Probiotica


Dr G.J. Jansen en prof. dr J.E. Degener, onder medeverantwoordelijkheid van de redactiecommissie

 


Terug naar boven

Probiotica worden reeds vele eeuwen toegepast met als doel het verbeteren van de gezondheid van de gastheer. Volgens een recente definitie zijn probiotica 'levende microbiologische voedingssupplementen die het gastheerorganisme positief beïnvloeden door de intestinale microbiologische balans te verbeteren'. Geen van de probiotische preparaten die thans vrij op de Nederlandse markt verkrijgbaar zijn, is geregistreerd als geneesmiddel. Voedingssupplementen met probiotica worden door patiënten gebruikt ter preventie of behandeling van bepaalde aandoeningen. Voor artsen en apothekers is meestal niet duidelijk wat de waarde is van deze supplementen.

De eerste wetenschappelijke poging om het effect van deze preparaten op de gastheer op te helderen werd gepubliceerd in 1907.2 De wetenschappelijke belangstelling voor probiotica eindigde min of meer toen de eerste antibiotica op de markt verschenen. Nadat de initiële euforie over antibiotica enigszins was geluwd en een aantal nadelen van het ongelimiteerde gebruik van antibiotica duidelijk werd,3 kwamen de probiotica opnieuw in de belangstelling.

Tegenwoordig worden diverse gezondheidsbevorderende effecten van probiotica geclaimd. Dit zijn onder meer: preventie van gastro-intestinale infecties en antibioticum geassocieerde diarree, vermindering van lactose-intolerantie, preventie van recidiverende Candida-vaginitis en urineweginfecties, verlaging van de serumcholesterolconcentratie, afname van de incidentie van colonkanker en stimulatie van het immuunsysteem. Een deel van deze gezondheidsclaims is inmiddels onderzocht in dubbelblinde en placebogecontroleerde klinische onderzoeken.4 Het merendeel van de gepubliceerde onderzoeken betreft echter dierproeven, vrijwilligersonderzoeken, enkelblinde, niet-gecontroleerde of sequentiële onderzoeken of onderzoeken gepubliceerd in tijdschriften die geen systeem van 'peer review' kennen.

In dit artikel wordt eerst aandacht besteed aan het werkingsmechanisme van probiotica. Vervolgens komen de verschillende preparaten aan de orde. Daarna wordt nagegaan wat er bekend is over de werkzaamheid bij de genoemde claims, zoals dit uit gerandomiseerd, dubbelblind en gecontroleerd onderzoek naar voren komt. Als laatste komt het veiligheidsaspect van probiotica aan bod.

 


Terug naar boven

Antibiotica kunnen de stabiliteit van de intestinale microflora verstoren, waardoor (potentiële) pathogenen kans zien de darm binnen te dringen. Kolonisatieresistentie wordt beschouwd als een bruikbare maat om de intrinsieke stabiliteit van het intestinale ecosysteem te beschrijven. Kolonisatieresistentie is de weerstand die een micro-organisme ondervindt als deze het intestinale ecosysteem binnendringt (Gebu 1990; 24: 23-26). Een darm met een verstoorde microflora kan gemakkelijker worden gekoloniseerd, zodat het van klinisch belang is het intestinale ecosysteem tijdens antibioticumgebruik zo veel mogelijk te beschermen en/of te herstellen. Probiotica zouden onder meer de, door de antibioticumtherapie ontstane, bacteriearme plaatsen in de darm tijdelijk kunnen koloniseren, voordat (potentiële) pathogenen kunnen binnendringen en, eventueel, ziekte kunnen veroorzaken.5 Hierop berust het gebruik van probiotica bij de preventie van gastro-intestinale infecties en diarree.

 


Terug naar boven

Alle probiotische preparaten zijn geclassificeerd als voedingssupplement. Voor de consument zijn deze in de vorm van gefermenteerde of vergiste melkproducten, zoals yoghurt- en kwarksoorten, commercieel verkrijgbaar. De meeste overige preparaten worden met name via het alternatieve medische circuit verspreid. Men kan de probioticumpreparaten die op dit moment verkrijgbaar zijn als volgt classificeren:

  • Gefermenteerde melkproducten waarvan de starterculturen, dat zijn de bacteriën die nodig zijn voor het bereiden van het product, probiotische eigenschappen hebben. 
  • Melkzure bacterieculturen, met name Lactobacillen en Bifidobacteriën in een bacteriologisch bewaarmedium. 
  • Preparaten op basis van andere, niet-melkzure, culturen. 
  • Overige preparaten.     

