Preventieve postmenopauzale oestrogeensuppletie


Onder medeverantwoordelijkheid van de redactiecommissie

Positieve effecten van hormonale suppletietherapie op de preventie van cardiovasculaire aandoeningen, ziekte van Alzheimer en postmenopauzale osteoporose zijn veelal ontleend aan observationeel onderzoek. Met het beschikbaar komen van resultaten uit gerandomiseerd en gecontroleerd onderzoek worden deze positieve effecten niet bevestigd. Met de al bekende nadelige effecten van hormonale suppletietherapie op endometrium-, mamma- en recentelijk ook ovariumcarcinoom, en die op trombo-embolische processen dient de balans van werkzaamheid en bijwerkingen opnieuw te worden opgemaakt (Gebu 2001; 35: 71-77).

 


Terug naar boven

Voor de behandeling van typische overgangsklachten zijn oestrogenen effectieve middelen (Gebu 1994; 28: 1-3). Van oestrogenen worden voorts, op basis van de resultaten van observationele onderzoeken, positieve effecten verondersteld op het gebied van preventie van cardiovasculaire aandoeningen, ziekte van Alzheimer en postmenopauzale osteoporose. Nadelige effecten betreffen voornamelijk de invloed van oestrogenen op de ontwikkeling van endometrium- en mammacarcinoom, en de invloed van oestrogenen en progestagenen op de ontwikkeling van trombo-embolische processen. De resultaten van observationeel onderzoek kunnen echter vertekend zijn (zie kader verderop). Er bestond dan ook behoefte aan gerandomiseerd (dubbelblind) en gecontroleerd onderzoek naar de effecten van oestrogenen ten opzichte van de besproken aandoeningen.1 In de afgelopen jaren is in deze behoefte voorzien met diverse onderzoeken, waardoor de balans van effectiviteit en bijwerkingen van preventief oestrogeengebruik voorlopig opnieuw kan worden bepaald (in dit artikel wordt hiervoor verder de afkorting HST gebruikt: hormonale suppletietherapie). Van de genoemde aandoeningen kan de bewijskracht ('level of evidence')2 van de gevonden effecten worden vergeleken met de in tabel 1 aangegeven indeling. De belangrijkste effecten en bijwerkingen zijn in tabel 2 weergegeven. Recent verscheen een artikel over de (geringe) gezondheidswinst die met preventief hormoongebruik valt te behalen in Nederland.3
In dit artikel worden de voor- en nadelen van preventieve oestrogeensuppletie na de fysiologische menopauze besproken, waarbij de behandeling van typische overgangsklachten achterwege blijft. Achtereenvolgens komen aan de orde: pathofysiologie, middelen en voorschriften, de effectiviteit van preventie en vervolgens de nadelige effecten. Ten slotte wordt een plaatsbepaling gegeven.

Historie en interpretatie van onderzoek met oestrogenen.
De opvattingen over het effect van oestrogenen zijn in de loop van de tijd nogal aan verandering onderhevig geweest.4 In de periode rond 1960 tot 1970 hoopte men dat oestrogenen een beschermend effect op hart- en vaatziekten hadden. Toen volgde klinisch onderzoek met oestrogenen bij mannen, waarvan de resultaten zeer nadelig waren. Daarna dacht men dat oestrogenen meer kans op hartziekten gaven (vandaar dat artsen ze niet meer voorschreven bij vrouwen met risicofactoren). Het daarop volgende onderzoek wekte de indruk dat oestrogenen toch een beschermend effect hadden. Daarna volgden weer nieuwe klinische onderzoeken.
Vanaf de eerste onderzoeken die een mogelijk gunstig effect van oestrogenen op hart- en vaatziekten vonden, bestond er twijfel over de interpretatie van de resultaten: waren gebruiksters en niet-gebruiksters van oestrogenen na de menopauze wel vergelijkbaar wat de cardiale risicofactoren betreft?5 Verschillende onderzoekers wezen erop dat er mogelijkheden waren tot selectie en zelfselectie. Zelfselectie omdat in de VS, waar het meeste onderzoek is verricht, vooral hoger opgeleide vrouwen oestrogenen gebruikten. Deze vrouwen toonden globaal een meer gezondheidsbewust gedrag. Selectie door artsen, omdat in de tijd dat de onderzoeken werden verricht het standpunt nog was dat het gebruik van oestrogenen uit den boze was bij risicofactoren voor hart- en vaatziekten. De vraag bleef bestaan of men via eenvoudige observationele vergelijking en door gebruik te maken van statistische controle voor vertekende factoren, deze verschillen werkelijk kon wegwerken. Er bestond dan ook behoefte aan gerandomiseerd dubbelblind en gecontroleerd onderzoek naar de effecten van oestrogenen ten opzichte van de besproken aandoeningen.1 In de afgelopen jaren is in deze behoefte voorzien met diverse onderzoeken, waardoor de balans van effectiviteit en bijwerkingen van HST voorlopig opnieuw kan worden bepaald.

