Pregabaline (Lyrica®), geregistreerd

Lyrica® met als werkzame stof pregabaline, een gamma-amino-boterzuur(GABA)-analogon, is recentelijk door de CPMP aanvaard voor de indicatie 'behandeling van perifere neuropathische pijn' en als 'adjuvans bij partiële epileptische aanvallen'.1 De dosis wordt getitreerd op basis van de respons en varieert van 150-600 mg per dag, te verdelen over twee of drie giften. Pregabaline interfereert met de GABA-synthese. Het exacte werkingsmechanisme is niet volledig bekend.
Er is in Nederland nog geen geneesmiddel geregistreerd voor de indicatie perifere neuropathische pijn. De indicatie is gebaseerd op zes placebogecontroleerde onderzoeken bij patiënten met diabetische neuropathie en vijf onderzoeken bij patiënten met postherpetische neuropathie, met in totaal 3.001 patiënten. De duur van de onderzoeken varieerde van 5-13 weken, inclusief een titratieperiode van 1-2 weken. De doses van de actieve stof varieerden van 75-600 mg per dag. Pijn werd gemeten op een 11-puntsschaal (0= geen pijn en 10=grootst denkbare pijn). Het percentage responders, gedefinieerd als het aantal patiënten met een verbetering van 50% in de pijnscore ten opzichte van de uitgangswaarde, was één van de belangrijkste uitkomstmaten. Bij de actieve behandeling was het percentage responders 35 versus 18% bij placebo (verschil 17,2% [95%BI=13,4-20,9]) (excl. 75 mg dosis). Het percentage responders was ongeveer gelijk voor beide vormen van neuropathie.
De indicatie partiële epilepsie is gebaseerd op drie onderzoeken bij patiënten met deze vorm van epilepsie. In alle onderzoeken werd pregabaline of placebo toegevoegd aan de bestaande behandeling met anti-epileptica. De duur van de onderzoeken was 12 weken inclusief een titratieperiode van een week (in totaal 1.052 patiënten). In één onderzoek werd niet getitreerd. De dosis varieerde van 50-600 mg per dag. Het belangrijkste eindpunt was het percentage responders gedefinieerd als het aantal patiënten met een afname van 50% van hun aanvallen ten opzichte van de basis aanvalsfrequentie. Het percentage responders bij gebruik van pregabaline was 33 versus 10% bij gebruik van placebo (verschil 23% [95%BI=17,4-27,3]) (excl. 50 mg dosis).
De meest voorkomende bijwerkingen zijn sedatie en duizeligheid. Deze kunnen lang persisteren, vooral bij ouderen. Overigens waren de bijwerkingen meestal licht tot matig in intensiteit en gerelateerd aan de dosering. Gewichtstoename werd eveneens regelmatig gezien en hiermee dient rekening te worden gehouden bij de behandeling van patiënten met diabetes.
In onderzoek bij muizen traden haemangiosarcomen op. Het ontstaansmechanisme wordt in verband gebracht met een gestoorde bloedplaatjesfunctie. In de klinische onderzoeken werden er geen problemen met de plaatjesfunctie gezien. Het optreden van haemangiosarcomen is met grote waarschijnlijkheid dierspecies specifiek. De firma zal na registratie in een apart klinisch onderzoek de plaatjesfunctie langdurig vervolgen.
Het voorkomen van gezichtsveldafwijkingen werd bij pregabaline uitgebreid onderzocht. Zowel na kort- als langdurige behandeling (2-3 jaar), waren er geen redenen om aan te nemen dat het optreden van gezichtsveldafwijkingen een potentieel risico is bij de behandeling met pregabaline.
Pregabaline is onvoldoende onderzocht bij kinderen en adolescenten. Middelen die in principe ook toegepast zullen gaan worden bij kinderen en/of adolescenten, dienen tevens in deze patiëntengroepen te worden onderzocht.2 3 De firma heeft zich derhalve verplicht tot het uitvoeren van onderzoeken waarin de effectiviteit en veiligheid van pregabaline bij de behandeling van kinderen en adolescenten met epilepsie wordt onderzocht.



1. Voor SPC en EPAR zie de EMEA website (www.emea.eu.int).
2. CPMP/EWP/566/98 Revision 1 Note for Guidance on Clinical Investigation of Medicinal Products in the Treatment of Epilectic Disorders (CPMP adopted November 2000). 
3. Topic E11 Step 4 Note for Guidance on Clinical Investigation of Medicinal Products in the Paediatric Population. (CPMP/ICH/2711/99 - adopted July 2000).

Auteurs

  • dr A.J.A. Elferink (CBG), dr C. Gispen-de Wied