Refractieafwijkingen door geneesmiddelen


Dit artikel is een vertaling en bewerking door drs S.C. Walland, onder medeverantwoordelijkheid van de redactiecommissie, van Drug-induced myopia, hyperopia and accommodation disorders dat verscheen in ons Franse zusterblad Préscrire Internat 2010; 19: 116-119.

Myopie, hypermetropie en accommodatiestoornissen zijn veel voorkomende afwijkingen van het brekende systeem van het oog ofwel refractieafwijkingen. Ze zijn meestal het gevolg van variatie in afmetingen van oogstructuren of van veroudering. Soms worden deze afwijkingen veroorzaakt door geneesmiddelen. Geneesmiddelengeïnduceerde refractieafwijkingen herstellen zich meestal na het staken van het gebruik. Alle geneesmiddelen die op het autonome zenuwstelsel inwerken, kunnen het gezichtsvermogen beïnvloeden. Ook andere geneesmiddelen kunnen dit veroorzaken, maar het mechanisme is niet altijd bekend (Gebu 2011; 45: 13-18).


Het oog is een optisch systeem waarin de convergerende lens na lichtbreking een beeld projecteert op het netvlies.1 Doordat de lens van vorm en dikte kan veranderen, veranderen de brekende eigenschappen van het oog, zodat men in staat is om op verschillende afstanden scherp te zien, hetgeen accommodatie wordt genoemd.2 3

Myopie (bijziendheid), hypermetropie (verziendheid) en accommodatiestoornissen zijn zogenoemde refractieafwijkingen, ofwel afwijkingen van de lichtbreking in het oog. Bij myopie en hypermetropie, beide vormen van ametropie (brekingsafwijkingen van het oog), valt het beeld respectievelijk vóór of achter het netvlies van het ongeaccommodeerde oog.1 4 Geneesmiddelen kunnen de optische eigenschappen van het oog veranderen en myopie of hypermetropie veroorzaken. Astigmatisme, een refractieafwijking waarbij lichtstralen in verschillende assen op een ongelijke wijze worden gebroken, en presbyopie, ofwel ouderdomsverziendheid, blijven buiten beschouwing.

In dit artikel komen achtereenvolgens aan de orde de anatomie en de fysiologie van het oog, de pathofysiologie van refractieafwijkingen, het klinische beeld, geneesmiddelengerelateerde refractieafwijkingen en het beleid. Ten slotte volgt een plaatsbepaling.

Figuur 1. De anatomie van het menselijke oog.

 

 

In deze figuur van het menselijke oog worden alleen de structuren aangeduid die van belang zijn bij refractieafwijkingen. Voor in het oog bevinden zich het hoornvlies en de lens, de belangrijkste onderdelen van het oog die de mate van lichtbreking bepalen. De musculus ciliaris is verantwoordelijk voor accommodatie. De iris regelt de hoeveelheid licht die in het oog naar binnen komt via de pupil. Beelden worden geprojecteerd op het netvlies.


Hier worden alleen de onderdelen van het oog (zie fig. 1, pag. 14) besproken die van belang zijn bij de pathofysiologie van refractieafwijkingen.

Aan de voorzijde van het oog bevinden zich het hoornvlies en de lens. Deze vormen het belangrijkste onderdeel van het optische systeem van het oog. Refractie is het lichtbrekende vermogen van een structuur, bijvoorbeeld de lens. De kromming van het hoornvlies, de lenssterkte en de aslengte van het oog zijn de belangrijkste eigenschappen die de totale refractie van het oog bepalen.5

De iris, gelegen in het voorste deel van het oog tussen het hoornvlies en de lens, regelt de hoeveelheid licht die door de pupil in het oog komt komt.5 De iris bevat een radiaal georiënteerde spier, de musculus dilatator pupillae, die sympathisch wordt geïnnerveerd en via de α1-adrenerge receptor tot contractie en pupilverwijding, ofwel mydriasis, leidt. Hierdoor neemt de scherptediepte, ofwel de afstand waarover een beeld scherp is, af. Blokkade van deze receptor leidt tot pupilvernauwing ofwel miosis. Hierdoor neemt de scherptediepte toe. Rondom de pupil ligt de musculus sphincter pupillae die parasympathisch wordt geïnnerveerd. Parasympathische stimulatie van de muscarine-M3-receptor veroorzaakt contractie en miosis, blokkade van deze receptor leidt tot mydriasis (Gebu 2002; 36: 63-69).