 


Terug naar boven

De menopauze is gedefinieerd als de datum van de laatste menstruatie en wordt retrospectief vastgesteld na 12 maanden amenorroe. In het ovarium zijn dan geen te stimuleren follikels meer aanwezig en hiermee valt de fysiologische prikkel voor de productie van oestrogenen weg. Het ovarium blijft nog in geringe mate oestron produceren. Voorts wordt in het perifere vetweefsel, de lever en de huid androsteendion, voornamelijk afkomstig uit de bijnierschors, omgezet in oestron. Hiermee komt een, interindividueel wisselende, endogene oestrogeenproductie tot stand. De nettoproductie van testosteron neemt postmenopauzaal ongeveer met 15% af.
Er is geen exact pathofysiologisch concept, dat de preventieve werking van oestrogenen op de lange termijn ondersteunt. Wel worden de effecten op het botmetabolisme van belang geacht: na de menopauze verschuift het evenwicht tussen botopbouw en botafbraak in de richting van botafbraak. Hierdoor zal een verhoogd risico van osteoporose en fracturen ontstaan. Ten slotte zou de beschermende werking van oestrogenen op het ontstaan van arteriële ziekten, zoals myocardinfarct en cerebrovasculaire accidenten, wegvallen.

 



Terug naar boven

Cardiovasculaire aandoeningen (en totale mortaliteit). Observationeel onderzoek. Op basis van de resultaten van diverse observationele onderzoeken wordt verondersteld dat het gebruik van hormonale suppletie bij vrouwen na de menopauze een reductie van het relatieve risico van arteriële cardiovasculaire aandoeningen geeft (relatieve risicoreductie (RRR) 40%). Met name de 'Nurses' Health Study', waarbij meer dan 70.000 postmenopauzale vrouwen waren betrokken en de vervolgduur 20 jaar was, wees en wijst hier nog regelmatig op.8 9 In een drietal meta-analysen van patiëntcontrole-, cohort- en observationele onderzoeken werd wederom gesuggereerd dat er bij vrouwen die oestrogenen gebruiken een significante risicoreductie (RRR 35-50%) optrad ten aanzien van de primaire preventie van cardiovasculaire aandoeningen in vergelijking met vrouwen die geen oestrogenen gebruikten.10-12 In een recente meta-analyse werd een relatief risico van arteriële aandoeningen berekend van 0,70 (95% BI=0,65-0,75) voor vrouwen die ooit oestrogenen gebruikten in vergelijking met vrouwen die nooit oestrogenen hadden gebruikt.13 De meeste vrouwen die in deze meta-analyse waren opgenomen, waren vrouwen van het Kaukasische ras uit Engelstalige landen (vnl. VS). In de meta-analyse werd ook nog apart bekeken wat het risico was van het gebruik van oestrogenen in combinatie met progestagenen (meestal medroxyprogesteron).13  De berekende relatieve risicoreductie bedroeg 0,66 (95%BI=0,53-0,84).
In een patiëntcontroleonderzoek (een onderdeel van de Nurses’ Health Study) werd de associatie onderzocht tussen postmenopauzaal hormoongebruik en totale mortaliteit.14 Het huidig gebruik van hormonale suppletie was geassocieerd met vermindering van de mortaliteit ongeacht de oorzaak. De grootte van het effect nam af bij langduriger gebruik. Een subgroep van vrouwen met één of meer risicofactoren voor cardiovasculaire aandoeningen genoot het grootste voordeel.14
In een overzichtsartikel worden 19 onderzoeken (patiëntcontrole-, gecontroleerde en ongecontroleerde cohortonderzoeken) besproken die de relatie tussen postmenopauzale HST en cerebrovasculaire accidenten (CVA’s) onderzochten.15 Gebruiksters van hormonale suppletie hadden in vergelijking met niet-gebruiksters een risicoreductie van 20-60% op het eindpunt mortaliteit na CVA. De invloed van HST op nieuwe CVA’s en subarachnoïdale bloedingen was tegenstrijdig. Nader onderzoek naar het effect van de dosering en de duur van HST is gewenst.15
Interventieonderzoek. In de afgelopen jaren zijn diverse resultaten uit gerandomiseerd en gecontroleerd onderzoek, alsmede uit meta-analysen van dergelijk onderzoek, ter beschikking gekomen.
In de eerste meta-analyse, die gegevens uit 23 onderzoeken van beperkte omvang en duur (>3 mnd en <3 jaar) bij ruim 7.000 vrouwen over de periode 1985-1995 samenvatte, werden met name effecten van hst gezonde postmenopauzale onderzocht op cardiovasculaire ziekten.16 Geen enkele uitkomst (hartstilstand, CVA, 'transient ischaemic attack' (TIA), myocardinfarct, diepveneuze trombose, longembolie, (trombo)flebitis) was significant geassocieerd met HST. Het relatieve risico (benaderd door de OR) van cardiovasculaire aandoeningen voor vrouwen die hormonen gebruikten in vergelijking met vrouwen die geen hormonen gebruikten, was 1,39 (95%BI=0,48-3,95). Deze resultaten staan dus haaks op de uitkomsten van observationele onderzoeken. Methodologisch zwakkere punten in deze meta-analyse waren het geringe aantal patiënten in de onderzoeken en het feit dat de onderzochte uitkomstmaten niet de primaire maten in de desbetreffende onderzoeken vormden.16
