Oefentherapie of oxybutynine bij aandrangsincontinentie

Aandrangsincontinentie is een aandoening die bij ongeveer 40% van de vrouwen boven 60 jaar voorkomt. Een overactieve en weinig stabiele M. detrusor vesicae veroorzaakt imperatieve mictiedrang en incontinentie bij vrouwen die tevens nogal eens stressincontinentie hebben door een insufficiënt afsluitmechanisme. Patiënten met een overactieve blaas kunnen baat hebben bij de spasmolytische en anticholinerge werking van middelen, zoals oxybutynine (Dridase®). Deze moeten echter continu worden gebruikt, helpen maar zeer ten dele en veroorzaken bijwerkingen. Een goed alternatief is oefentherapie, waarbij men gebruik maakt van een gecombineerde anorectale blaassfincter 'biofeedback'-techniek. Hierdoor leert de patiënt de bij continentie betrokken bekkenspieren te herkennen en tevens hoe, bij een toenemende aandrang, de contracties van de M. detrusor kunnen worden geremd en de blaassfinctertonus kan worden verhoogd. Hoe doeltreffend zijn deze beide behandelingswijzen bij ernstige aandrangsincontinentie van ambulante, niet-demente vrouwen, ouder dan 55 jaar?
In een gerandomiseerd, gecontroleerd onderzoek werd deze vraagstelling onderzocht bij 190 vrouwen, die vooral last hadden van aandrangsincontinentie (>2 keer/week), hoewel bij de helft tevens stressincontinentie aanwezig was.1 2 Bij urodynamisch onderzoek moest duidelijk sprake zijn van detrusorinstabiliteit. Van het onderzoek werden vrouwen uitgesloten die na mictie een residue groter dan 200 ml hadden, die een cardiovasculaire contra-indicatie voor oxybutynine hadden, of die tekenen van dementie vertoonden. Er werden drie groepen onderling vergeleken. De eerste groep kreeg oxybutynine 3 dd 2,5 mg, met zonodig zeer geleidelijk een verhoging tot 3 dd 5 mg. De tweede groep ontving een placebo. De derde groep kreeg in vier bijeenkomsten oefentherapie door gespecialiseerde verpleegkundigen. In de eerste zitting werd anorectale feedback toegepast en in de volgende zittingen werden andere oefeningen, vaardigheden en strategieën ter preventie van incontinentie bijgebracht.
Na verloop van 10 weken werden de resultaten van de ingestelde therapieën geëvalueerd. Door oefentherapie nam het aantal incontinentie-episodes per week significant sterker af (gem. van 15,8 naar 2,8) dan door oxybutynine (gem. van 15,9 naar 5,7). In de placebogroep daalde het aantal incidenten van 15,4 naar 8,2. Het succes van de behandeling was het grootst bij oefentherapie (75% 'veel beter' vs. 50% en 25% resp. voor oxybutynine en placebo). Van de patiënten met oefentherapie vroeg slechts 14% om een andere behandeling, terwijl in beide andere groepen 75% wel van therapie wilde veranderen.1

De resultaten van dit onderzoek toonden aan dat oefentherapie met 'biofeedback' een doelmatige en ook bij ouderen uitvoerbare behandeling is van aandrangs- en gemengde incontinentie, die effectiever is dan oxybutynine. Eerder was reeds door onderzoek in de Nederlandse huisartsenpraktijk een gunstig effect van oefentherapie vastgesteld,2 waarbij de behandeling van stressincontinentie bestond uit bekkenbodemspieroefeningen en die van aandrangsincontinentie uit blaastraining.3 Nog onduidelijk is of training mét 'biofeedback'-techniek extra waarde toevoegt aan gewone oefeningen, en evenmin of een combinatie van oefentherapie en farmacotherapie additief of zelfs synergistisch is. Oefenprogramma’s dienen uitgebreider ter beschikking te komen als alternatief voor medicatie bij de behandeling van aandrangsincontinentie. Enige selectie bij de verwijzing naar bijvoorbeeld een specifiek geschoolde fysiotherapeut is echter nodig omdat bij oefenprogramma’s therapietrouw en motivatie onmisbaar zijn.



1. Burgio KL, Locher JL, Goode PS, Hardin JM, McDowell BJ, Dombrowski M et al. Behavioral vs drug treatment for urge urinary incontinence in older women. A randomized controlled trial. JAMA 1998; 280: 1995-2000.
2. Resnick NM. Improving treatment of urinary incontinence. JAMA 1998; 280: 2034-2035.
3. Lagro-Janssen ALM, Smits AJA, Weel C van. Gunstig effect van oefentherapie bij urine-incontinentie in de huisartspraktijk vooral afhankelijk van therapietrouw en motivatie. Ned Tijdschr Geneeskd 1994; 138: 1273-1276.