De musculus ciliaris is een kringspier die gelegen is in het voorste gedeelte van het oog in het corpus ciliare ofwel het straallichaam. Het straallichaam is het onderdeel van het oog dat het kamerwater produceert. In de gangbaarste theorie van accommodatie wordt gesteld dat de musculus ciliaris de accommodatie van de lens regelt. De ciliaire spier stelt de lens in staat om van vorm en daarmee van brekende waarde te veranderen, zodat op verschillende afstanden scherp kan worden gezien. Contractie van de ciliaire spier leidt tot het boller worden van de lens, waardoor het licht sterker wordt gebroken. Relaxatie leidt tot vervlakking van de lens waardoor het licht minder sterk wordt gebroken. De ciliaire spier wordt zowel sympathisch via de β2-adrenerge receptor als parasympathisch via de M3-receptor geïnnerveerd. Stimulatie van die receptoren leidt respectievelijk tot relaxatie en contractie (Gebu 2002; 36: 63-69) (zie tab. hieronder).5

Tabel. Schematisch overzicht van de oogspieren, hun functie, de innervatie van de oogspieren en de gevolgen daarvan.


In deze paragraaf wordt uitgegaan van het ongeaccommodeerde en het niet met lenzen of operatief gecorrigeerde oog.

Emmetropie. Men spreekt van emmetropie als een beeld scherp op het netvlies valt (zie fig. 2, pag. 15).

Ametropie. Als het beeld niet op het netvlies valt, is er sprake van ametropie. Ametropie is over het algemeen het gevolg van een afwijkende aslengte van het oog. Myopie en hypermetropie zijn vormen van ametropie, waarbij sprake is van respectievelijk een te lange en een te korte oogas.1 4 Bij myopie valt het beeld van een voorwerp vóór het netvlies (zie fig. 2, pag. 15).1 De oorzaak van myopie is meestal onbekend. Behalve een te lange oogaslengte kan de oorsprong van familiaire aard zijn.1 Tevens kunnen bepaalde aandoeningen myopie veroorzaken (zie kader, pag. 15). Bij hypermetropie valt het beeld van een voorwerp achter het netvlies door een te korte oogas (zie fig. 2).4 Door jongeren wordt matige hypermetropie doorgaans goed verdragen en behoeft het geen correctie, omdat door accommodatie het gezichtsvermogen toch scherp is.

Voorts kunnen geneesmiddelen de optische eigenschappen van het oog veranderen en refractieafwijkingen veroorzaken.

 

Myopie veroorzaakt door aandoeningen.

Hyperglykemie bij patiënten met diabetes mellitus kan zwelling van de lens en zo myopie veroorzaken.6 Hierbij is verwijzing naar een oogarts meestal niet nodig en zal de refractieafwijking bij behandeling van de hyperglykemie herstellen. Daarnaast kunnen visusklachten bij een patiënt met diabetes mellitus ook worden veroorzaakt door diabetische retinopathie. Oogafwijkingen, zoals myopie, zijn kenmerken van homocystinurie, het syndroom van Marfan en andere genetisch bepaalde bindweefselafwijkingen.7 Cataract ofwel staar kan de brekingsindex van de lens beïnvloeden en ook leiden tot myopie.1

 

 

Figuur 2. Emmetropie, myopie en hypermetropie.

 

Men spreekt van emmetropie als een beeld scherp op het netvlies valt in het ongeaccommodeerde oog (zie bovenste schematische weergave). Bij myopie valt het beeld van een voorwerp vóór het netvlies (zie middelste schematische weergave). Bij hypermetropie (zie onderste schematische weergave) valt het beeld van een voorwerp achter het netvlies.


Verworven refractieafwijkingen leiden over het algemeen tot veranderingen in gezichtsscherpte en/of tot asthenopie, ofwel spoedig optredende vermoeidheid bij het kijken. De symptomen zijn soms moeilijk te omschrijven. Zo kunnen een onaangenaam gevoel, wazig zien en een tintelend of stekend gevoel in de ogen symptomen zijn van refractieafwijkingen. Hypermetropie heeft vooral invloed op het zien van dichtbij, terwijl myopie het verafzien nadelig beïnvloedt.4 Bij symptomen die buiten het oog zijn gelokaliseerd, zoals frontale hoofdpijn, met name in de avond, en nekpijn moet worden gedacht aan een refractieafwijking of een andere oogafwijking. Andere manifestaties die minder vaak op een oogheelkundige oorsprong wijzen, zijn algehele malaise, duizeligheid en misselijkheid.4


Geneesmiddelen kunnen de optische eigenschappen van het oog veranderen en myopie of hypermetropie veroorzaken. Dit geldt voor middelen die inwerken op het autonome zenuwstelsel en zo de accommodatie en pupilgrootte beïnvloeden (Gebu 2002; 36: 63-69). Van andere geneesmiddelen is niet exact bekend hoe ze refractieafwijkingen veroorzaken. De ernst van de visusstoornis hangt af van de oorspronkelijke refractie, de dosis van het geneesmiddel en de individuele gevoeligheid.