Recent zijn drie gerandomiseerde en gecontroleerde onderzoeken gepubliceerd naar de (primaire en) secundaire preventie van cardiovasculaire aandoeningen met oestrogenen.17-19
Het eerste, dubbelblinde, onderzoek betrof 2.763 postmenopauzale vrouwen van 44 tot 79 jaar (gem. 67 jaar) met aangetoonde coronaire hartziekten die werden gerandomiseerd over HST (geconjugeerde oestrogenen 0,625 mg plus medroxyprogesteronacetaat 2,5 mg) en placebo (Heart and Estrogen/progestin Replacement Study (HERS)).17 De vervolgduur bedroeg 4,1 jaar. De primaire uitkomstmaat was een niet-fataal myocardinfarct en mortaliteit toegeschreven aan coronaire hartziekten. Secundaire uitkomstmaten waren coronaire 'bypass'-chirurgie, percutane coronaire revascularisatie, instabiele angina pectoris, decompensatio cordis, CVA, TIA, mortaliteit ongeacht de oorzaak en bijwerkingen. Beide groepen verschilden na 4,1 jaar niet op de primaire uitkomstmaat. Op de meeste secundaire uitkomstmaten waren evenmin verschillen tussen beide groepen, behoudens veneuze trombo-embolieën en galblaasaandoeningen, die significant vaker voorkwamen bij vrouwen die HST ontvingen.
Het tweede onderzoek betrof 309 postmenopauzale vrouwen met angiografisch bevestigde coronaire hartziekten.18 Na drie jaar behandeling met oestrogeen, oestrogeen plus medroxyprogesteron of placebo werden geen verschillen ten aanzien van, de angiografische bevestigde, progressie van coronair atherosclerose gevonden.
Van het derde onderzoek, de 'Women’s Health Initiative', waarin tienduizend gezonde vrouwen van middelbare leeftijd zonder hart- en vaatziekten werden gerandomiseerd voor een behandeling met preventief hormoongebruik of niet, bestaan alleen nog maar voorlopige gegevens.19 In de eerste twee jaar van het onderzoek dat tot 2007 zal voortduren, vond men een substantieel verhoogd risico van arteriële accidenten bij vrouwen die hormonale suppletie gebruikten.
Conclusie. Gerandomiseerd en gecontroleerd onderzoek heeft de door observationele onderzoeken gesuggereerde beschermende werking van oestrogenen, al dan niet in combinatie met progestagenen, op de secundaire preventie van hart- en vaatziekten, niet kunnen bevestigen. De effecten van HST op de primaire preventie en op de totale mortaliteit zijn nog niet onderzocht.
Ziekte van Alzheimer. Uit twee systematische literatuuroverzichten kwamen aanwijzingen dat oestrogenen, al dan niet in combinatie met progestagenen, mogelijk bescherming bieden tegen het optreden en de progressie van de ziekte van Alzheimer.20 21 Deze beide overzichten bevatten vooral observationele onderzoeken of gerandomiseerd onderzoek van beperkte omvang en duur.
De meest recente meta-analyse, van zowel observationele als interventieonderzoeken, leverde op dat HST bij vrouwen met overgangsklachten, verbetering geeft met betrekking tot geheugen, waakzaamheid, redeneervermogen en snelheid van handelen, maar geen invloed heeft op andere cognitieve functies.22 Bij vrouwen zonder overgangsklachten werd geen effect van HST gevonden. De auteurs tekenen aan dat veel onderzoeken tekortkomingen tonen, die de interpretatie bemoeilijken.
In de behoefte aan gerandomiseerd dubbelblind en gecontroleerd onderzoek werd recent voorzien door een onderzoek bij 120 postmenopauzale vrouwen met een lichte tot matig ernstige vorm van de ziekte van Alzheimer, bij wie de effectiviteit van geconjugeerde oestrogenen 0,625 mg per dag werd vergeleken met placebo.23  Na één jaar behandeling bleek dat er bij vrouwen die oestrogenen hadden gekregen, geen sprake was van vertraging van het dementeringsproces. Ook de cognitieve en functionele uitkomsten en de globale klinische indruk waren niet verbeterd.23
In een ander gerandomiseerd dubbelblind onderzoek werd bij 7.478 postmenopauzale vrouwen (gem. leeftijd 66 jaar) het effect van raloxifen (60 en 120 mg/dag) vergeleken met placebo op de cognitieve functie.24 Het betrof hier dus de primaire preventie van de ziekte van Alzheimer. Na drie jaar behandeling bleek de afname van de cognitieve functie bij vrouwen die waren behandeld met raloxifen of met placebo niet significant te verschillen.
Conclusie. Er zijn geen bewijzen uit gerandomiseerd en gecontroleerd onderzoek dat oestrogenen een positief effect hebben op de primaire en secundaire preventie van de ziekte van Alzheimer.
Postmenopauzale osteoporose. Er zijn diverse observationele onderzoeken, zowel patiëntcontrole-25 26 als cohortonderzoeken27-29, gepubliceerd naar het preventieve effect van oestrogenen (Gebu 1996; 30: 99-107). Indien binnen vijf jaar na het begin van de menopauze met HST wordt begonnen en deze ten minste vijf jaar wordt voortgezet, blijkt hierdoor de incidentie van osteoporotische fracturen van zowel heup als wervel gemiddeld met 30-50% af te nemen.

In gerandomiseerd en gecontroleerd onderzoek worden de positieve effecten van oestrogeengebruik op preventie van hart- en vaatziekten en de ziekte van Alzheimer niet bevestigd. 

