Polyfarmacie bij ouderen

Dit proefschrift beschrijft een onderzoek naar het langdurig gebruik van combinaties van geneesmiddelen bij 2.200 personen van 65 jaar en ouder. De onderzoekspopulatie was afkomstig uit drie huisartsenpraktijken in Noord-Nederland, die participeerden in het 'Registratienetwerk Groningen' (RNG). In dit geautomatiseerde netwerk word van alle contacten met de huisarts het volgende vastgelegd: de diagnose, de voorgeschreven geneesmiddelen en de verwijzingen. De prospectief verzamelde gegevens van vier jaar werden vervolgens geanalyseerd. Er werd vooral gelet op het gelijktijdig gebruik van twee of meer geneesmiddelen gedurende minimaal vier maanden. Polyfarmacie werd 'licht' genoemd bij gebruik van 2-3 geneesmiddelen, 'matig' bij gebruik van 4-5 middelen en 'uitgebreid' bij gebruik van meer dan 5 middelen. Van de onderzoeksgroep was 40% man, 54% was 65-74 jaar, 34% was 75-84 jaar en 12% was ouder dan 85 jaar. Langdurige polyfarmacie kwam bij 35% van de patiënten voor: lichte bij 23%, matige bij 8% en uitgebreide bij 4%. Alle vormen van polyfarmacie kwamen het meest voor bij de groep ouderen tussen 75 en 84 jaar. Cardiovasculaire middelen, met name diuretica, werden veel in combinatie met psychofarmaca en andere middelen voorgeschreven. De indicaties voor psychofarmaca waren niet altijd duidelijk. Het gelijktijdig gebruik van potentieel risicovolle combinaties was gering (<3%). Polyfarmacie bleek zich langzaam te ontwikkelen: slechts bij 3% van de ouderen nam in de loop van vier jaar het geneesmiddelengebruik toe van licht naar uitgebreid. In dit onderzoek werd geen verband gevonden tussen een toename van de polyfarmacie en een verslechtering van de gezondheidstoestand of een frequenter contact met de huisarts. Hartfalen, chronische obstructieve longziekte/astma en diabetes mellitus waren de indicaties die het meest samengingen met uitgebreide polyfarmacie. Er was geen samenhang aantoonbaar tussen de incidentie van door huisartsen geregistreerde bijwerkingen en de mate van polyfarmacie. Problemen door interacties van geneesmiddelen waren weinig frequent en vrij onschuldig. De combinatie NSAID’s en diuretica veroorzaakte niet vaker hartfalen of enkeloedeem dan andere combinaties met een diureticum. Het gebruik van maagmiddelen, overwegend H2-receptorantagonisten, hing wel samen met polyfarmacie.
Ten aanzien van polyfarmacie kan men in het algemeen twee risicogroepen onderscheiden. Ouderen met cardiovasculaire ziekten gebruiken veelal meerdere geneesmiddelen, die (aanvankelijk) door een specialist zijn voorgeschreven. Hierbij heeft de huisarts een coördinerende en bewakende rol. Een tweede risicogroep betreft de ouderen die langdurig psychofarmaca gebruiken, terwijl de indicatie daarvan vaak niet duidelijk of rationeel meer is. Preventie van chronisch gebruik van psychofarmaca door ouderen is van belang.

Plaatsbepaling

Dit onderzoek naar de omvang van chronische polyfarmacie en naar de ernst van de eventuele interacties, toont aan dat dit probleem, althans voor zover het de huisarts onder ogen komt, te overzien is. Het is niet uitgesloten dat polyfarmacie ernstiger blijkt te zijn wanneer ook de door specialisten voorgeschreven en voortgezette medicatie erbij wordt betrokken. Dit onderwerp zou systematisch op de agenda van het farmacotherapeutisch transmuraal overleg (FTTO) moeten komen te staan. Prospectief gecontroleerd onderzoek is nodig naar het ziektebeloop na reductie van oneigenlijke farmacotherapie en het stoppen van langdurig gebruikte middelen. In de opleidingen van artsen zou het leren voorschrijven van een geneesmiddel evenveel aandacht moeten krijgen als het stoppen van medicatie en het voorkòmen van polyfarmacie.



Veehof LJG. Polypharmacy in the elderly [proefschrift]. Groningen, 1999, ISBN 90-72156-757