Er is weinig gedocumenteerd in de wetenschappelijke literatuur over refractieafwijkingen die worden veroorzaakt door geneesmiddelen. In de meeste gevallen gaat het om casuïstische mededelingen. Er zijn geen patiëntcontrole- of cohortonderzoeken gepubliceerd waarin de relatie tussen geneesmiddelengebruik en refractieafwijkingen is onderzocht. Bovendien worden deze bijwerkingen vaak niet gedetailleerd beschreven.

Geneesmiddelengeinduceerde refractieafwijkingen herstellen zich meestal spontaan na het staken van het gebruik.

Anticholinerg werkzame geneesmiddelen. Parasympathicolytica veroorzaken accommodatieparalyse ofwel cycloplegie en mydriasis. Middelen die worden gebruikt bij urine-incontinentie, met name oxybutynine en ook tolterodine, en scopolamine, een middel dat wordt toegepast ter voorkoming van symptomen van reisziekte, hebben anticholinerge eigenschappen en kunnen in theorie cycloplegie en mydriasis veroorzaken.8 In een gerandomiseerd onderzoekergeblindeerd onderzoek bij 52 vrouwen van 22 tot 60 jaar, waarin de oculaire bijwerkingen van oxybutynine en tolterodine werden onderzocht, werden refractieafwijkingen niet gerapporteerd.9 Bij gebruik van scopolamine, dat off-label kan worden toegepast bij overmatige speekselproductie, zijn twee gevallen beschreven van verminderd scherpzien van dichtbij en pupilverwijding.10 In de productinformatie van het aan scopolamine verwante butylscopolamine (voor injectie), geïndiceerd bij de behandeling van spasmen van het maagdarmkanaal, de gal- en urinewegen, wordt gemeld dat accommodatiestoornissen vaak (1-10%) voorkomen en wordt het besturen van een voertuig en het bedienen van machines hierom ontraden.11 Accommodatiestoornissen bij gebruik van butylscopolamine worden niet gemeld in de literatuur.

Bij oogheelkundig onderzoek worden anticholinerg werkzame middelen ook gebruikt om cycloplegie te veroorzaken teneinde optische metingen te kunnen doen of de retina te onderzoeken. Cycloplegie gaat altijd samen met mydriasis. Het kan tot enkele dagen duren voordat de symptomen hiervan voorbij zijn. Zo zijn atropineoogdruppels en cyclopentolaatoogdruppels onder meer geïndiceerd als mydriaticum en cycloplegicum voor diagnostische doeleinden, zoals refractiebepalingen (skiascopie),12 13 en zijn tropicamideoogdruppels als mydriaticum voor diagnostische doeleinden geïndiceerd.14

Psychofarmaca. Veel geneesmiddelen met neurologische en psychiatrische indicaties hebben anticholinerge eigenschappen, zoals tricyclische antidepressiva (TCA’s), de atypische antipsychotica clozapine en olanzapine, middelen die zijn geïndiceerd bij de ziekte van Parkinson, zoals biperideen, trihexyfenidyl en het dopaminerge middel amantadine, en ook memantine dat wordt gebruikt bij de behandeling van de ziekte van Alzheimer. Van deze middelen is echter niet gerapporteerd dan wel onderzocht of ze refractieafwijkingen veroorzaken. Van de fenothiazinederivaten levomepromazine15 en promethazine16 zijn casuïstische mededelingen van myopie bekend.

Andere geneesmiddelen met anticholinerge eigenschappen zijn onder meer de parasympathicolytische bronchusverwijders (ipratropium, tiotropium), de meeste sedatieve antihistaminica (bv. alimemazine, promethazine) en het antiaritmicum disopyramide. Er is een casus beschreven van een 16-jarig meisje dat in het ziekenhuis werd opgenomen vanwege een ventriculaire tachycardie en werd behandeld met het laatstgenoemde middel.17 Haar gezichtsvermogen was verminderd en ze had een droge mond. Tevens waren haar pupillen gedilateerd. Na het staken van deze medicatie verdwenen haar klachten en symptomen.17

Cholinerg werkzame middelen. Parasympathicomimetica bootsen de effecten na van de neurotransmitter acetylcholine op de parasympatische zenuwvezels. Ze kunnen accommodatiespasme en miosis uitlokken (Gebu 2002; 36: 63-69) en zo myopie veroorzaken. Acetylcholine-, carbacholine- en pilocarpineoogdruppels worden gebruikt om snel een miosis te bewerkstelligen tijdens oogchirurgie.18-20 Pilocarpineoogdruppels worden daarnaast toegepast ter behandeling van glaucoom met een nauwe kamerhoek.