De resultaten van enkele gerandomiseerde en gecontroleerde onderzoeken van korte duur, toonden dat HST een lage botdichtheid verbeterde en, in het geval van preventief gebruik, botverlies na de menopauze kon voorkomen.30-33 Vervolgens zijn er enkele gerandomiseerde en gecontroleerde onderzoeken verricht waarbij patiënten gedurende vijf34 en tien35 jaar werden gevolgd. De resultaten toonden dat bij HST een significante afname van niet-vertebrale fracturen34 en het voorkomen van afname van de botdichtheid35, beide in vergelijking met placebo. Gezien de kleine aantallen patiënten die in deze onderzoeken werden opgenomen, is het onduidelijk of een verbeterde botdichtheid ook resulteert in een belangrijke afname van osteoporotische fracturen van met name de heup.


'Level of evidence'  Therapie-onderzoek*
1a systematisch literatuuroverzicht van gerandomiseerd en gecontroleerd onderzoek (met consistente resultaten) 
1b afzonderlijk gerandomiseerd en gecontroleerd onderzoek met een smal 95%-betrouwbaarheidsinterval 
1c 'alles of niets'-onderzoek 
2a systematisch literatuuroverzicht van cohortonderzoeken of patiëntcontroleonderzoeken (met consistente resultaten) 
2b een gerandomiseerd onderzoek van minder goede kwaliteit of een cohort- of patiëntcontroleonderzoek 
2c 'outcomes-research' (registratie, beschrijvend onderzoek) 
3 patiëntenserie, of een cohort- of patiëntcontroleonderzoek van slechte kwaliteit 
4 mening van deskundigen of 'algemeen aanvaard' handelen 

* NB. Deze indeling geldt niet voor het onderzoek naar bijwerkingen. Daarvoor is met name het patiëntcontroleonderzoek geschikt (Gebu 1999; 33: 127-134).

Het beschermende effect van oestrogenen is 5-10 jaar na het staken weer verdwenen. Voorts is gebleken dat de (langetermijn)therapietrouw slecht tot zeer slecht is.36 In de praktijk betekent dit dat vrouwen gedurende enkele decennia deze middelen moeten gebruiken om het risico van osteoporotische fracturen op hoge leeftijd te reduceren. De NHG-Standaard Osteoporose adviseert dan ook om geen oestrogenen te gebruiken voor de preventie van osteoporose.37 De CBO-consensus stelt dat indien medicamenteuze behandeling van vroeg postmenopauzaal botverlies is aangewezen, het gebruik van oestrogenen tot de mogelijkheden behoort.38 Daarbij wordt met name gedacht aan secundaire osteoporose.

 


Terug naar boven

Mammacarcinoom. Exogene oestrogeentoediening bij postmenopauzale vrouwen, al dan niet in combinatie met progestagenen, wordt beschouwd als een risicofactor voor het ontwikkelen van mammacarcinoom. De grootte van het risico is gerelateerd aan de duur van het gebruik. Uit enkele meta-analysen van (kortdurende) observationele onderzoeken komt naar voren dat er geen verhoogd risico van mammacarcinoom is bij vrouwen die oestrogenen gebruiken in vergelijking met niet-gebruiksters.39 40 Een meta-analyse van langetermijnonderzoeken (5-10 jaar en langer) berekende een RR van 1,32 (95%BI=1,16-1,51) op het krijgen van mammacarcinoom bij langdurig oestrogeengebruik.13
Uit een analyse van ruim 50 observationele onderzoeken met meer dan 160.000 vrouwen, kwam naar voren dat het huidige gebruik van hormonale suppletie of daarmee 1-4 jaar geleden te zijn gestopt, een relatief risico van het krijgen van mammacarcinoom geeft van 1,023 (95%BI=1,011-1,036) voor elk jaar van gebruik.41 Het vijf jaar of langer gebruiken van hormonale suppletie levert een hoger RR op, namelijk van 1,35 (95%BI=1,21-1,49). De resultaten bleken niet afhankelijk van de dosering, maar er waren weinig gegevens over de dosering bij langdurig gebruik. Vijf of meer jaren na het staken van HST was er geen sprake meer van een verhoogd relatief risico. Bij vrouwen die nooit hormonale suppletie hebben gebruikt, stijgt na de menopauze jaarlijks het RR van mammacarcinoom met 1,028 (95%BI=1,021-1,034).41 Toediening van alleen oestrogenen laat, evenals gecombineerde oestrogeen-progestageentoediening, het RR eveneens stijgen: respectievelijk 1,2 (95%BI=1,0-1,4) en 1,4 (95%BI=1,1-1,8).42 Resultaten van de Nurses' Health Study toonden vergelijkbare risicostijgingen bij gecombineerd gebruik.43
Het al besproken patiëntcontroleonderzoek, gebaseerd op de Nurses' Health Study, onderzocht ook de associatie tussen postmenopauzaal hormoongebruik en mortaliteit ten gevolge (van alle soorten) kanker.14 Het huidig gebruik van hormonale suppletie was geassocieerd met vermindering van de mortaliteit ongeacht de oorzaak. De grootte van het effect nam af bij langduriger gebruik. Opmerkelijk was dat in deze analyse het relatieve risico van mammacarcinoom 0,76 was (95%BI=0,56-1,02).14
In de reeds besproken meta-analyse van gecontroleerde klinische onderzoeken (periode 1985-november 1995), zijn naast de effecten van HST bij postmenopauzale vrouwen op cardiovasculaire ziekten, ook de effecten hiervan op kanker onderzocht.16 Relevante uitkomstmaten waren mamma-, uterus-, cervix- en andere carcinomen. Geen enkele uitkomst was significant geassocieerd met HST.
Conclusie. Aanwijzingen voor een verhoogd risico van borstkanker bij langdurig gebruik van hormonale suppletie komen alle uit observationele onderzoeken. De resultaten van deze onderzoeken kunnen zijn vertekend doordat hormonale suppletie werd voorgeschreven aan vrouwen met een laag risicoprofiel, namelijk pas nadat een mammografie was verricht en was gebleken dat de familieanamnese negatief was. De meeste vertekenende factoren zouden, zo wordt aangenomen, het werkelijke risico kunnen verhogen. Van belang is om op te merken dat progestagenen geen beschermend effect hebben op de ontwikkeling van mammacarcinoom, zoals wel is aangetoond bij de ontwikkeling van endometriumcarcinoom.