Gefermenteerde melkproducten
Deze producten bevatten, naast de gebruikelijke starterculturen, bacteriën waaraan gezondheidsbevorderende eigenschappen worden toegeschreven. De bekendste probiotica die als gefermenteerd melkproduct op de markt verschijnen, zijn: Yakult®, Actimel® en Vifit®. Deze middelen staan ook bekend als 'trend yoghurts'. De meeste informatie is thans beschikbaar over Lactobacillus acidophilus GG. Deze stam wordt onder meer toegepast in Vifit®.

Melkzure bacterieculturen, met name Lactobacillen en Bifidobacteriën in een bacteriologisch bewaarmedium
Een voorbeeld van een probioticum uit deze grootste categorie is Orthiflor®. Een capsule van dit preparaat bevat minimaal 6x108  bacteriën van de volgende soorten, in ongeveer gelijke verhoudingen: Lactobacillus acidophilus, Bifidobacterium bifidum, Lactococcus lactis en Enterococcus faecium. Deze bacteriën maken normaal deel uit van de gastro-intestinale microflora. Van de bacteriën in dit preparaat zijn alleen onderzoeken naar het veronderstelde probiotische effect van Lactobacillus acidophilus en Bifidobacterium bifidum bekend.

Preparaten op basis van andere, niet-melkzure, culturen
Het preparaat Symbioflor I® valt binnen deze categorie, en bevat een niet-pathogene variant van Enterococcus faecalis (107/ml).

Overige preparaten
Een voorbeeld van een probioticum van deze categorie is Hylak forte®. Dit preparaat bevat per milliliter de metabolieten van 1x109 Lactobacillus helveticus, 1x107 Lactobacillus acidophilus en 8x107 Escherichia coli. Daarnaast bevat het 75 mg/ml lactaat en 50 mg/ml lactose. Hoewel dit product strikt genomen geen probioticum mag worden genoemd, kan het, gelet op de vermeende werking (suppressie van de groei van enteropathogenen door de productie van antibacteriële stoffen door probiotische bacteriestammen), wel als zodanig worden beschouwd.

Voorts zijn er preparaten met de gist Saccharomyces boulardii. Deze zijn niet in Nederland in de handel.

 


Terug naar boven

Antibioticum geassocieerde diarree is de meest frequent voorkomende bijwerking van antimicrobiële therapie. Het gaat gepaard met een toename van de hospitalisatieduur, hogere medische kosten en een verhoogd risico van andere nosocomiale infecties en mortaliteit. De dubbelblinde en placebogecontroleerde onderzoeken die bij deze indicatie zijn gepubliceerd, worden hieronder besproken. In een onderzoek bij 388 ambulante patiënten die gedurende ten minste vijf dagen tetracycline of een b -lactamantibioticum kregen, werd de effectiviteit van Saccharomyces boulardii bij de preventie van antibioticum geassocieerde diarree gedurende zeven dagen vergeleken met placebo. Bij personen die een probioticum kregen, trad antibioticum geassocieerde diarree significant minder vaak op (5%) dan bij placebo (17%).6 In een ander onderzoek bij 180 opgenomen patiënten die een nieuw antibioticumvoorschrift kregen, bleek dat hetzelfde probioticum na 28 dagen significant minder antibioticum geassocieerde diarree (8%) gaf dan placebo (22%).7 Naast onderzoeken met Saccharomyces boulardii werd het effect van de, meer gebruikelijke, melkzure probiotica op antibioticum geassocieerde diarree onderzocht. In een onderzoek bij 79 opgenomen patiënten die amoxicilline kregen, werd dit type diarree significant minder vaak gezien bij het gebruik van Lactobacillus acidophilus/bulgaricus dan bij placebo.8 In een ander onderzoek bij 38 patiënten werd daarentegen geen verschil gevonden in antibioticum geassocieerde diarree bij gebruik van Lactobacillus acidophilus/bulgaricus en placebo.9 In een onderzoek bij 45 patiënten met een niet-pathogene variant van Enterococcus faecium werd na zeven dagen eveneens geen significant verschil in frequentie van deze diarree gevonden in vergelijking met placebo.10

 