Middelen met cholinerge eigenschappen worden onder meer gebruikt bij de behandeling van myasthenia gravis, een verminderde darmmotiliteit (bv. neostigmine, pyridostigmine) en de ziekte van Alzheimer (cholinesteraseremmers, zoals galantamine en rivastigmine). Ook de ontwenningsmiddelen nicotine en varenicline, die worden toegepast bij het stoppen met roken, en het oncolyticum irinotecan hebben deze eigenschappen. Van deze middelen zijn echter geen gegevens bekend dat zij refractieafwijkingen veroorzaken.

Overige geneesmiddelen. Verschillende andere middelen kunnen refractieafwijkingen of accommodatiestoornissen veroorzaken. De effecten hiervan zijn onvoorspelbaar en de onderliggende mechanismen zijn niet altijd bekend. Sommige vormen van myopie zonder accommodatiestoornis of verandering in de pupilgrootte die door geneesmiddelen zijn veroorzaakt, lijken verband te houden met de hydratatietoestand van de verschillende structuren van het oog en soms een verhoogde oogboldruk.5

Analgetica. Van acetylsalicylzuur is een casus van myopie gemeld.21 Een man van 39 jaar meldde zich in een ziekenhuis met klachten van wazig zien, nadat hij de avond daarvoor in totaal 2,7 gram acetylsalicylzuur had ingenomen vanwege verkoudheidsklachten. Myopie werd vastgesteld met retinoscopie. Nadat hij geen acetylsalicylzuur meer had genomen, verdwenen de klachten na enkele dagen.21

Antibiotica. Myopie met of zonder verhoogde intraoculaire druk is gemeld bij het gebruik van antibiotica uit de groep sulfonamiden, bijvoorbeeld de combinatie van sulfamethoxazol en trimethoprim. Vermoedelijk leidt zwelling van het corpus ciliare ertoe dat de lens naar voren wordt verplaatst, waardoor myopie ontstaat.22 Van geneesmiddelen met een structurele overeenkomst, namelijk met een zogenoemde sulfagroep, zoals het antireumaticum sulfasalazine23 en topiramaat (zie verderop) zijn mededelingen gedaan van myopie.

Bij een patient die zich presenteert met onverklaarde, (soms) plotseling optredende visusklachten, zoals wazig zien, moet ook worden gedacht aan een onlangs begonnen medicamenteuze behandeling.

Van tetracycline is een geval gemeld van reversibele en recidiverende myopie bij een 35-jarige vrouw die meerdere malen het middel gebruikte.24 Bij een vrouw die oraal metronidazol gebruikte, trad myopie op en dit trad opnieuw op toen het middel vaginaal werd toegepast.25

Naast de ernstige ongewenste oogeffecten retinopathie en keratopathie, kan het antimalariamiddel chloroquine wazig zien en accommodatiestoornissen veroorzaken.26

Anti-epileptica. Er zijn diverse meldingen gedaan van acute myopie bij gebruik van topiramaat. De klachten traden snel na aanvang van het gebruik op en verdwenen na het staken van de medicatie.27-36 Ook van dit middel wordt verondersteld dat het zwelling van het corpus ciliare veroorzaakt, waardoor de lens naar voren komt. Dit verstoort de afvoer van het kamerwater hetgeen soms leidt tot vernauwing van de kamerhoek en verhoging van de intraoculaire druk.36 In september 2001 waarschuwde de Amerikaanse registratieautoriteit Food and Drug Administration (FDA) neurologen en oogartsen dat topiramaat acuut glaucoom kan veroorzaken, hetgeen wordt gekarakteriseerd door pijn, misselijkheid, braken, een verhoogde intraoculaire oogdruk en een rood oog. De aandoening moet in de eerste plaats worden behandeld door het middel te staken.37 Deze informatie is ook opgenomen in de productinformatie.38 Een patiënt met acuut glaucoom dient met spoed naar een oogarts te worden verwezen. Bij het Nederlands Bijwerkingencentrum Lareb zijn van topiramaat drie meldingen gedaan van verminderd scherpzien en één van wazig zien.39

Van carbamazepine is bij Lareb twee maal een accommodatiestoornis gemeld, zes maal wazig zien en twee maal gereduceerd scherpzien.39

 

Meldingen bij het Nederlands Bijwerkingencentrum Lareb.
Via het bijwerkingengegevensbestand van het Nederlands Bijwerkingencentrum Lareb (www.lareb.nl) zijn de volgende gegevens verzameld: er zijn vijf niet-gespecificeerde meldingen gedaan van refractieafwijkingen door geneesmiddelengebruik. Het betreft één melding bij gebruik van carboplatine, distigmine, enalapril, paclitaxel en sulfamethoxazol/trimethoprim.39
In totaal is 16 maal melding gemaakt van myopie. Hiervoor waren verantwoordelijk ramipril (3 maal), fluoxetine en tacrolimus (2 maal), aceclofenac, amlodipine, atorvastatine, doxycycline, simvastatine, trazodon, varenicline, venlafaxine en verapamil (1 maal). Vijf maal trad geen herstel op en van de overige meldingen is de afloop onbekend.39
Hypermetropie is éénmaal gemeld bij gebruik van alprazolam en sulfasalazine.39
In totaal zijn accommodatiestoornissen 77 maal gemeld, waarbij de meeste meldingen zich voordeden bij gebruik van methylfenidaat (5 maal), citalopram (4 maal), paroxetine (3 maal), amitriptyline, carbamazepine, estradiol, ipratropium, mefloquine, naproxen, rosuvastatine en sulfamethoxazol/trimethoprim (2 maal).39
Van bovenstaande meldingen is niet bekend in welk tijdsbestek ze zijn gedaan en een oorzakelijk verband is niet bewezen.