Tabel 2. Overzicht van de belangrijkste onderzoeken met de hoogste level of evidence over positieve en nadelige effecten van HST (zie download-document) Ovariumcarcinoom. In een meta-analyse, van voornamelijk patiëntcontroleonderzoeken, werd de vraag onderzocht of postmenopauzale HST het risico van invasief epitheelcelcarcinoom van het ovarium vergroot.44 De resultaten toonden dat het ooit hebben gebruikt van, of het meer dan tien jaar hebben gebruikt van hormonale suppletie was geassocieerd met een verhoogd risico van invasief ovariumcarcinoom (resp. RR 1,15 [95%BI=1,05—1,27] en RR 1,27 [95%BI=1,00—1,61]). Volgens sommigen hebben de auteurs niet alle beschikbare literatuur voor hun meta-analyse gebruikt.

HST geeft een verhoogd risico van mamma- en ovariumcarcinoom en trombo-embolische processen. 

Recent werden de resultaten gepubliceerd van een prospectief observationeel onderzoek (1982-1996) waarbij meer dan 200.000 postmenopauzale vrouwen waren betrokken.45 Het relatieve risico van overlijden ten gevolge van ovariumcarcinoom voor vrouwen die aan het begin van het onderzoek hormonale suppletie gebruikten, in vergelijking met niet-gebruiksters, was 1,51 (95%BI=1,16-1,96). Het risico nam toe met de duur van het gebruik. Hormonale suppletie van tien jaar of langer was geassocieerd met een RR 2,20 (95%BI=1,53-3,17). Het gedurende 10 jaar of langer hebben gebruikt van hormonale suppletie (=vroeger gebruik) was geassocieerd met een RR 1,59 (95%BI=1,13-2,25).
Endometriumcarcinoom. Uit een meta-analyse van meer dan 30 observationele onderzoeken die het effect van oestrogenen (zonder progestagenen) onderzochten, bleek dat deze in sterke mate waren geassocieerd met een verhoogd risico van endometriumcarcinoom.46 Het risico neemt toe met de dosis en de duur van het gebruik. Na tien jaar gebruik is het risico met een factor tien verhoogd.
Atypische endometriumhyperplasie wordt beschouwd als een geaccepteerde surrogaatparameter voor het risico van het ontwikkelen van endometriumcarcinoom.13 Uit een recente meta-analyse van 18 gerandomiseerde en gecontroleerde onderzoeken, blijkt dat het risico van het ontwikkelen van endometriumhyperplasie bij matig tot hoge doseringen oestrogenen significant is verhoogd in vergelijking met placebo (OR 5,4 voor 6 maanden gebruik, OR 16,0 voor 36 maanden gebruik). Voorts concluderen de auteurs dat oestrogenen, in matige tot hoge dosering, een verhoogd risico hebben van doorbraakbloedingen, waardoor de therapietrouw wordt verminderd. De toevoeging van oraal progestageen, sequentieel of continu, vermindert het risico van hyperplasie. Met sequentiële toediening was het risico van hyperplasie significant lager na 36 maanden dan met continue toediening (OR 0,3). Bovendien draagt sequentiële toediening bij aan een betere therapietrouw. Gedurende de looptijd van maximaal drie jaar van de onderzoeken met combinaties van oestrogenen en progestagenen, werd geen endometriumcarcinoom aangetoond. Uit een patiëntcontroleonderzoek komen aanwijzingen dat lage doseringen oestrogenen eveneens een verhoogd risico van hyperplasie hebben.47
In de praktijk wordt oestrogeentherapie gecombineerd met de toediening van progestagenen, gedurende 12 tot 14 dagen per maand. Hiermee wordt het risico van endometriumcarcinoom genormaliseerd. Van de toediening van progestagenen eenmaal per drie maanden is nog onvoldoende aangetoond dat deze veilig is.6 Dit geldt vooral gedurende de eerste twee jaar na de menopauze. Progestagenen zijn niet nodig bij vrouwen die een uterusextirpatie hebben ondergaan.
Colorectaalcarcinoom. In een meta-analyse worden de resultaten beschreven van 13 observationele onderzoeken en één gerandomiseerd en gecontroleerd onderzoek naar het effect van HST (in de vorm van alleen oestrogenen) op het risico van colorectaalcarcinoom.48 Het relatieve risico van het krijgen van colorectaalcarcinoom bij gebruik van oestrogenen bedroeg 0,92 (95%BI=0,74-1,15).
De meest recente meta-analyse omvat 18 onderzoeken (vooral patiëntcontroleonderzoeken).49 Het relatieve risico van coloncarcinoom bij HST bedroeg 0,80 (95%BI=0,74-0,86). Voor rectumcarcinoom werd gevonden: RR 0,81 (95%BI=0,72-0,92). Het beschermende effect van HST gold vooral bij het huidige gebruik. Er zijn dus aanwijzingen uit observationeel onderzoek dat oestrogenen het risico van colorectaalcarcinoom verminderen.
Voor beide meta-analysen geldt dat de meeste onderzoeksgegevens geen betrekking hebben op het gecombineerde gebruik van oestrogenen en progestagenen. Het bleek dus niet mogelijk het effect van gelijktijdig toegediende progestagenen te onderzoeken.
Trombo-embolische processen. Diepveneuze trombose. Uit enkele patiëntcontroleonderzoeken is gebleken dat gebruiksters van hormonale suppletie (alleen oestrogenen of gecombineerde HST) een drie- tot viermaal hoger relatief risico van diepveneuze trombose hebben in vergelijking met niet-gebruiksters.50-52 Het risico is het grootst bij de aanvang van (kortdurende) therapie. Er was geen significant verschil in risico tussen orale en transdermale therapie.
Het verhoogde risico zou jaarlijks bij ongeveer 16 vrouwen extra (per 100.000 gebruiksters) aanleiding geven tot tot diepveneuze trombose.
Gegevens uit gerandomiseerd en gecontroleerd onderzoek ondersteunen de bevindingen uit de genoemde patiëntcontroleonderzoeken. Het HERS-onderzoek17 rapporteerde eveneens een verhoogd RR van veneuze trombo-embolie vergeleken met placebo (RR 2,7 [95%BI=1,4-5,0]).53
Vanuit methodologisch opzicht bezien, is het interessant dat de veneuze trombose als bijwerking op dezelfde wijze werd gevonden in het observationele en het experimentele onderzoek, met zelfs hetzelfde relatieve risico. Bij het toedienen van oestrogenen in de postmenopauze was er klaarblijkelijk niet geselecteerd op risicofactoren voor veneuze trombose (vrijwel uitsluitend obesitas en erfelijke aanleg), maar wel op die van arteriële ziekte (hartinfarct en CVA), zoals roken, hoog cholesterol, diabetes, hoge bloeddruk.54 Deze laatste zijn geen risicofactoren voor veneuze trombose. Er bestond dus in het observationele onderzoek een goede intrinsieke vergelijkbaarheid wat het risico van veneuze bijwerking betreft, maar niet wat het risico van arteriële aandoeningen betreft, zoals reeds eerder werd vermoed.
Longembolie. Uit een analyse van de Nurses' Health Study bleek het relatieve risico van het ontstaan van longembolie bij HST tweemaal zo groot te zijn als bij niet-gebruiksters.22 Gebruik in het verleden was niet geassocieerd met een verhoogd risico.

