Professionele medische organisaties en de omgang met de industrie

Het is bekend dat de farmaceutische industrie (indirecte) invloed heeft op de ontwikkeling van behandelrichtlijnen wat betreft geneesmiddelen (Gebu 2007; 41: 104). De oorzaak ligt in de vaak aanwezige sponsorrelatie van personen of belangenverenigingen met farmaceutische bedrijven. De Inspectie voor de Gezondheidszorg adviseert het opstellen van richtlijnen over te laten aan wetenschappelijke verenigingen van artsen (Gebu 2009; 43: 55-58). Diezelfde inspectie constateert echter ook dat vrijwel alle medische beroepsbeoefenaren met gezag op een bepaald vakgebied banden hebben met fabrikanten. Grote specialistenverenigingen zouden de keuze van huisartsen voor splitsing in een belangenvereniging (LHV) en een wetenschappelijke vereniging (NHG) kunnen volgen.

In de Verenigde Staten hebben artsen, onderzoekers en de hoofdredacteur van de Journal of the American Medical Association (JAMA) aanbevelingen gepubliceerd waarmee wordt beoogd meer controle te krijgen op belangenverstrengelingen van medische specialisten. 1 Specialistenverenigingen zijn van belang voor nascholing. Zij dienen te letten op inbreuken op de wetenschappelijke integriteit of niet-onderbouwde bindingen jegens het belang van patiënten en deze dienen te worden vermeden. Banden met de industrie creëren belangenconflicten. Men is bang dat de invloed van de industrie klinische beslissingen compromitteert, dat dit een negatieve invloed heeft op de gezondheidszorg en dat de reputatie van het artsenberoep wordt ondermijnd. In de VS hebben veel specialistenverenigingen richtlijnen met betrekking tot belangenconflicten, maar die zijn niet uniform.

Aan het voorstel dat in de JAMA is gedaan, ligt een aantal uitgangspunten ten grondslag. 1 In de eerste plaats levert de farmaceutische industrie belangrijke bijdragen aan de ontwikkeling van de geneeskunde. Het verbreken van alle contacten met de industrie is geen antwoord op de problemen. In de tweede plaats is voldoende onderzocht en aangetoond dat cadeaus de keuzen van artsen beïnvloeden. In de derde plaats moet op zorgvuldige wijze onderscheid worden gemaakt tussen scholing en marketing. In de vierde plaats zijn banden van individuen en specialistenverenigingen met de industrie zeer divers en geschakeerd. In de laatste plaats dienen specialistenverenigingen hun eigen agenda’s en prioriteiten op te stellen en daaraan trouw te blijven.


1. Budget van de vereniging. Men zou moeten streven naar een volledig verbod op sponsoring door de industrie. De directe bijdragen zouden meteen moeten worden gereduceerd tot 25%. Daarna zijn interimmaatregelen nodig waaronder de voorwaarde dat aan sponsorbijdragen geen eisen mogen worden gesteld.

2. Jaarlijkse congressen van de vereniging. Geen van de leden van nascholingscommissies behoren banden met de industrie te hebben. Leden van de programmacommissie van congressen dienen de volledige vrijheid te hebben het programma zelf in te vullen. Congressen zijn geen plaats waar de industrie zijn specialités aan artsen kan overhandigen. Kraampjes van de industrie behoren niet bij de verplichte looproute langs wetenschappelijke of nascholingssessies te staan. Verenigingen steunen satellietsymposia, die vaak een marketingfunctie hebben, niet en faciliteren ze evenmin.

3. Fondsen voor onderzoek. De industrie mag geen geld ter beschikking stellen aan projecten die het zelf heeft uitgekozen en ze mag niet worden geassocieerd met een specifiek project.

4. Fondsen voor trainings- en scholingsprogramma's. Deze onderdelen zijn van belang voor de kwaliteit van de opleiding tot medisch specialist. Gelden hiervoor van de industrie zouden geanonimiseerd in een fonds moeten worden gestort en de gebruiker behoort niet te kunnen achterhalen wie zijn of haar stage en reis heeft betaald. Aan het gedoneerde geld mogen geen eisen worden gesteld.

5. Richtlijnenmakers. Onder geen enkele voorwaarde mogen verenigingen geld van de industrie accepteren bij en voor het maken van richtlijnen. In richtlijnencommissies behoren geen personen zitting te hebben die banden hebben met de industrie. Als minimumeis wordt gesteld dat zij geen financiële vergoeding of bijdragen voor onderzoek mogen krijgen van de industrie. Als het niet anders kan dan dienen personen met belangenverstrengeling alleen bij de ontwerpfase te worden betrokken, maar niet in de afsluitende fase.

6. Publicaties van de vereniging. Het produceren en distribueren van richtlijnen en andere adviezen dient onafhankelijk van financiële steun van de industrie te geschieden.

7. Steun voor producten van de industrie. Verenigingen dienen op geen enkele wijze hun naam of logo te verbinden aan een product, dienst of activiteit van de industrie.

8. Geaffilieerde stichtingen. Voor geaffilieerde stichtingen gelden dezelfde aanbevelingen als onder punt 7.

9. Belangenconflicten bij voorzitters en bestuursleden. De voorzitter en leden van het bestuur zijn gehouden de strengste normen toe te passen bij het vermijden van belangenconflicten. Zij mogen tot twee jaar voor hun aanstelling geen belangenconflicten hebben. De industrie mag geen enkele activiteit van het bestuur sponsoren.

10. Voorbeeldfunctie voor de leden. De vereniging heeft een voorbeeldfunctie en zal haar leden ertoe aanzetten dezelfde normen over te nemen.

Als reactie op ingezonden brieven schrijven de auteurs dat er duidelijk behoefte is aan partnerschap, maar dat er een moet zijn tussen gelijken. 2 Het streven naar afwezigheid van sponsoring zou professionele medische organisaties en de industrie in staat stellen om als ‘peers’ samen te werken en niet dat de een afhankelijk is van de ander, zoals nu het geval is.

<hr />


1. Rothman DJ, et al. Professional medical associations and their relationships with industry. JAMA 2009; 301: 1367-1372. 2. Industry support and professional medical organisations [letters]. JAMA 2009; 302: 737-739

Auteurs

  • dr D. Bijl