In het kort Lees artikel

NHG-Standaard ‘Artritis’


Eind 2017 verscheen een update van de NHG-Standaard ‘Artritis’ met adviezen voor de Nederlandse huisarts over diagnostiek, behandeling en verwijsbeleid bij verschillende vormen van artritis. De meeste aandacht gaat uit naar jicht als meest voorkomende artritis. Veel bij jicht toegepaste behandelingen kennen weinig bewijs gebaseerd op placebogecontroleerde studies. Speciale aandacht wordt ook gevraagd voor de mogelijke impact, bijwerkingen en interacties van geneesmiddelen voorgeschreven door reumatologen bij reumatoïde artritis.


  • De NHG-Standaard ‘Artritis’ geeft huisartsen richtlijnen bij de diagnostiek en niet-medicamenteuze en medicamenteuze behandeling van verschillende vormen van artritis. In 2017 verscheen een update.
  • Patiënten verdacht van een bacteriële artritis, reumatoïde artritis of een artritis, die langer dan drie weken bestaat, dienen te worden verwezen in verband met voor de prognose belangwekkende medicamenteuze behandelingen door de reumatoloog.
  • Het algemene uitgangspunt bij de medicamenteuze behandeling van artritiden is bestrijding van de inflammatie met NSAID’s, rekening houdend met contra-indicaties, interacties en de noodzaak van maagbescherming.
  • Bij jichtartritis zijn prednison en NSAID’s gelijkwaardige behandelopties met colchicine als laatste alternatief, hoewel bewijs uit placebogecontroleerde studies voor werkzaamheid van elk van de middelen ontbreekt.
  • Intra-articulaire corticosteroïden zijn bij (mono-)articulaire jicht een behandelmogelijkheid, ondanks het ontbreken van bewijs voor werkzaamheid uit gerandomiseerd onderzoek.
  • Urinezuurverlagende medicatie is een behandeloptie bij onaanvaardbare last van recidiverende jicht en/of tofi, hoewel hiervoor geen direct bewijs van werkzaamheid bestaat uit RCT’s.
  • De NHG-Standaard beschrijft een aantal voor de huisarts klinisch relevante aandachtspunten bij het gebruik van veel gebruikte tweedelijnsgeneesmiddelen bij reumatoïde artritis.

De in 2017 herziene standaard ‘Artritis’ van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) geeft huisartsen richtlijnen voor de diagnostiek en het beleid bij volwassen patiënten met inflammatoire gewrichtsaandoeningen van één of meerdere perifere gewrichten. Hierbij wordt uitgegaan van die artritisvormen die de huisarts meestal zelf vaststelt en behandelt: jichtartritis, reactieve artritis en ongedifferentieerde artritis. Daarnaast is er aandacht voor bacteriële artritis (zeer zeldzaam), reumatoïde artritis, en voor de minder vaker voorkomende (perifere) artritiden bij artrose, lymeziekte, ziekte van Bechterew, psoriasis en inflammatoire darmziekten.1
Na uitsluiten van andere oorzaken van gewrichtsklachten en het vaststellen van een artritis maakt de huisarts op basis van anamnese en lichamelijk onderzoek onderscheid tussen de verschillende vormen van artritis. Dit is belangrijk omdat het consequenties heeft voor het beleid (wel of niet medicamenteus behandelen of verwijzen) en de prognose. Een vermoedelijke bacteriële artritis is reden voor een spoedverwijzing dezelfde dag voor een diagnostische punctie en zo nodig intraveneuze antibiotische therapie. Bij een sterk vermoeden van reumatoïde artritis is ook altijd verwijzing naar de reumatoloog geïndiceerd, omdat deze dan snel kan starten met een behandeling met ‘disease-modifying anti-rheumatic drugs’ (DMARD’s). Een snelle start hiermee is bewezen belangrijk voor de uiteindelijke prognose. Verwijzing wordt ook geadviseerd voor een ongedifferentieerde artritis die langer dan drie weken aanhoudt, omdat dit een aanwijzing is voor een artritis die behandeling door een reumatoloog vereist. Een gevalideerde diagnostische beslisregel is opgenomen als hulpmiddel om de waarschijnlijkheid van jichtartritis in te schatten.2-4

Niet-medicamenteuze behandeling

De huisarts bespreekt met de patiënt dat bewegen van het aangedane gewricht niet schadelijk is en koelen ervan prettig kan zijn. Hij stelt bij patiënten met jichtartritis of reumatoïde artritis een cardiovasculair risicoprofiel op en handelt conform de NHG-Standaard ‘Cardiovasculair risicomanagement’. Aan huisartsen wordt aangeraden geen specifieke voedingsadviezen te geven bij jicht.5-6 Geneesmiddelen die mogelijk een verhoging geven van het serumurinezuur (zoals diuretica, bètablokkers, RAS-remmers) hoeven niet vermeden te worden.

Medicamenteuze behandeling

Artritis algemeen 
De standaard adviseert om een artritis symptomatisch met een NSAID te behandelen tot de klachten over zijn, waarbij een keuze gemaakt kan worden voor naproxen, diclofenac of ibuprofen op basis van patiëntkenmerken, als cardiovasculaire, renale of gastro-intestinale comorbiditeit, zonodig gecombineerd met maagbescherming.