Plaatsbepaling

De door observationele onderzoeken gesuggereerde positieve effecten van hormonale suppletietherapie (HST) op de secundaire preventie van cardiovasculaire aandoeningen en op de primaire en secundaire preventie van de ziekte van Alzheimer, kunnen in gerandomiseerd en gecontroleerd onderzoek niet worden bevestigd. HST is voor de preventie van deze aandoeningen dan ook niet geïndiceerd.
Hoe kunnen de verschillen in resultaten tussen observationeel en gerandomiseerd onderzoek (Gebu 1999; 33: 127-134) worden verklaard, met name daar waar het gaat om de werking van HST? In menig observationeel onderzoek worden de resultaten berekend op basis van een verandering van intermediaire of surrogaateindpunten, in plaats van op harde klinische eindpunten, zoals (mortaliteit na) hartinfarct, CVA en het optreden van een fractuur. Tussen de intermediaire en de harde klinische eindpunten kunnen allerlei factoren meespelen die niet worden gemeten in de onderzoeken die surrogaateindpunten gebruiken.
Een ander klassiek probleem in onderzoek naar het effect van medicatie is het zogenoemde ‘healthy user bias’. Vrouwen die hormonale suppletie gebruiken zijn gezonder, meer geïnteresseerd in eigen gezondheid en risicofactoren voor hart- en vaatziekten evenals in de gebruikte medicatie en zijn hoger opgeleid zijn dan hun collega’s in de controlegroep. Vrouwen in de gebruikersgroep kunnen bijvoorbeeld in een voorkeurspositie worden gebracht doordat ze meer aandacht krijgen of zelfs een vergoeding ontvangen waardoor er een verhoogde therapietrouw kan bestaan.
Het gerandomiseerde en gecontroleerde onderzoek geldt als de belangrijkste onderzoeksvorm naar effectiviteit in de klinische geneeskunde. De invloed van vertekenende factoren kan in deze onderzoeken beter worden bepaald en zo nodig worden gecorrigeerd. De met gerandomiseerde en gecontroleerde onderzoeken verkregen resultaten met HST ten aanzien van preventie van arteriële ziekte, de ziekte van Alzheimer en (in het algemeen ook) postmenopauzale fracturen, zijn zodanig dat het thans niet raadzaam is voor deze indicaties hormonale suppletie te gebruiken. Indien toch HST voor een van deze indicaties wordt gevraagd, dan is deelname aan een goed opgezet, onafhankelijk uitgevoerd, gerandomiseerd en gecontroleerd onderzoek, een optie. Daarnaast moeten ook de risico's van mamma- en ovariumcarcinoom en trombo-embolische processen, zoals die uit observationele onderzoeken blijken, bij deze afweging worden betrokken.  