Terug naar boven

Clostridium difficile is een opportunistisch intestinaal pathogeen die zich met name vermenigvuldigt tijdens antibiotische therapie. Infecties met deze bacterie geven klachten van diarree, colitis, pseudomembraanvorming en toxisch megacolon, en leiden in ernstige gevallen tot de dood. De onderzoeken die zijn verricht naar de werkzaamheid van probiotica op het verloop van Clostridium difficile geassocieerde diarree betreffen vooral open onderzoeken.4 Er is één dubbelblind en placebogecontroleerd onderzoek verricht. Daarin werd bij een groep van 124 volwassen patiënten het effect van de toevoeging van Saccharomyces boulardii aan een behandeling met vancomycine of metronidazol onderzocht op de frequentie van Clostridium difficile geassocieerde diarree. In vergelijking met een placebobehandeling gaf de toevoeging van het probioticum significant minder recidieven van Clostridium difficile geassocieerde diarree (45% vs. 26%) gedurende de vervolgperiode van twee maanden.11 Gerapporteerde bijwerkingen van de behandeling met het probioticum waren dorst en lichte obstipatie. Geconcludeerd kan worden dat er een aanwijzing is dat Saccharomyces boulardii mogelijk werkzaam is bij de preventie van Clostridium difficile geassocieerde diarree.

 


Terug naar boven

In een dubbelblind en gerandomiseerd onderzoek bij 756 Finse toeristen in Turkije werd de effectiviteit van Lactobacillus casei GG vergeleken met placebo.12 De resultaten, die via een vragenformulier werden verzameld, toonden geen significante verschillen tussen beide middelen met betrekking tot de frequentie van diarree. In een subgroep bij personen die gedurende een week in een plaats verbleven, bleek Lactobacillus casei GG wel significant minder diarree te geven. Dit gold echter weer niet voor personen die twee weken in deze plaats verbleven. De betekenis van deze subgroepanalyse is onduidelijk.12

In een ander dubbelblind en gerandomiseerd onderzoek bij 3.000 Oostenrijkse toeristen die naar de (sub)tropen gingen, werd het effect van de inname van Saccharomyces boulardii (1000 of 250 mg/dag) op het voorkomen van reizigersdiarree vergeleken met placebo.13 Uiteindelijk bleken 1.016 personen het onderzoeksprotocol trouw te hebben gevolgd. De onderzoekers analyseerden de resultaten vervolgens via een 'per protocol'-analyse. Het bleek dat Saccharomyces boulardii in een dosering van 1000 mg per dag significant minder diarree gaf dan placebo (29% vs. 39%). Dit onderzoek bevat vele methodologische tekortkomingen, zoals een zeer grote uitval, geringe therapietrouw, geen 'intention to treat'-analyse en geen correctie voor regionale verschillen. Bovendien werd er geen rekening gehouden met co-interventies, die ruim 60% van de personen met diarree ondernamen.13

Voor beide genoemde onderzoeken geldt overigens dat er geen etiologische informatie over de diarree werd gegeven en dat er geen informatie beschikbaar was over het veroorzakende micro-organisme. Voorts is geen vergelijkend onderzoek gedaan met bijvoorbeeld loperamide. De aanwijzingen die de onderzoeken opleveren voor een mogelijk preventief effect van Lactobacillus casei GG of Saccharomyces boulardii op het ontstaan van reizigersdiarree zijn derhalve zwak.

 


Terug naar boven

Met Saccharomyces boulardii zijn enkele dubbelblinde en placebogecontroleerde onderzoeken uitgevoerd bij een aantal overige soorten diarree, waaronder HIV-gerelateerde diarree en acute diarree bij kinderen en volwassenen. In een onderzoek bij 35 HIV-patiënten met chronische diarree werd een groep patiënten gedurende zeven dagen behandeld met Saccharomyces boulardii.14 In vergelijking tot placebo werd bij deze groep patiënten significant vaker gezien dat de diarree stopte (56% vs. 6%).14 In een ander onderzoek bij een groep van 130 kinderen met acute diarree werd een significante afname van het aantal defecaties gevonden.15 Tevens waren significant meer patiënten hersteld na een behandeling van vier dagen met Saccharomyces boulardii dan met placebo.15 In een dubbelblind en gerandomiseerd onderzoek bij 92 volwassenen met acute diarree werd na een zevendaagse behandeling met hetzelfde probioticum geen verschil gevonden in het aantal defecaties en de consistentie van de feces in vergelijking met placebo.16 Na drie dagen werd wel een significant verschil ten gunste van Saccharomyces boulardii gevonden. De beoordeling van de therapie door zowel artsen als patiënten toonde op dag acht geen verschil tussen beide behandelingen.16

