Quetiapine (Seroquel®), behandeling schizofrenie

In deze rubriek worden nieuwe geneesmiddelen besproken, kort nadat ze in de handel zijn gebracht. Van sommige produkten kan de plaatsbepaling slechts voorlopig zijn omdat nog relatief weinig bekend is over de veiligheid en effectiviteit. Toch menen we dat een vroeg commentaar van belang kan zijn voor de praktijk. Wanneer na verloop van tijd nieuwe gegevens daartoe aanleiding geven komen we op de eerste bespreking terug. De prijzen zijn berekend aan de hand van de KNMP-taxe van januari 1999, inkoopprijzen excl. BTW, tenzij anders aangegeven.

Quetiapine
Seroquel® (Zeneca Farma BV)
Tabletten 25, 100 en 200 mg

behandeling schizofrenie

Het antipsychoticum quetiapine is geregistreerd voor de 'behandeling van schizofrenie'. Het blokkeert de serotonine (5HT2)- en dopamine (D2)-receptoren minder sterk dan clozapine en olanzapine, maar sterker dan haloperidol. Verder antagoneert het middel de histamine H1- en de adrenerge α1- en α2-receptoren. De eliminatiehalveringstijd bedraagt ongeveer zeven uur.
Volgens een systematisch overzicht1 zijn er zes dubbelblinde, gerandomiseerde onderzoeken met quetiapine gepubliceerd,2-7 die, tenzij anders vermeld, zes weken duurden en waarbij quetiapine in twee gevallen is vergeleken met andere antipsychotica.6 7
In het eerste onderzoek, dat was bedoeld om de optimale dosering te bepalen, werden alleen verschillende doseringen quetiapine onderling vergeleken zonder placebocontrole.2 Het betrof 618 opgenomen patiënten met schizofrenie. Een dosering van 2 dd 225 mg, en in mindere mate van 3 dd 150 mg, bleek effectiever dan 2 dd 25 mg.2 In het tweede onderzoek werd van opklimmende doseringen quetiapine (25-250 mg/dag) ten opzichte van placebo een significant effect vastgesteld op de positieve symptomen, zoals denkstoornissen en wanen, en de negatieve, zoals apathie en teruggetrokkenheid.3 Het betrof echter slechts 12 patiënten die drie weken werden behandeld.3 In het derde onderzoek bij 109 opgenomen patiënten werd quetiapine (75-750 mg/dag) vergeleken met placebo.4 Een groot aantal patiënten staakte het onderzoek voortijdig: 48% met quetiapine en 60% met placebo. Ten opzichte van placebo was het effect van quetiapine op de positieve symptomen tussentijds wél, maar aan het einde van het onderzoek niet statistisch significant. Vanaf drie weken was het effect op de negatieve symptomen weliswaar significant, maar niet groot.4 Het vierde onderzoek betrof 268 opgenomen patiënten met (sub)chronische schizofrenie.5 De werkzaamheid van een hoge dosis quetiapine (max. 750 mg/dag) op de positieve symptomen bleek significant beter te zijn dan die van een lage dosis (max. 250 mg/dag) of placebo.5 Van de patiënten uit de hoge dosisgroep staakte 42% het onderzoek voortijdig, uit de lage 57% en uit de placebogroep 59%, voornamelijk vanwege het falen van de therapie. Wat de negatieve symptomen betreft, was de score wisselend en niet overtuigend.5 In het vijfde onderzoek liet quetiapine (gem. 407 mg/dag) een vergelijkbare effectiviteit op de positieve en negatieve symptomen zien als chloorpromazine (gem. 348 mg/dag).6 Behalve dat na zes weken iets minder patiënten met quetiapine een verergering van extrapiramidale bijwerkingen ondervonden (5% vs. 14%), waren er geen andere winstpunten.6 Het laatste onderzoek betrof 361 opgenomen patiënten die quetiapine (75, 150, 300, 600 of 750 mg/dag), haloperidol 12 mg/dag of placebo kregen.7 Maar liefst 59% van alle patiënten staakte het onderzoek, voornamelijk vanwege het falen van de therapie. Een verbetering van de positieve symptomen was voor de vier hoogste doseringen quetiapine ten opzichte van placebo significant, maar voor de negatieve symptomen leek dat alleen te gelden voor 300 mg/dag. Een significante verbetering ten opzichte van haloperidol werd noch voor de negatieve noch voor de positieve symptomen aangetoond. Extrapiramidale bijwerkingen en de prolactinespiegel weken met quetiapine in dit kortdurende onderzoek niet significant af van placebo.7
Geen enkel van de bovengenoemde onderzoeken had specifiek betrekking op patiënten met primaire negatieve symptomen, hetgeen tegenwoordig een eis is om een mogelijk effect hierbij als indicatie geregistreerd te krijgen. Vergelijkend onderzoek met chemisch verwante antipsychotica, zoals clozapine, risperidon of olanzapine, is nog niet gepubliceerd. Bovendien ontbreekt gecontroleerd onderzoek van een langere duur dan zes weken en bij de groep van therapieresistente patiënten.
De meest voorkomende bijwerkingen van quetiapine zijn slaperigheid, duizeligheid, obstipatie, orthostatische hypotensie, een droge mond, gewichtstoename, en een stijging van de activiteit van de serumtransaminasen. Tardieve dyskinesie is in de kortdurende onderzoeken niet gerapporteerd, maar in hoeverre dit bij chronisch gebruik op kan treden, is nog onduidelijk. Incidenteel zijn convulsies gemeld, alsmede een voorbijgaande leukopenie, neutropenie en eosinofilie. Het middel veroorzaakt geen significante verlenging van het QT-interval, zoals sertindol. De klaring van quetiapine neemt toe bij gelijktijdig gebruik van fenytoïne, thioridazine of andere P450-3A4-remmers, zoals ketoconazol. De veiligheid tijdens zwangerschap en lactatie is niet vastgesteld.

Plaatsbepaling

Quetiapine biedt voor de behandeling van positieve symptomen bij schizofrenie geen therapeutische meerwaarde ten opzichte van haloperidol. Extrapiramidale bijwerkingen komen weliswaar minder frequent voor, maar een nadeel vormt het optreden van leukopenie, neutropenie en eosinofilie. De effectiviteit bij primaire negatieve symptomen, bij therapieresistente patiënten en bij chronisch gebruik zijn nog onduidelijk. Bovendien ontbreekt vergelijkend onderzoek met andere antipsychotica, zoals clozapine, risperidon en olanzapine, zodat een zeer afwachtende houding is aangewezen.




1. Srisurapanont M et al. Cochrane Library 1998; issue 4.
2. King DJ et al. Psychopharmacol 1998; 137: 139-146.
3. Fabre LF Jr et al. Clin Ther 1995; 17: 366-378.
4. Borison RL et al. J Clin Psychopharmacol 1996; 16: 158-169.
5. Small JG et al. Arch Gen Psychiatr 1997; 54: 549-557.
6. Peuskens J et al. Acta Psychiatr Scand 1997; 96: 265-273.
7. Arvanitis LA et al. Biol Psychiatry 1997; 42: 233-246.