten aangeven of er, naast ernstig hartfalen en een verhoogd creatininegehalte, nog andere risicofactoren invloed hebben op de sterfte onder ibopaminegebruikers.