In een onderzoek bij 183 volwassenen met acute diarree ten gevolge van Vibrio cholerae en Escherichia coli werd geen significant verschil gevonden tussen een behandeling met Enterococcus faecium en placebo.17

In een onderzoek bij 50 kinderen jonger dan een jaar met Salmonella-gastro-enteritis bleek Hylak forte® ten opzichte van controlebehandeling de duur van de Salmonella-uitscheiding significant te bekorten.18 De interpretatie van dit gegeven is moeilijk, aangezien het onderzoek niet was gerandomiseerd.18

In een dubbelblind en gerandomiseerd onderzoek bij 55 kinderen van 5 tot 24 maanden die in een ziekenhuis waren opgenomen, werd het effect van een toevoeging van Bifidobacterium bifidum aan de gebruikelijke kindervoeding vergeleken met een controlebehandeling.19 Kinderen die borstvoeding kregen, werden van het onderzoek uitgesloten. Kinderen die voeding met de probiotische toevoeging kregen, hadden significant minder vaak diarree en tevens konden bij hen significant minder vaak rotavirussen uit de ontlasting worden gekweekt dan bij kinderen uit de controlegroep.19

Een onderzoek met Lactobacillus casei GG toonde in vergelijking met placebo een significant effect in het verminderen van de duur van acute diarree bij 71 jonge kinderen (2,4 vs. 1,4 dagen).20 Het merendeel van de diarree werd veroorzaakt door een virus.20 In een placebogecontroleerd en gerandomiseerd onderzoek bij 204 jonge ondervoede kinderen (6-24 mnd.) in Peru werd het effect van toediening van Lactobacillus GG op de preventie van diarree onderzocht.21 Kinderen die gedurende de onderzoeksperiode van 1,5 jaar zes dagen per week Lactobacillus GG kregen, hadden significant minder vaak diarree dan degenen die placebo kregen (5,2 vs. 6,0 diarree-episoden/kind/jaar). Het effect was met name merkbaar bij de oudere kinderen en beperkt tot degenen die geen borstvoeding kregen. De duur van de diarree-episoden en de oorzaken waren gelijk in beide groepen.21 In twee andere onderzoeken bij premature pasgeborenen bleek voeding met Lactobacillus GG22 of Lactobacillus acidophilus23 in staat de darm te koloniseren.

 


Terug naar boven

Lactose-intolerantie is een veel voorkomende aandoening onder Aziatische, Arabische en Afrikaanse populaties. De oorzaak van deze aandoening is waarschijnlijk een verminderd vermogen van de gastheer om lactase in de darm tot expressie te brengen. Het consumeren van bacteriën die lactase produceren, zoals Lactobacillen, zou de symptomen van deze intolerantie, namelijk diarree, flatulentie en pijn, kunnen verminderen.

Er is inmiddels een aantal gerandomiseerde en dubbelblinde onderzoeken gepubliceerd waarin het effect van de consumptie van levende Lactobacillen op het verloop van lactose-intolerantie werd vastgesteld. De in eerdere, niet-gecontroleerde, onderzoeken geclaimde positieve effecten van Lactobacillus acidophilus op het beloop en de ernst van lactose-intolerantie24 25 worden in de recente dubbelblinde onderzoeken echter niet gereproduceerd. In een onderzoek kregen 61 patiënten met een prikkelbare darmsyndroom en lactose-intolerantie, driemaal daags 240 ml melk aangezuurd met Lactobacillus acidophilus toegediend.26 De controlegroep kreeg alleen melk in dezelfde hoeveelheid. Metingen van de H2-concentratie in de uitademingslucht, als maat voor lactosedigestie, en de klinische symptomen bleken niet te verschillen tussen patiënten behandeld met een probioticum en placebo.26 Ook werden geen significante verschillen gevonden in maag-darmklachten tussen beide groepen. Andere onderzoeken waarin eveneens het effect van Lactobacillus acidophilus in een dubbelblinde onderzoeksopzet werd gemeten, gaven geen van alle een significant effect van dit probioticum op de symptomen en klachten van lactose-intolerantie.27 28

 


Terug naar boven

Geruime tijd werden yoghurtpreparaten, die Lactobacillen bevatten, gebruikt door vrouwen die recidiverende Candida-vaginitis doormaakten (Gebu 1998; 32: 1-8). Het beschikbare onderzoek bestaat vooral uit open onderzoek en niet-systematische overzichtsartikelen.4

In een gerandomiseerd en gekruist onderzoek bij 33 vrouwen met recidiverende Candida-vaginitis werd het effect onderzocht van de dagelijkse inname gedurende een jaar van yoghurt die Lactobacillus acidophilus bevatte.29 De patiënten fungeerden als hun eigen controles. De uitvoering van het onderzoek gaf problemen: 12 patiënten voldeden niet aan het onderzoeksprotocol en acht patiënten weigerden na zes maanden over te stappen van de interventiearm naar de controlearm. Er bleven dus 13 vrouwen over voor de analyse. De resultaten daarvan toonden significant minder infecties bij de vrouwen die in de zes maanden yoghurt gebruikten. Ook werd aangetoond dat de kolonisatie van de vagina met Candida significant was afgenomen in vergelijking met een controlebehandeling.