Jichtartritis
Bij jichtartritis is een korte kuur prednisolon een therapeutische optie die wat pijnreductie betreft gelijkwaardig is aan NSAID’s. Voor deze gelijkwaardigheid is inmiddels meer bewijs beschikbaar.7-8 Bij contra-indicatie of uitblijven van voldoende werkzaamheid van de andere middelen is colchicine een volgende optie, waarbij de dosering gematigder is dan geadviseerd in de vorige standaard.9 Voor alle behandelingen blijft gelden dat er maar minimaal bewijs is op basis van placebogecontroleerde trials.7, 10 Hard wetenschappelijk bewijs voor een keuzebeleid is er niet, hoewel er een lichte voorkeur voor prednisolon lijkt te bestaan op basis van een gering voordeel op het gebied van de bijwerkingen.11 Geadviseerd wordt te stoppen als de klachten over zijn en bij uitblijven van voldoende verbetering na drie tot vijf dagen met het ene geneesmiddel over te stappen op een ander middel. Tot slot is bij een mono-articulaire jichtartritis een intra-articulaire corticosteroïdinjectie een alternatief, hoewel rechtstreeks bewijs uit gerandomiseerde trials ontbreekt.12

Bacteriële en reumatoïde artritis
Aan de specifieke behandeling van of geneesmiddelen voor bacteriële artritis en reumatoïde artritis wordt geen aandacht besteed, omdat hiervoor verwijzing naar een reumatoloog wordt geadviseerd. De NHG-Standaard beschrijft wel een aantal voor de huisarts klinisch relevante aandachtspunten bij het gebruik van veel gebruikte geneesmiddelen bij reumatoïde artritis. Daarom worden van DMARD’s de meest voorkomende bijwerkingen en gecontraïndiceerde comedicatie (o.a. trimetoprim bij het gebruik van methotrexaat) besproken, alsook de risico’s van het gebruik van deze middelen bij zwangerschap, zwangerschapswens, tijdens infectie en in combinatie met vaccinaties.

Profylaxe
Alleen bij jichtartritis is een profylactische behandeling mogelijk om toekomstige artritisaanvallen te voorkomen, hoewel hiervoor in feite nog steeds weinig direct bewijs bestaat (Gebu 2018; 52: 9-10).13-14 Deze langdurige, meestal levenslange, behandeling met urinezuurverlagende middelen als allopurinol, febuxostat of benzbromaron is te overwegen als een aanvalsfrequentie voor de patiënt onaanvaardbaar is, in de regel bij een frequentie van meer dan driemaal per jaar. Urinezuurverlagende medicatie wordt daarnaast aanbevolen bij de aanwezigheid van jichttofi, hoewel bewijs voor het kleiner worden of verdwijnen van jichttofi niet bekend is.15 Een urinezuurgehalte van maximaal 0,35 mmol/l is richtinggevend voor het behalen van een klinisch relevant resultaat dat gezien wordt als een voor de patiënt aanvaardbare situatie. Het advies is om alleen urinezuurverlagende behandeling te starten bij voldoende zekerheid van de diagnose, als urinezuurkristallen in gewrichtsvloeistof zijn aangetoond (de gouden standaard) of bij een score van >8 volgens de in de standaard opgenomen diagnostische beslisregel. Starten met urinezuurverlagende behandeling kan ook als de artritis nog aanwezig is.16-17 Een jichtartritisaanval tijdens de instellingsperiode van urinezuurverlagende therapie kan als een gewone artritisaanval kortdurend worden behandeld. Als de frequentie van tussentijdse aanvallen daarbij onaanvaardbaar hoog blijft, is een continu dagelijks gebruik met een NSAID of colchicine mogelijk. Het optreden van huidreacties, die een voorbode kunnen zijn van het zeldzame maar zeer ernstige ‘allopurinol hypersensitivity syndrome’ (AHS) zijn een reden om allopurinol te staken. Bij onvoldoende resultaat of bijwerkingen zijn benzbromaron of febuxostat als profylactische therapie een alternatief, maar omdat huisartsen weinig ervaring hebben met deze middelen ligt verwijzing naar de reumatoloog dan voor de hand.


Behandeling door de huisarts van patiënten die verdacht worden van een bacteriële artritis, reumatoïde artritis of een artritis die langer dan drie weken bestaat, wordt afgeraden om uitstel te voorkomen van voor de prognose belangwekkende tweedelijnsbehandelingen. Het algemene uitgangspunt bij de medicamenteuze behandeling van andere artritiden is bestrijding van de inflammatie met NSAID’s, met inachtneming van contra-indicaties, interacties met andere medicatie en de noodzaak van maagbescherming. Hoewel er nauwelijks bewijs voor werkzaamheid bestaat uit placebogecontroleerde onderzoeken zijn prednison en NSAID’s bij jichtartritis gelijkwaardige opties, met colchicine als derde alternatief, als één of beide andere geen effect hebben. Onderzoek naar werkzaamheid is voornamelijk gebaseerd op non-inferioriteitsonderzoek, dat qua opzet zijn nadelen kent (Gebu 2015; 49: 27-34). Er lijkt een lichte voorkeur voor prednison op basis van een gering voordeel op het gebied van de bijwerkingen. Ook voor het intra-articulair toepassen van corticosteroïden bij jicht is geen bewijs gevonden in gerandomiseerd onderzoek. Alleen bij jicht bestaat de mogelijkheid van een profylactische behandeling om toekomstige artritis-episoden te voorkomen, hoewel bewijs voornamelijk is gebaseerd op verlaging van het serumurinezuur, een surrogaatuitkomstmaat. Aanbevolen wordt een  chronische urinezuurverlagende therapie alleen te starten bij een zekere diagnose en na goed overleg met de patiënt over voor- en nadelen.