 

Antiparkinsonmiddelen. Er is een casuïstische mededeling gepubliceerd van een patiënt die het dopaminerge bromocriptine gebruikte en reversibele myopie ontwikkelde.40

Diuretica. Aan de diuretica chloortalidon,41-46 hydrochloorthiazide47 (alleen of in combinatie met triamtereen48) en indapamide49 zijn gevallen van acute myopie met of zonder verhoogde intraoculaire druk toegeschreven. Aangenomen werd dat zwelling in het corpus ciliare hieraan ten grondslag ligt.

Meerdere gevallen van myopie, met of zonder verhoogde intraoculaire druk, zijn ook gemeld bij koolzuuranhydraseremmers, met name het oraal toegediende acetazolamide, dat onder meer is geïndiceerd als adjuvans bij de behandeling van chronisch open kamerhoekglaucoom, secundair glaucoom en preoperatief bij acuut gesloten kamerhoekglaucoom.50-54

Oncolytica en immunosuppressiva. Er is een casuïstische mededeling verschenen van een adolescent die terugkerende episoden van myopie had, waarschijnlijk door hydratatie van de lens, tijdens opeenvolgende kuren met cyclofosfamide.55

Diversen. Accommodatiestoornissen komen ook voor bij tot 10% van de patiënten die lithium gebruiken.56 Bij Lareb zijn van dit middel wazig zien drie maal en verminderd scherpzien één maal gemeld als bijwerking.39

Bij gebruik van isotretinoïne zijn verschillende visusstoornissen gemeld, waaronder refractieafwijkingen.57

In een patiëntenserie van 38 flecaïnidegebruikers trad bij 10,5% van hen wazig zien op bij het gebruik van dit antiaritmicum.58 In Nederland zijn enkele meldingen gedaan van visusklachten.39 Van het bloedglucoseverlagende middel glibenclamide is één casus van myopie gemeld.59


Bij een patiënt die zich presenteert met onverklaarde, plotseling optredende myopie, hypermetropie of een accommodatiestoornis moet worden gedacht aan een onlangs begonnen medicamenteuze behandeling. Indien een geneesmiddel de oorzaak is van de afwijking, zal staken ervan leiden tot snelle verbetering en zo onnodige onderzoeken en behandelingen voorkomen. Dit geldt in grote mate als de oogdruk is verhoogd. Hyperglykemie bij patiënten met diabetes mellitus kan ook myopie veroorzaken,6 maar in de praktijk blijkt de afwijking te verdwijnen zodra de bloedglucoseconcentratie is genormaliseerd. Verwijzing naar een oogarts is dan meestal niet meer nodig. Voorts kunnen visusklachten ook worden veroorzaakt door diabetische retinopathie bij een patiënt met diabetes mellitus.

Van de in dit artikel genoemde geneesmiddelen wordt alleen in de productinformatie van topiramaat gewaarschuwd dat het middel acuut nauwe kamerhoekglaucoom kan veroorzaken38 en in de productinformatie van pilocarpineoogdruppels wordt gewaarschuwd voor het gebruik bij (jeugdige) patiënten met myopie vanwege zeldzame gevallen van netvliesloslating bij middelen die miosis veroorzaken.20 De andere middelen zijn niet gecontraïndiceerd bij refractieafwijkingen. Daarentegen zijn enkele middelen wel gecontraïndiceerd bij patiënten met (onbehandelde) nauwe kamerhoekglaucoom, risico op afgesloten kamerhoekglaucoom, of bij wie wordt gewaarschuwd voor een verhoogde oogboldruk of het manifest worden van glaucoom.

 

Plaatsbepaling
Refractieafwijkingen, met name myopie (bijziendheid), in veel mindere mate hypermetropie (verziendheid) en accommodatiestoornissen, kunnen door geneesmiddelen worden veroorzaakt en zijn veelal van voorbijgaande aard, mits het gebruik van het geneesmiddel wordt gestaakt. De ernst ervan zal afhangen van de oorspronkelijke refractie, de dosis van het geneesmiddel en de individuele gevoeligheid.