De beperkingen van dit onderzoek zijn duidelijk en het toont onvoldoende aan dat yoghurt die Lactobacillus-stammen bevat effectief is bij de preventie van recidiverende Candida-vaginitis.29 

 


Terug naar boven

In een gerandomiseerd onderzoek bij 41 jonge vrouwen met een urineweginfectie die werden behandeld met een driedaagse antibioticakuur, werd het effect van de toepassing van vaginale ovulae met Lactobacillus op het ontstaan van recidieven vergeleken met placebo.30 De vaginale zetpillen werden toegediend op dag drie van de antibioticakuur en in totaal gedurende zes maanden gebruikt. Van 31 patiënten konden de gegevens worden geanalyseerd. Er waren geen significante verschillen in het aantal recidieven van urineweginfecties tussen beide behandelingsgroepen.30

Vergelijkend en langetermijnonderzoek met antimicrobiële middelen ontbreekt. De conclusie is dat er geen bewijzen zijn voor de werkzaamheid van probiotica bij de preventie van recidieven van urineweginfecties. 

 


Terug naar boven

De claims voor een cholesterolverlagend effect van probiotica komen hoofdzakelijk uit in-vitro-experimenten, dierexperimenteel onderzoek of onderzoek bij gezonde vrijwilligers.31 32 Er is hierover geen dubbelblind gecontroleerd onderzoek gepubliceerd. Een bacteriesoort waarvan wordt beweerd dat deze de cholesterolspiegel in het bloed kan verlagen, is Lactobacillus acidophilus subsp. Gililand, welke onder meer wordt gebruikt bij de productie van Mona Fysique®. Deze bacterie bleek bij in-vitro-onderzoek cholesterol te kunnen accumuleren, maar dit effect was niet reproduceerbaar in een onderzoek van recenter datum met dezelfde bacterie maar dan in een tienmaal hogere dosis.32

 


Terug naar boven

Uit dierexperimenteel onderzoek is vast komen te staan dat diverse bacteriële enzymen afkomstig van de normale darmflora in staat zijn procarcinogenen in carcinogenen om te zetten. Bekende voorbeelden van deze enzymen zijn azo- en nitroreductase en b -glucuronidase. Een hypothese is dat probiotica in staat zouden zijn de bacteriën die verantwoordelijk zijn voor de omzetting van deze procarcinogenen, uit het ecosysteem van de darm te verdringen. Hierdoor zou de gastheer, als gevolg van verminderde blootstelling, een lager risico van ontwikkeling van colonkanker hebben. Bewijzen voor deze hypothese komen echter alleen uit dierexperimenteel onderzoek.33 Humane onderzoeken betreffen alleen het meten van de activiteit van de eerdergenoemde carcinogenen vóór, tijdens en na een probiotische therapie.34 Deze onderzoeken zijn alle niet gecontroleerd en bovendien geven ze slechts een indirecte indicatie van het risico van ontwikkeling van colonkanker.

 


Terug naar boven

Diverse auteurs rapporteren veranderingen in de concentratie en/of de activiteit van diverse biologische markeerders voor immunologische activiteit van het 'Gut Associated Lymphoid Tissue' (GALT).35 Ook hier geldt dat de meeste onderzoeken met proefdieren zijn gedaan. In een dubbelblind en gerandomiseerd onderzoek werd de werkzaamheid van Symbioflor I® bij 160 patiënten met chronisch recidiverende tonsillitis en verminderde afweer vergeleken met placebo.36 Het aantal recidieven en het aantal personen dat tijdens het onderzoek klachtenvrij werd en bleef, verschilden na zes maanden niet significant. Wel bleek dat patiënten behandeld met het probioticum na zes maanden een significant lagere totaalscore van klinische symptomen en klachten hadden dan de met placebo behandelde groep (96% vs. 68%). De betekenis van deze resultaten is onduidelijk: de etiologie van de aandoening wordt niet vermeld en wat onder het begrip verminderde afweer moet worden verstaan, is niet bekend.36