  1. Nederlands Huisartsen Genootschap. NHG-Standaard Artritis. Via: https://www.nhg.org/standaarden/volledig/nhg-standaard-artritis. Richtlijnenbeleid. 2017.
  2. Janssens HJ, Fransen J, van de Lisdonk EH, van Riel PL, van Weel C, Janssen M. A diagnostic rule for acute gout arthritis in primary care without joint fluid analysis. Arch Intern Med. 2010;170:1120-6.
  3. Kienhorst LB, Janssens HJ, Fransen J, Janssen M. The validation of a diagnostic rule for gout without joint fluid analysis: a prospective study. Rheumatology (Oxford). 2015 Apr;54(4):609-14.
  4. Taylor WJ, Fransen J, Dalbeth N, Neogi T, Schumacher HR, Brown M, et al. Performance of classification criteria for gout in early and established disease. Ann Rheum Dis. 2016 Jan;75(1):178-82.
  5. Moi JH, Sriranganathan MK, Edwards CJ, Buchbinder R. Lifestyle interventions for chronic gout. Cochrane Database Syst Rev. 2013 May 31(5):CD010039.
  6. Moi JH, Sriranganathan MK, Edwards CJ, Buchbinder R. Lifestyle interventions for acute gout. Cochrane Database Syst Rev. 2013 Nov 4(11):CD010519.
  7. van Durme CM, Wechalekar MD, Buchbinder R, Schlesinger N, van der Heijde D, Landewe RB. Non-steroidal anti-inflammatory drugs for acute gout. Cochrane Database Syst Rev. 2014 Sep 16(9):CD010120.
  8. Rainer TH, Cheng CH, Janssens HJ, Man CY, Tam LS, Choi YF, et al. Oral Prednisolone in the Treatment of Acute Gout: A Pragmatic, Multicenter, Double-Blind, Randomized Trial. Ann Intern Med. 2016 Apr 05;164(7):464-71.
  9. Terkeltaub RA, Furst DE, Bennett K, Kook KA, Crockett RS, Davis MW. High versus low dosing of oral colchicine for early acute gout flare: Twenty-four-hour outcome of the first multicenter, randomized, double-blind, placebo-controlled, parallel-group, dose-comparison colchicine study. Arthritis Rheum. 2010;62:1060-8.
  10. van Echteld I, Wechalekar MD, Schlesinger N, Buchbinder R, Aletaha D. Colchicine for acute gout. Cochrane Database Syst Rev. 2014;8:CD006190.
  11. Yu J, Lu H, Zhou J, Xie Z, Wen C, Xu Z. Oral prednisolone versus non-steroidal anti-inflammatory drugs in the treatment of acute gout: a meta-analysis of randomized controlled trials. Inflammopharmacology. 2018 Jan 22.
  12. Wechalekar MD, Vinik O, Moi JH, Sivera F, van Echteld IA, van Durme C, et al. The efficacy and safety of treatments for acute gout: results from a series of systematic literature reviews including Cochrane reviews on intraarticular glucocorticoids, colchicine, nonsteroidal antiinflammatory drugs, and interleukin-1 inhibitors. J Rheumatol Suppl. 2014 Sep;92:15-25.
  13. Kydd AS, Seth R, Buchbinder R, Edwards CJ, Bombardier C. Uricosuric medications for chronic gout. Cochrane Database Syst Rev. 2014 Nov 14(11):CD010457.
  14. Seth R, Kydd AS, Buchbinder R, Bombardier C, Edwards CJ. Allopurinol for chronic gout. Cochrane Database Syst Rev. 2014 Oct 14(10):CD006077.
  15. Sriranganathan MK, Vinik O, Bombardier C, Edwards CJ. Interventions for tophi in gout. Cochrane Database Syst Rev. 2014 Oct 20(10):CD010069.
  16. Taylor TH, Mecchella JN, Larson RJ, Kerin KD, Mackenzie TA. Initiation of allopurinol at first medical contact for acute attacks of gout: a randomized clinical trial. Am J Med. 2012 Nov;125(11):1126-34 e7.
  17. Hill EM, Sky K, Sit M, Collamer A, Higgs J. Does starting allopurinol prolong acute treated gout? A randomized clinical trial. J Clin Rheumatol. 2015 Apr;21(3):120-5.

Auteurs

  • mw drs C. Hooymans