Hoewel in theorie veel geneesmiddelen, met name de middelen die aangrijpen op het centrale zenuwstelsel, ongewenste oogheelkundige neveneffecten kunnen hebben, zijn hierover weinig gegevens gepubliceerd. In theorie kunnen anticholinerg werkende geneesmiddelen, zoals parasympathicolytica, bijvoorbeeld accommodatieparalyse ofwel cycloplegie, of mydriasis veroorzaken. Cholinerg werkende middelen kunnen accommodatiespasme en miosis uitlokken. Er zijn echter geen observationele onderzoeken naar deze zeldzame bijwerkingen uitgevoerd, ze zijn alleen beschreven in casuïstische mededelingen.

Van de geneesmiddelen met een sulfagroep, zoals het thiazidediureticum hydrochloorthiazide maar ook het anti-epilepticum topiramaat en het antireumaticum sulfasalazine, zijn meerdere gevallen van myopie beschreven. De bijwerking ontstaat waarschijnlijk door zwelling van het corpus ciliare waardoor de lens naar voren komt.

Wanneer een patiënt zich presenteert met plotseling ontstane myopie, hypermetropie of accommodatiestoornissen moet worden gedacht aan de mogelijke rol van geneesmiddelen. Bij refractieafwijkingen die door geneesmiddelen zijn veroorzaakt, verdwijnen de symptomen meestal nadat het betrokken middel wordt gestaakt.

 

Trefwoorden: geneesmiddelengeïnduceerde refractieafwijking, myopie, hypermetropie, accommodatiestoornis

Stofnaam
aceclofenac
acetazolamide
acetylcholine
acetylsalicylzuur
alimemazine
alprazolam
amantadine
amitriptyline
amlodipine
atorvastatine
atropine
biperideen
bromocriptine
butylscopolamine
carbacholinium
carbamazepine
carboplatine
chloortalidon
chloroquine
citalopram
clozapine
cyclofosfamide
cyclopentolaat
disopyramide
distigmine
doxycycline
enalapril
estradiol

 

flecaïnide
fluoxetine
galantamine
glibenclamide
hydrochloorthiazide
indapamide
ipratropium
irinotecan
isotretinoïne
lithium
mefloquine
memantine
methylfenidaat
metronidazol
naproxen
neostigmine
nicotine
olanzapine
oxybutynine
paclitaxel
paroxetine
pilocarpine
promethazine
pyridostigmine
ramipril
rivastigmine
rosuvastatine
scopolamine
simvastatine
sulfamethoxazol/trimethoprim (co-trimoxazol)
tacrolimus
tetracycline
tiotropium
tolterodine
topiramaat
trazodon
triamtereen
trihexyfenidyl
tropicamide
varenicline
verapamil

merknaam®
Biofenac
merkloos, Diamox
Miochol E
merkloos, Alka-Seltzer, Aspégic, Aspirine, Aspro
Nedeltran
merkloos, Xanax
Symmetrel
merkloos, Sarotex, Tryptizol
merkloos, Norvasc
Lipitor
merkloos, Atropine FNA, Atropinesulfaat Minims
Akineton
Parlodel
Buscopan
merkloos, Miostat
merkloos, Tegretol
merkloos, Carbosin
merkloos
A-CQ 100
merkloos, Cipramil
merkloos, Leponex
Endoxan
cyclopentolaathydrochloride Minims, Cyclogyl
merkloos, Ritmoforine
Ubretid
merkloos, Efracea, Vibramycin
merkloos, Renitec
merkloos, Aerodiol, Cetura, Climara, Estrofem, Meno-implant, Progynova, Systen, Vagifem, Zumenon
merkloos, Tambocor
merkloos, Prozac
Reminyl
merkloos
merkloos, Hydrochloorthiazide FNA
merkloos
merkloos, Atrovent, Ipraxa
merkloos, Campto
merkloos, Curacne, Roaccutane
merkloos, Camcolit, Lithiumcarbonaat FNA, Priadel
Lariam
Ebixa
merkloos, Concerta, Equasym, Medikinet, Ritalin
merkloos, Flagyl
merkloos, Aleve
merkloos, Prostigmin
Nicopass, Nicopatch, Nicorette, Nicotinell, Niquitin
Zypadhera, Zyprexa
merkloos, Dridase, Kentera
merkloos, Paclitaxin
merkloos, Seroxat
merkloos, Pilocarpine FNA, Pilocarpinenitraat Minims, Pilogel, Salagen
merkloos
Mestinon
merkloos, Tritace
Exelon
Crestor
Scopoderm TTS
merkloos, Zocor
merkloos, Bactrimel
Advagraf, Prograft, Protoptic
merkloos
Spiriva
Detrusitol
merkloos, Topamax
Trazolan
merkloos
Artane
merkloos, Tropicamide Minims, Tropicamide Monofree
Champix
merkloos, Isoptin