 


Terug naar boven

Sommige probiotica zijn onderdeel van de normale intestinale microflora en worden niet als pathogeen beschouwd. Van bepaalde micro-organismen is echter bekend dat zij incidenteel infecties veroorzaken bij mensen met een verminderde weerstand.37 Probiotica nestelen zich niet permanent in de darm van de gastheer. Ze zouden aan dezelfde eisen ten aanzien van toxiciteit, doseringen en farmacokinetiek behoren te voldoen als die aan reguliere geneesmiddelen worden gesteld. Er zijn vrijwel geen gegevens voorhanden over dosisafhankelijke effectiviteit, absorptie, distributie, metabolisme, excretie en duur van de effecten.4

Voorts kunnen bacteriën erfelijk materiaal uitwisselen, waaronder ook materiaal dat resistentiegenen bevat. Als dit heeft plaatsgevonden in probiotica die men als voedingssupplement tot zich heeft genomen, kunnen in theorie problemen ontstaan. Omdat geen van de probiotica is geregistreerd als geneesmiddel, vindt van overheidswege geen controle plaats op de samenstelling. Men is daarom volledig aangewezen op de kwaliteitscontrole van de fabrikant. Ten slotte wordt momenteel een discussie gevoerd over de wenselijkheid van de productie van genetisch gemodificeerde probiotica.

Samenvatting en conclusie
Probiotica zijn voedingssupplementen die levende micro-organismen bevatten. Verondersteld wordt dat het gebruik ervan de gezondheid van de gastheer verbetert, maar het exacte werkingsmechanisme is niet bekend. Het beschikbare onderzoek met probiotica bestaat vooral uit proefdier- en observationeel onderzoek, terwijl het effectiviteitsonderzoek veelal niet voldoet aan de normen die het gerandomiseerde, dubbelblinde en gecontroleerde onderzoek stelt. Er zijn verder vrijwel geen gegevens bekend over dosisafhankelijke effectiviteit, absorptie, distributie, metabolisme, excretie en duur van de effecten.

Op basis van het weinig adequate, gepubliceerde onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken. Uit enkele onderzoeken komt naar voren dat de inzet van probiotische therapie in de vorm van de gist Saccharomyces boulardii, dat overigens niet in Nederland in de handel is, tijdens antibioticum geassocieerde diarree een zinvolle therapeutische interventie kan zijn. Van de inzet van Lactobacillus bulgaricus en Enterococcus faecium bij deze indicatie zijn geen positieve effecten aangetoond. Voor de preventie van Clostridium difficile geassocieerde diarree is de inzet van probiotica mogelijk zinvol. Het is onvoldoende aangetoond dat Saccharomyces boulardii en Lactobacillus casei GG een preventief effect hebben op het ontstaan van reizigersdiarree. De aanwijzingen dat probiotica de duur van diarree bij patiënten met een HIV-infectie verkorten, zullen moeten worden bevestigd. Er zijn enkele aanwijzingen dat probiotica een gunstig effect hebben bij de preventie of behandeling van diarree bij jonge kinderen. De klinische relevantie van de gevonden effecten lijkt vooralsnog gering, aangezien het merendeel van deze aandoeningen vanzelf overgaat. Bij heel jonge kinderen en bij ondervoeding zijn deze effecten mogelijk wel klinisch relevant. Nader onderzoek zal dit moeten uitwijzen.

De klinische betekenis en relevantie van de bij proefdieren vastgestelde verlaging van de carcinogene activiteit van de darminhoud voor de preventie van colonkanker bij de mens, moet nader worden onderzocht.

Voor de overige geclaimde effecten van probiotica, met name het bekorten van de duur van Salmonella-uitscheiding bij Salmonella-gastro-enteritis bij pasgeborenen, de preventie van recidieven van urineweginfecties en Candida-vaginitis, de vermindering van de symptomen van een lactose-intolerantie, de stimulatie van het immuunsysteem en de verlaging van de serumcholesterolconcentratie, bestaat op dit moment geen of onvoldoende onderbouwing.

Merknaam® Rekenvoorbeeld Prijs
Hylak forte N druppels  50 ml  19,95 
Orthica Orthiflor capsule  60 st  37,50 
Orthica Orthiflor jr. poeder  70 g  53,- 
Orthica Orthiflor plus sachets  30 st  65,- 

Deze middelen zijn niet geregistreerd als geneesmiddel en worden daarom niet vergoed
Bron: KNMP-taxe augustus 1999, verkoopprijzen incl. BTW.

