Peesrupturen door het gebruik van fluorchinolonen*

Het gebruik van fluorchinolonen is in verband gebracht met het optreden van tendinitis en peesrupturen (Gebu 1994; 28: 49). In de meeste publicaties worden echter alleen ziektegeschiedenissen beschreven. Er is nauwelijks epidemiologisch onderzoek verricht naar de frequentie van deze bijwerking en welke factoren het risico hiervan verhogen. Recent is echter een promotieonderzoek verricht met behulp van gegevens uit het 'Integrated Primary Care Information' (IPCI) computerbestand van de afdeling Medische Informatica van de Erasmus Universiteit in Rotterdam.1 Dit bestand bevat alle gegevens over consulten, morbiditeit, voorschriften en interventies zoals die worden geregistreerd door huisartsen in een populatie van ongeveer 485.000 personen. Na het gebruik van fluorchinolonen werd een viervoudige verhoging waargenomen van het risico van tendinitis. Omdat het een relatief zeldzame bijwerking betreft, werd ter bevestiging van deze resultaten onderzoek verricht met gegevens uit twee soortgelijke Engelse bestanden, de 'IMS Mediplus Database' en de 'General Practitioners Research Database' (GPRD). Het eerste onderzoek dat met behulp van de IMS-Mediplus-gegevens werd uitgevoerd omvatte 742 patiënten met een tendinitis van de achillespees, waarvan er 38 een ruptuur hadden doorgemaakt. Het hoogste risico werd waargenomen na gebruik van ofloxacine, met een relatief risico (RR) van 11,5 (95%BI=5,2-25,7) bij patiënten >60 jaar. Bij jongere personen werd geen verhoogd risico waargenomen. In het tweede onderzoek werd gebruik gemaakt van het GPRD-bestand dat gegevens bevat van 3-4 miljoen patiënten. Het betrof een patiëntcontroleonderzoek bij 1.367 patiënten die een achillespeesruptuur hadden doorgemaakt. De voorgeschiedenis van deze patiënten werd vergeleken met die van een aselecte controlegroep van 50.000 personen van wie de medische historie van ten minste de laatste 18 maanden bekend was. Het gecorrigeerde RR van een achillespeesruptuur bij gebruik van fluorchinolonen was 4,2 (95%BI=2,3-7,6). Leeftijd bleek het relatieve risico sterk te beïnvloeden. Daarnaast bleek het gelijktijdig gebruik van orale corticosteroïden het RR tot 14,5 (95%BI=5,9-36,6) te verhogen. Het RR van een achillespeesruptuur bedroeg 6,4 (95%BI=3,0-13,7) bij patiënten van 60-80 jaar en 20,4 (95%BI=4,6-90,1) bij patiënten van 80 jaar en ouder. Ruim 6% van alle achillespeesrupturen in de laatstgenoemde leeftijdsgroep was toe te schrijven aan fluorchinolonen.

Hoewel fluorchinolonen onmisbaar kunnen zijn bij de behandeling van bacteriële infecties, zou de behandelend arts bij oudere patiënten eerst alternatieven dienen te overwegen. Dit geldt des te meer indien de patiënt gelijktijdig met orale corticosteroïden wordt behandeld.



1. Linden PD van der. Fluorochinolones and tendon disorders [proefschrift]. Rotterdam: Erasmus Universiteit, 2001.
* Ciprofloxacine (Ciproxin®), levofloxacine (Tavanic®), ofloxacine (Tarivid®), norfloxacine (merkloos, Noroxin®). 

Auteurs

  • prof. dr B.H.Ch. Stricker