1. Fredrick DR. Myopia. BMJ 2002; 324: 1195-1199.
2. Atchison DA. Accommodation and presbyopia. Ophthalmic Physiol Opt 1995; 15: 255-272.
3. Charman WN. The eye in focus: accommodation and presbyopia. Clin Exp Optom 2008; 91: 207-225.
4. Cochrane GM, du Toit R, Le Mesurier RT. Management of refractive errors. BMJ 2010; 340: c1711.
5. Stilma JS, Voorn ThB. Oogheelkunde. 2e dr. Houten: Bohn Stafleu van Loghem, 2008. p. 9-12.
6. Wiemer NGM. The influence of diabetes mellitus on the refractive properties of the human eye [proefschrift]. Amsterdam: Vrije Universiteit, 2008.
7. Prockop DJ, Czarny-Ratajczak. Heritable disorders of connective tissue. In: Kasper DL et al. Harrison’s principals of internal medicine. 17th ed. New York: McGraw-Hill, 2008. p. 2461-2469.
8. Atropine. In: Sweetman SC (ed.). Martindale: the complete drug reference. 36th Ed. London: Pharmaceutical Press, 2009. p. 1219-1222.
9. Altan-Yaycioglu R, Yaycioglu O, Aydin Akova Y, Guvel S, Ozkardes H. Ocular side-effects of tolterodine and oxybutynin, a single-blind prospective randomized trial. Br J Clin Pharmacol 2005; 59: 588-592.
10. Firth AY, Walker K. Visual side-effects from transdermal scopolamine (hyoscine). Dev Med Child Neurol. 2006; 48: 137-138.
11. Productinformatie butylscopolamine (Buscopan®) [internet]. Via www.cbg-meb.nl, Geneesmiddeleninformatiebank.
12. Productinformatie atropineoogdruppels [internet]. Via www.cbg-meb.nl, Geneesmiddeleninformatiebank.
13. Productinformatie cyclopentolaat (Cyclogyl®) [internet]. Via www.cbg-meb.nl, Geneesmiddeleninformatiebank.
14. Productinformatie tropicamideoogdruppels [internet]. Via www.cbg-meb.nl, Geneesmiddeleninformatiebank.
15. Kashani S, Barclay D, Lee E, Hollick E. A case of transient myopia in a patient with multiple myeloma secondary to levomepromazine. Palliat Med 2005; 19: 261-262.
16. Bard LA. Transient myopia associated with promethazin (phenegan) therapy: report of a case. Am J Ophthalmol 1964; 58: 682-686.
17. Frucht J, Freimann I, Merin S. Ocular side effects of disopyramide. Br J Ophthalmol 1984; 68: 890-891.
18. Productinformatie acetylcholine-installatievloeistof [internet]. Via www.cbg-meb.nl, Geneesmiddeleninformatiebank.
19. Productinformatie carbacholinium (Miostat®) [internet]. Via www.cbg-meb.nl, Geneesmiddeleninformatiebank.
20. Productinformatie pilocarpineoogdruppels [internet]. Via www.cbg-meb.nl, Geneesmiddeleninformatiebank.
21. Sandford-Smith JH. Transient myopia after aspirin. Br J Ophthalmol 1974; 58: 698-700.
22. Grinbaum A, Ashkenazi I, Gutman I, Blumenthal M. Suggested mechanism for acute transient myopia after sulfonamide treatment. Ann Ophthalmol 1993; 25: 224-226.
23. Santodomingo-Rubido J, Gilmartin B, Wolffsohn JS. Drug-induced bilateral transient myopia with the sulphonamide sulphasalazine. Ophthalmic Physiol Opt 2003; 23: 567-570.
24. Edwards TS. Transient myopia due to tetracycline. JAMA 1963. 186: 69-70.
25. Grinbaum A, Ashkenazi I, Avni I, Blumenthal M. Transient myopia following metronidazole treatment for Trichomonas vaginalis. JAMA 1992; 267: 511-512.
26. Rubin ML, Thomas WC Jr. Diplopia and loss of accommodation due to chloroquine. Arthritis Rheum 1970; 13: 75-82.
27. Sen HA, O'Halloran HS, Lee WB. Case reports and small case series: topiramate-induced acute myopia and retinal striae. Arch Ophthalmol 2001; 119: 775-777.
28. Zweifler RM, McKinley B, Duval D. Topiramate-induced myopia. Headache 2002; 42: 85-86. 39. Chen TC, Chao CW, Sorkin JA. Topiramate induced myopic shift and angle closure glaucoma. Br J Ophthalmol 2003; 87: 648-649.
29. Boentert M, Aretz H, Ludemann P. Acute myopia and angle-closure glaucoma induced by topiramate. Neurology 2003; 61: 1306.
