Posttraumatische dystrofie: feiten en fabels over de behandeling

Over het ziektebeeld posttraumatische dystrofie bestaat nog veel onduidelijkheid. De oorzaak is onbekend en het verloop van de aandoening is onvoorspelbaar. Ook heerst er geen overeenstemming over de beste behandelingswijze. Om hierin meer inzicht te verkrijgen is door de Wetenschapswinkel Geneesmiddelen te Utrecht een literatuuronderzoek uitgevoerd naar de effectiviteit van farmacotherapie. Het rapport beschrijft 72 onderzoeken, waarvan er slechts 19 een gecontroleerde opzet hadden, en de overige meestal casusbeschrijvingen betroffen. De conclusies van het rapport zijn alleen gebaseerd op de gecontroleerde onderzoeken.
In geen van de vijf onderzoeken met guanethidine of reserpine kon ten opzichte van placebo een significant beter effect worden vastgesteld. Dat was wèl het geval in twee onderzoeken met respectievelijk prednison en methylprednisolon, maar bijwerkingen, zoals dyspepsie, slaapproblemen, acne, gewichtstoename, een vollemaansgezicht en een stijging van de bloeddruk, beperken de bruikbaarheid. Voorts lijkt de effectiviteit van calcitonine gering te zijn. De eerste publikaties over de lokale toepassing van dimethylsulfoxide (DMSO) 50% (Gebu 1994; 28: 60) wijzen echter op een gunstig effect. Nader onderzoek is evenwel nodig, zeker ook naar het gebruik van N-acetylcysteïne dat bij deze indicatie vaak wordt voorgeschreven, maar waarvan, voor zover bekend, nog geen enkel onderzoek naar de effectiviteit is gepubliceerd.



Jonker D. Post-traumatische dystrofie: feiten en fabels over de behandeling. Utrecht: Universiteit, Wetenschapswinkel Geneesmiddelen, 1995; 78 pagina's, ISBN: 90-74772-21-8. Te bestellen door overmaking van fl. 12,50 (incl. verzendkosten) op giro 228947 t.n.v. Faculteit Farmacie, Utrecht, o.v.v. PUG/95-14, naam en adres.