Overige stofnamen Merknamen®
loperamide  merkloos, div. fabr., Diacure, Diarem, Diarreeremmer, Imodium 
metronidazol  merkloos, div. fabr., Flagyl 
tetracycline  merkloos, div. fabr., Tetracycline FNA 
vancomycine  merkloos, div. fabr., Vancocin 


  1. Fuller R. Probiotics in man and animals. J Appl Bacteriol 1989; 66: 365-378. 
  2. Fuller R (ed.). Probiotica, the scientific basis. London: Chapman & Hall, 1992. 
  3. Strausbaugh LJ, Jacobsen C, Yost T. Methicillin-resistant Staphylococcus aureus in a nursing home and affiliated hospital: a four-year perspective. Infect Control Hosp Epidemiol 1993; 14: 331-336. 
  4. Elmer GW, Surawicz CM, McFarland LV. Biotherapeutic agents: a neglected modality for the treatment and prevention of selected intestinal and vaginal infections. JAMA 1996; 275: 870-876. 
  5. Freter R. Experimental enteric Shigella and Vibrio infection in mice and guinea pigs. J Inf Dis 1962; 111: 107-116. 
  6. Adam J, Barret A, Baret-Bellet C. Essais cliniques contrôlés et double insu de l'ultra-levure lyophylisée: étude multicentrique par 25 médicins de 338 cas. Gazette Med France 1977; 84: 2072-2087. 
  7. Surawicz CM, Elmer GW, Speelman P, McFarland LV, Chinn J, Belle G van. Prevention of antibiotic-associated diarrhea by Saccharomyces boulardii: a prospective study. Gastroenterology 1989; 96: 981-988. 
  8. Orrhage K, Brismar B, Nord CE. Effects of supplements of Bifidobacterium longum and Lactobacillus acidophilus on the intestinal microbiota during administration of clindamycin. Microb Ecology Health Disease. 1994; 7: 17-25. 
  9. Tankanow RM, Ross MB, Ertel IJ, Dickinson DG, McCormick LS, Garfinkel JF. A double-blind placebo-controlled study of the effect of Lactinex in the prophylaxis of amoxicillin-induced diarrhea. DICP 1990; 24: 382-384. 
  10. Wünderlich PF, Braun L, Fumagalli I, D'Apuzzo V, Heim F, Karly M et al. Double-blind report on the efficacy of lactic acid-producing Enterococcus SF68 in the prevention of antibiotic-associated diarrhoea and in the treatment of acute diarrhoea. J Int Med Res 1989; 17: 333-338. 
  11. McFarland LV, Surawicz CM, Grenberg RN. A randomized placebo-controlled trial of Saccharomyces boulardii in combination with standard antibiotics for Clostridium difficile disease. JAMA 1994; 142: 64-65. 
  12. Oksanen PJ, Salminen S, Saxelin M, Hämäläinen P, Ihantola-Vormisto A, Muurasniemi-Isoviita L et al. Prevention of travellers' diarrhoea by Lactobacillus GG. Ann Med 1990; 22: 53-56. 
  13. Kollaritsch H, Holst H, Grobara P, Wiedermann G. Prophylaxe der Reisediarrhöe mit Saccharomyces boulardii. Fortschr Med 1993; 111: 153-156. 
  14. Saint-Marc T, Rosselo-Prats L, Touraine JL. Efficacité de Saccharomyces boulardii dans le traitement des diarrhées de SIDA. Ann Med Interne (Paris) 1991; 142: 64-65. 
  15. Cetina-Sauri G, Basto GS. Evaluacion terapéutica de Saccharomyces boulardii en ninos con diarrea aguda. Tribuna Med 1989; 56: 111-115. 
  16. Höchter W, Chase D, Hagenhoff G. Saccharomyces boulardii bei actueler Erwachsenendiarrhoe: Wirksamheit und Verträglichkeit der Behandlung. Münch Med Wschr 1990; 132: 188-192. 
  17. Mitra AK, Rabbani GH. A double-blind, controlled trial of bioflorin (Streptococcus faecium SF68) in adults with diarrhea due to Vibrio cholerae and enterotoxigenic Escherichia coli. Gastroenterology 1990; 99: 1149-1152. 
  18. Rudowski Z, Bromirska J. Verkürzung der Salmonellenausscheidungsdauer bei Säuglingen mit Hylak forte. Pädiat und Pädol 1991; 26: 111-114. 