30. Fraunfelder FW, Fraunfelder FT, Keates EU. Topiramate-associated acute, bilateral, secondary angle-closure glaucoma. Ophthalmology 2004; 111: 109-111.
31. Bhattacharyya KB, Basu S. Acute myopia induced by topiramate: report of a case and review of the literature. Neurol India 2005; 53: 108-109.
32. Guier CP. Elevated intraocular pressure and myopic shift linked to topiramate use. Optom Vis Sci 2007; 84: 1070-1073.
33. Boonyaleephan S. Bilateral acute onset myopia and angle closure glaucoma after oral topiramate: a case report. J Med Assoc Thai 2008; 91: 1904-1907.
34. Gawley SD. Topiramate induced acute transient myopia: a case report. Cases J 2009; 2: 7430.
35. Natesh S, Rajashekhara SK, Rao AS, Shetty B. Topiramate-induced angle closure with acute myopia, macular striae. Oman J Ophthalmol 2010; 3: 26-28.
36. Craig JE, Ong TJ, Louis DL, Wells JM. Mechanism of topiramate-induced acute-onset myopia and angle closure glaucoma. Am J Ophthalmol 2004; 137: 193-195.
37. Topamax (topiramate) Sep 2001 [internet]. US Food and drug administration [geraadpleegd op 3 november 2010]. Via: http://www.fda.gov/Safety/MedWatch/SafetyInformation/SafetyAlertsforHumanMedicalProducts/ucm172669.htm.
38. Productinformatie topiramaat (Topamax®) [internet]. Via: www.cbg-meb.nl, Geneesmiddeleninformatiebank.
39. Bijwerkingendatabank [internet]. Nederlands bijwerkingen centrum Lareb [geraadpleegd op 3 november 2010]. Via: www.lareb.nl.
40. Manor RS, Dickerman Z, Llaron Z. Myopia during bromocriptine treatment. Lancet 1981; 1: 102.
41. Stennis SD. Drug-induced myopia: a case report. Am J Optom Physiol Opt 1976; 53: 422-423.
42. Michaelson JJ. Transient myopia due to hygroton. Am J Ophthalmol 1962; 54: 1146-1147.
43. Ericson LA. Hygroton-induced myopia and retinal edema. Acta Ophthalmol (Copenh) 1963; 41:538-543.
44. D’Alena P, Robinson M. Hygroton-induced myopia. Calif Med 1969; 110: 134-135.
45. Weinstock FJ. Transient severe myopia. JAMA 1971; 217: 1245-1246.
46. Mahesh G, Giridhar A, Saikumar SJ, Fegde S. Drug-induced acute myopia following chlorthalidone treatment. Indian J Ophthalmol 2007; 55: 386-388.
47. Beasley FJ. Transient myopia and retinal edema during hydrochlorothiazide (hydrodiuril) therapy. Arch Ophthalmol 1961; 65: 212-213.
48. Söylev MF, Green RL, Feldon SE. Choroidal effusion as a mechanism for transient myopia induced by hydrochlorothiazide and triamterene. Am J Ophthalmol 1995; 120: 395-397.
49. Blain P, Paques M, Massin P, Erginay A, Santiago P, Gaudric A. Acute transient myopia induced by indapamide. Am J Ophthalmol 2000; 129: 538-540.
50. Kronning E. Transient myopia following the use of acetazolamide. Acta Ophthalmol (Copenh) 1957; 35: 478-484.
51. Binder SS, Steele Sr. W. Acute transient myopia associated with use of acetazolamide (diamox). J Am Med Assoc. 1957; 165: 154-155.
52. Cristiansson J. Transient myopia after the administration of diamox. Acta Ophthalmol (Copenh). 1958; 36: 356-357.
53. Muirhead JF, Scheie HG. Transient myopia after acetazolamide. Arch Ophthalmol 1960; 63: 315-318.
54. Garland MA, Sholk A, Guenter KE. Acetazolamide-induced myopia. Am J Obstet Gynecol 1962; 84: 69-71.
55. Arranz JA, Jiménez R, Alvarez-Mon M. Cyclophosphamide-induced myopia. Ann Intern Med 1992; 116: 92-93.
56. Lithium Carbonate. In: Sweetman SC (ed.). Martindale: the complete drug reference. 36th Ed. London: Pharmaceutical Press, 2009. p. 401-407.
57. Fraunfelder FT, Fraunfelder FW, Edwards R. Ocular side effects possibly associated with isotretinoin usage. Am J Ophthalmol 2001; 132: 299-305.
58. Ikäheimo K, Kettunen R, Mäntyjärvi M. Adverse ocular effects of flecainide. Acta Ophthalmol Scand 2001; 79: 175-176.
59. Teller J, Rasin M, Abraham FA. Accommodation insufficiency induced by glybenclamide. Ann Ophthalmol 1989; 21: 275-276.