Rimexolon (Vexol®), corticosteroïde

In deze rubriek worden nieuwe geneesmiddelen besproken, kort nadat ze in de handel zijn gebracht. Van sommige producten kan de plaatsbepaling slechts voorlopig zijn omdat nog relatief weinig bekend is over de veiligheid en effectiviteit. Toch menen we dat een vroeg commentaar van belang kan zijn voor de praktijk. Wanneer na verloop van tijd nieuwe gegevens daartoe aanleiding geven komen we op de eerste bespreking terug.
De prijzen zijn berekend aan de hand van de KNMP-taxe van mei 1999, inkoopprijzen excl. BTW, tenzij anders aangegeven.

Rimexolon
Vexol® (Alcon Nederland BV)
Oogdruppels 10 mg/ml; conserveermiddel: benzalkoniumchloride

corticosteroïde

Na hydrocortison, prednisolon, dexamethason, fluormetholon en medryson is rimexolon als zesde oogdruppel met een corticosteroïde in de handel gebracht. De suspensie is geregistreerd voor de behandeling van niet-infectieuze ontstekingsverschijnselen die reageren op corticosteroïden of zijn ontstaan na een oogoperatie. Rimexolon wordt systemisch geabsorbeerd.
Er zijn drie gerandomiseerde, dubbelblinde onderzoeken naar de effectiviteit van rimexolon gepubliceerd.1-3 In twee daarvan werd gedurende twee weken de werkzaamheid van 4 dd rimexolon 1% in het onderdrukken van de ontstekingsreactie na een cataractextractie ten opzichte van placebo vastgesteld.1 2 Het derde onderzoek bij patiënten met uveïtis betrof een vergelijking van rimexolon 1% met prednisolon 1% gedurende vier weken.3 Er werden twee deelonderzoeken uitgevoerd in verschillende centra (n=183 en n=93). De resultaten hiervan werden tevens apart geanalyseerd. Beide behandelingen bleken in deze twee onderzoeken globaal even effectief in het onderdrukken van de symptomen van de uveïtis. Uit één onderzoek bleek dat rimexolon op de laatste dag de opflikkeringen van de ontsteking significant minder goed onder controle bracht. In absolute zin was het verschil overigens niet groot. De bijwerkingen waren eveneens vergelijkbaar, hoewel rimexolon in beide onderzoeken op dag 14 de intraoculaire druk statistisch significant minder sterk verhoogde dan prednisolon. Het gevonden verschil was echter gering (gem. 2,1 mm Hg) en op dag 21 en 28 was hiervan reeds geen sprake meer, zodat het niet klinisch relevant lijkt.3
De meest gerapporteerde bijwerkingen zijn: wazig zien, afscheiding, branden en prikken, pijn in het oog, een corpus-alienumgevoel en een verhoogde intraoculaire druk. Dit laatste aspect werd gedurende zes weken nader geanalyseerd in een dubbelblind, gerandomiseerd vergelijkend onderzoek bij 40 gezonde vrijwilligers.4 Rimexolon 1% bleek significant minder snel aanleiding te geven tot een verhoging van de intraoculaire druk dan dexamethason 0,1% of prednisolon 1,0%. Ten opzichte van fluormetholon 0,1% werd echter geen verschil vastgesteld.4 Voorts is het de vraag wat de verschillen zouden zijn geweest bij patiënten met ontstekingsverschijnselen en nadat de therapeutische equivalentie van de doseringen zou zijn vastgesteld. Niet minder belangrijk is het om de middelen te vergelijken wat betreft hun neiging om cataract te veroorzaken en virale en bacteriële infecties te potentiëren.
Voor rimexolon gelden de van andere corticosteroïden bekende contra-indicaties en interacties. Er zijn onvoldoende gegevens om de mogelijke schadelijkheid tijdens de zwangerschap te beoordelen, maar bij systemische toepassing in dierproeven is het middel, evenals andere corticosteroïden, schadelijk gebleken. Het is onbekend of rimexolon in de moedermelk overgaat.

Plaatsbepaling

Rimexolonoogdruppels blijken, wat effectiviteit en bijwerkingen betreft, ongeveer vergelijkbaar met prednisolon. Bij de meeste niet-infectieuze ontstekingsreacties van het oog kan men volstaan met prednisolon. Bij onvoldoende werkzaamheid, kan men overgaan op het sterker werkende dexamethason. Rimexolon behoort voorlopig tot de reservemiddelen, waarmee minder ervaring bestaat.




1. Assil KK et al. J Cataract Refract Surg 1997; 23: 750-757.
2. Bron A et al. Eur J Ophthalmol 1998; 8: 16-21.
3. Foster CS et al. Am J Ophthalmol 1996; 122: 171-182.
4. Leibowitz HM et al. Arch Ophthalmol 1996; 114: 933-937.