  19. Saavedra JM, Bauman NA, Oung I, Perman JA, Yolken RH. The feeding of Bifidobacterium bifidum and Streptococcus thermophilus to infants in hospital for prevention of diarrhoea and shedding of rotavirus. Lancet 1994; 344: 1046-1049. 
  20. Isolauri E, Juntunen M, Rautanen T, Sillanaukee P, Koivula T. A human Lactobacillus strain (Lactobacillus casei sp strain GG) promotes recovery from acute diarrhea in children. Pediatrics 1991; 88: 90-97. 
  21. Oberhelman RA, Gilman RH, Sheen P, Taylor DN, Black RE, Cabrera L et al. A placebo-controlled trial of Lactobacillus GG to prevent diarrhea in undernourished Peruvian children. J Pediatr 1999; 134: 15-20. 
  22. Reuman PD, Duckworth DH, Smith KL, Kagan R, Bucciarelli RL, Ayoub EM. Lack of effect of Lactobacillus on gastrointestinal bacterial colonization in premature infants. Pediatr Infect Dis 1986; 5: 663-668. 
  23. Millar MR, Bacon C, Smith SL, Walker V, Hall MA. Enteral feeding of premature infants with Lactobacillus GG. Arch Dis Child 1993; 69: 483-487. 
  24. Alm L. Effect of fermentation on lactose, glucose and galactose content in milk and suitability of fermented milk products for lactose individuals. J Dairy Sci 1982; 65: 346-352. 
  25. Kilara A, Shahani KM. Lactose activity of cultured and acidified dairy products. J Dairy Sci 1976; 2031-2035. 
  26. Newcomer AD, Park HS, O'Brien PC, McGill DB. Response of patients with irritable bowel syndrome and lactase deficiency using unfermented acidophilus milk. Am J Clin Nutr 1983; 38: 257-263. 
  27. Saltzman JR, Russel RM, Golner B, Barakat S, Dallal, GE, Goldin BR. A randomized trial of Lactobacillus acidophilus BG2F04 to treat lactose intolerance. Am. J. Clin. Nutr. 1999; 69: 140-146. 
  28. Vesa TH, Marteau P, Zidi S, Briet F, Pochart P, Rambaud JC. Digestion and tolerance of lactose from yoghurt and different semi-solid fermented diary products containing Lactobacillus acidiphilus and bifidobacteria in lactose maldigesters: is bacteria lactase important? Eur J Clin Nutr 1996; 50: 730-733. 
  29. Hilton E, Isenberg HD, Alperstein P, France K, Borenstein MT. Ingestion of yoghurt containing Lactobacillus acidophilus as prophylaxis for candidal vaginitis. Ann Int Med 1992; 116: 353-357. 
  30. Reid G, Bruce AW, Taylor M. Influence of three-day antimicrobial therapy and lactobacillus vaginal suppositories on recurrence of urinary tract infections. Clin Ther 1992; 14: 11-16. 
  31. Hepner G, Fried R, St Jeor S, Fusetti L, Morin R. Hypocholestermic effect of yogurt and milk. Am J Clin Nutr 1979; 32: 19-24. 
  32. Fletcher JM. Possible health benefits of consuming probiotic bacteria. In: Gaukel V, Spiess WEL (eds.). Proceedings Karlsruhe Nutrition Symposium 1998; 1: 127-138. 
  33. Goldin BR, Gorbach SL. Effect of Lactobacillus acidophilus dietary supplements on 1,2-dimethylhdrazine dihydrochloride-induced intestinal cancer in rats. J Natl Cancer Inst 1980; 64: 263-265. 
  34. Goldin BR, Gorbach SL. The effect of milk and Lactobacillus feeding on human intestinal bacterial enzyme activity. Am J Clin Nutr 1984; 39: 756-761. 
  35. Perdigon S, Alvarez S, Nader de Macias ME, Medici M. Effect of lactic acid bacteria orally administered and of yogurt on the immune system. In: John Libby (ed.). Les Laits Fermentes. London: 1989. 
  36. Kalinski S. Steigerung der körpereigenen Abwehr bei chronisch rezidievierender Tonsillitis. Fortschr Med 1986; 104: 843-846. 
  37. Macfarlane GT, Cummings JH. Probiotics and prebiotics: can regulating the activities of intestinal bacteria benefit health? BMJ 1999; 318: 999-1003.

Auteurs

  • prof. dr J.E. Degener, dr G.J. Jansen