Trefwoorden: overgang, hormonale suppletietherapie, (post)menopauze, cardiovasculaire aandoeningen, ziekte van Alzheimer, postmenopauzale osteoporose, mammacarcinoom, ovariumcarcinoom, endometriumcarcinoom, colorectaalcarcinoom, diepveneuze trombose, longembolie

Stofnaam Merknaam®
estradiol  merkloos, Aerodiol, Climara, Dermestril, Estraderm, Estrofem, Fem 7, Meno-implant, Menorest, Progynova,, Sandrena, Systen, Vagifem, Zumenon 
estradiol/dydrogesteron  Femoston, Femoston continu 
estradiol/norethisteron  Activelle, Estracomb, Kliogest, Trisequens 
estriol  Synapause-E3 
medroxyprogesteron  merkloos, Farlutal, Provera 
oestrogenen, geconjugeerd  Dagynil, Premarin 
oestrogenen, geconjugeerd/medrogeston  Premarin Plus 
oestrogenen, geconjugeerd/medroxyprogesteron  Plentiva 5, Premelle 5, Premelle Cycle 
oestrogenen, geconjugeerd/norgestrel  Prempak-C 
progesteron  Progestan, Progestine 
raloxifen  Evista 
testosteron  Andriol, Sustanon, Testoderm 
tibolon  Livial 


