Richtlijnen farmaco-economisch onderzoek

In 1997 heeft de Raad voor Volksgezondheid en Zorg aanbevolen om farmaco-economisch onderzoek te gebruiken voor de besluitvorming rond de vergoeding van geneesmiddelen.1 Dit ligt in het verlengde van de eerder door de Ziekenfondsraad voorgestelde criteria.2 Op verzoek van het Ministerie van VWS heeft de Ziekenfondsraad nu richtlijnen voor dit type onderzoek ontwikkeld.3 Hierin worden de eisen beschreven waaraan zo'n onderzoek moet voldoen om te kunnen worden gebruikt voor de beslissing over de opname van een nieuw geneesmiddel in het pakket voor ziekenfondsverzekerden.
Op dit moment wordt er in Canada en Australiƫ reeds gebruik gemaakt van dergelijke richtlijnen en spelen farmaco-economische onderzoeken een belangrijke rol bij de waardebepaling en vergoeding van nieuwe geneesmiddelen. In Europa is ons land een van de eerste waar de resultaten als beleidsinstrument zullen worden gebruikt. Hoe dit precies zal gebeuren is overigens nog niet vastgesteld.
De ontwikkeling en invoering van de richtlijnen sluiten aan bij twee beheersmatige aspecten rond geneesmiddelen. Ten eerste kunnen de onderzoeken worden gebruikt bij beslissingen over de samenstelling van het verzekerde geneesmiddelenpakket en ten tweede bij de bevordering van een rationeel geneesmiddelengebruik. Daarnaast is nu al te zien dat ze binnen de farmaceutische industrie een rol spelen bij beslissingen in het ontwikkelingstraject en de prijsstelling van geneesmiddelen.
Het (toekomstige) gebruik van farmaco-economische onderzoeken kan een aantal problemen bij de besluitvorming in het geneesmiddelenbeleid inzichtelijker maken. Het kan echter ook een aantal spanningen veroorzaken.
Het huidige beleid is gericht op het beheersbaar maken van de kosten van geneesmiddelen. In farmaco-economische onderzoeken moet het vergelijkingsmateriaal voor een nieuw geneesmiddel bij een bepaalde indicatie de standaardtherapie zijn, en dat kan ook een niet-farmacotherapeutische interventie zijn. Dit heeft directe consequenties voor de financiering van de zorg ('ontschottingsproblematiek'), maar op termijn ook voor het gekozen uitgangspunt in het beleid. Het is de vraag of de behandeling (technologie) of de indicatie ('diseasemanagement') centraal dient te staan.
De resultaten van dit onderzoek zullen zeer waarschijnlijk geschikt zijn om keuzen tussen vergelijkbare geneesmiddelen te maken. Veel moeilijker is naar verwachting de beoordeling van nieuwe geneesmiddelen bestemd voor ziekten waar nog geen therapie voor is. In die gevallen is het onwaarschijnlijk dat er harde uitspraken zullen worden gedaan ten aanzien van de minimale effecten die een behandeling moet hebben, of de maximale kosten die acceptabel zijn. De resultaten van deze type onderzoeken kunnen dan dienen om een redelijke schatting te maken van de toekomstige kosten voor een nieuwe behandeling, en dus een betere begroting.
Terugkoppeling van onderzoeksresultaten naar de voorschrijvers is van belang en kan op verschillende manieren plaatsvinden. Het kostenbewustzijn bij voorschrijvers is een van de factoren die een rol kan spelen bij het kiezen van een therapie. Daarnaast, en waarschijnlijk belangrijker, bieden farmaco-economische onderzoeken een bredere kijk op de ziekte- en behandellast enerzijds en de effecten van de behandeling voor de patiƫnt anderzijds.

Farmaco-economische onderzoeken kunnen mogelijk op den duur bijdragen aan een genuanceerdere afweging rond het wel of niet toepassen van een behandeling. Ze kunnen alle betrokken partijen stimuleren beter zichtbaar te maken wat het effect is van een behandeling en hoe het vergoedingsbeleid tot stand komt.



1. Raad voor Volksgezondheid & Zorg. Waardebepaling geneesmiddelen als beleidsinstrument. Zoetermeer, RVZ, Rapport 97/03, 1997.
2. Ziekenfondsraad. Opname nieuwe geneesmiddelen in het pakket. ZFR , rapportnummer 746, 1997.
3. Ziekenfondsraad. Richtlijnen voor farmaco-economisch onderzoek. Amstelveen: ZFR, 1999.
Deze tekst is ontleend aan: Buurma H, de Jong-van den Berg LTW, Leufkens HGM. Het geneesmiddel. Tweede editie. Maarssen: Elsevier/Bunge, 1999, in druk.