1. Barrett-Connor E, et al. Hormone and nonhormone therapy for the maintenance of postmenopausal health: the need for randomized controlled trials of estrogen and raloxifene. J Womens Health 1998; 7: 839-847. 
2. Offringa M, et al (red.). Inleiding in evidence-based medicine. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum, 2000. 
3. Moerman CJ, et al. Geringe gezondheidswinst te behalen met preventief hormoongebruik na de overgang door vrouwen in Nederland. Ned Tijdschr Geneeskd 2001; 145: 910-914.
4. VandenBroucke JP. Baat het of schaadt het? Natuur & Techniek 2001; 38-39. 
5. VandenBroucke JP. How much of the cardioprotective effect of postmenopausal estrogens is real? Epidemiology 1995; 207-208.
6. Lethaby A, et al. Hormone replacement therapy in postmenopausal women: endometrial hyperplasia and irregular bleeding (Cochrane Review). Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2001: issue 1. 
7. Berg P van den, et al. Informatie vooraf is essentieel. Het gebruik van hormoonsubstitutietherapie bij vrouwen. Pharm Weekbl 2000; 135: 388-393. 
8. Grodstein F, et al. Postmenopausal estrogen and progestin use and the risk of cardiovascular disease. N Engl J Med 1996; 335: 453-461. 
9. Grodstein F, et al. A prospective, observational study of postmenopausal hormone therapy and primary prevention of cardiovascular disease. Ann Intern Med 2000; 133: 933-941.
10. Grodstein F, et al. The epidemiology of coronary heart disease and estrogen replacement by postmenopausal women. Prog Cardiovasc Dis 1995; 38: 199-210. 
11. Grady D, et al. Hormone therapy to prevent disease and prolong life in postmenopausal women. Ann Intern Med 1992; 117: 1016-1037. 
12. Stampfer MJ, et al. Estrogen replacement therapy and coronary heart disease: a quantitative assessment of the epidemiologic evidence. Prev Med 1991; 20: 47-63.
13. Barrett-Connor E, et al. Hormone replacement therapy, heart disease, and other considerations. Annu Rev Public Health 1998; 19: 55-72. 
14. Grodstein F, et al. Postmenopausal hormone therapy and mortality. N Engl J Med 1997; 336: 1769-1775. 
15. Paganini-Hill A. Estrogen replacement therapy and stroke. Prog Cardiovasc Dis 1995; 38: 223-242. 
16. Hemminki E, et al. Impact of postmenopausal hormone therapy on cardiovascular events and cancer: pooled data from clinical trials. BMJ 1997; 315: 149-153. 
17. Hulley S, et al. Randomized trial of estrogen plus progestin for secondary prevention of coronary heart disease in postmenopausal women. Heart and Estrogen/progestin Replacement Study (HERS) Research Group. JAMA 1998; 280: 605-613. 
18. Herrington DM, et al. Effects of estrogen replacement on the progression of coronary-artery atherosclerosis. N Engl J Med 2000; 343: 522-529. 
19. Lenfant C. National Heart, Lung and Blood Institute, on preliminary trends in the Women’s Health Initiative, National Heart, Lung, and Blood Institute Communications office. 3 April 2000. 
20. Yaffe K, et al. Estrogen therapy in postmenopausal women: effects on cognitive function and dementia. JAMA 1998; 279: 688-695. 
21. Haskell SG, et al. The effect of estrogen replacement therapy on cognitive function in women: a critical review of the literature. J Clin Epidemiol 1997; 50: 1249-1264. 
22. LeBlanc ES, et al. Hormone replacement therapy and cognition: systematic review and meta-analysis. JAMA 2001; 285: 1489-1499. 
23. Mulnard RA, et al. Estrogen replacement therapy for treatment of mild to moderate Alzheimer disease: a randomised controlled trail. Alzheimer's Disease Cooperative Study. JAMA 2000; 283: 1007-1015. 
24. Yaffe K, et al. Cognitive function in postmenopausal women treated with raloxifen. N Engl J Med 2001; 344: 1207-1213. 
25. Kanis JA, et al. Evidence for efficacy of drugs affecting bone metabolism in preventing hip fracture. BMJ 1992; 305: 1124-1128. 
26. Weiss NS, et al. Decreased risk of fractures of the hip and lower forearm with postmenopausal use of estrogen. N Engl J Med 1980; 303: 1195-1198. 
27. Kiel DP, et al. Hip fracture and the use of estrogens in postmenopausal women. The Framingham Study. N Engl J Med 1987; 317: 1169-1174. 
28. Cauley JA, et al. Estrogen replacement therapy and fractures in older women. Study of Osteoporotic Fractures Research Group. Ann Intern Med 1995; 122: 9-16. 
29. Naessén T, et al. Hormone replacement therapy and the risk for first hip fracture. A prospective, population-based cohort study. Ann Intern Med 1990; 113: 95-103. 
30. Lufkin EG, et al. Treatment of postmenopausal osteoporosis with transdermal estrogen. Ann Intern Med 1992; 117: 1-9. 
31. Lindsay R, et al. Estrogen treatment of patients with established postmenopausal osteoporosis. Obstet Gynecol 1990; 76: 290-295. 
32. Munk-Jensen N, et al. Reversal of postmenopausal vertebral bone loss by oestrogen and progestogen: a double blind placebo controlled study. BMJ 1988; 296: 1150-1152. 
33. Christiansen C, et al. Bone mass in postmenopausal women after withdrawal of oestrogen/gestagen replacement therapy. Lancet 1981; i: 459-461. 
34. Komulainen MH, et al. HRT and Vit D in prevention of non-vertebral fractures in postmenopausal women; a 5 year randomised trial. Maturitas 1998; 31: 45-54. 
35. Nachtigall LE, et al. Estrogen replacement therapy I: a 10-year prospective study in the relationship to osteoporosis. Obstet Gynecol 1979; 53: 277-281. 
36. Groeneveld FP. The climacteric: blood, sweat and tears? Population based studies of well-being, attitudes and hormone replacement therapy among 1947 women aged 45-60 years [proefschrift]. Rotterdam, 1994. 
37. Elders P, et al. NHG-Standaard Osteoporose. Huisarts Wet 1999; 42: 115-128. 
38. Syllabus CBO-consensus Osteoporose. April 2001. 
39. Steinberg KK, et al. A meta-analysis of the effect of estrogen replacement therapy on the risk of breast cancer. JAMA 1991; 265: 1985-1990. 
40. Grady D, et al. Does postmenopausal hormone therapy cause breast cancer? Am J Epidemiol 1991; 134: 1396-1400. 
41. Collaborative Group on Hormonal Factors in Breast Cancer. Breast cancer and hormone replacement therapy: collaborative reanalysys of data from 51 epidemiological studies of 52.705 women with breast cancer and 108.411 women without breast cancer. Lancet 1997; 350: 1047-1059. 
42. Schairer C, et al. Menopausal estrogen and estrogen-progestin replacement therapy and breast cancer risk. JAMA 2000; 283: 485-491. 
43. Colditz GA, et al. Cumulative risk of breast cancer to age 70 years according to risk factor status: data from the Nurses' Health Study. Am J Epidemiol 2000; 152: 950-964. 
44. Garg PP, et al. Hormone replacement therapy and the risk of epithelial ovarian carcinoma: a meta-analysis. Obstet Gynecol 1998; 92: 472-479.
45. Rodriguez C, et al. Estrogen replacement therapy and ovarian cancer mortality in a large prospective study of US women. JAMA 2001; 285: 1460-1465. 
46. Grady D, et al. Hormone replacement therapy and endometrial cancer risk: a meta-analysis. Obstet Gynecol 1995; 85: 304-313. 
47. Weiderpass E, et al. Low-potency oestrogen and risk of endometrial cancer: a case-control study. Lancet 1999; 353: 1824-1828. 
48. MacLennan SC, et al. Colorectal cancer and oestrogen replacement therapy. A meta-analysis of epidemiological studies. Med J Aust 1995; 162: 491-493. 
49. Grodstein F, et al. Postmenopausal hormone therapy and the risk of colorectal cancer: a review and meta-analysis. Am J Med 1999; 106: 574-582. 
50. Daly E, et al. Risk of venous thromboembolism in users of hormone replacement therapy. Lancet 1996; 348: 977-980. 
51. Jick H, et al. Risk of hospital admission for idiopathic venous tromboembolism among users of postmenopausal oestrogens. La ncet 1996; 348: 981-983. 
52. Grady D, et al. Postmenopausal hormone therapy increases risk for venous thromboembolic disease. The Heart and Estrogen/progestin Replacement Study. Ann Intern Med 2000; 132: 689-696.
53. Grodstein F, et al. Prospective study of exogenous hormones and risk of pulmonary embolism in women. Lancet 1996; 348: 983-987. 
54. VandenBroucke JP, et al. Oral contraceptives and the risk of venous thrombosis. N Engl J Med 2001; 344: 1527-1535.

Auteurs

  • dr F.M. Helmerhorst, drs D. Bijl