In het kort Lees artikel

Nauwelijks meerwaarde opioïden bij chronische pijn


De enorme toename van het aantal opioïdvoorschriften (met risico’s op verslaving en bijwerkingen) staat niet ter discussie. Hierbij is of lijkt er een heilig geloof in de werkzaamheid. Het is wrang te constateren dat deze werkzaamheid bij chronische pijn (niet-kankergerelateerd) tegen blijkt te vallen. Als resultaten van gekwalificeerde RCT’s samengevoegd worden heeft slechts circa 12% van de onderzochte patiënten er misschien wat aan, in vergelijking met placebo. Ten opzichte van bijvoorbeeld NSAID’s is er géén verschil te ontdekken wat betreft pijnbestrijding of verbetering van de levenskwaliteit. Deze bevindingen moeten een extra aansporing zijn te stoppen met het voorschrijven van opioïden bij (chronische) pijn. Als dit toch gebeurt hebben betrokken zorgverleners een verantwoordelijkheid voor een juist en zo beperkt mogelijk gebruik. Dit impliceert o.a. monitoring, geen automatische receptherhalingen of vermijden van voorschriften als ‘zo nodig 1 tot 6x daags 1 tablet’, zeker bij patiënten met verslavingsrisico. Ook richtlijnmakers mogen zich aangesproken voelen.

CME-toets 
Bij de hoofdartikelen horen geaccrediteerde toetsvragen
(i.s.m. NTvG CME).
Maak toets


  • Er is slechts een geringe kans dat opioïden bij chronische pijn (niet-kankergerelateerd) klinisch relevante meerwaarde hebben ten opzichte van placebo. 
  • Er is geen onderzoek dat aantoont dat opioïden bij chronische pijn een klinisch relevante meerwaarde hebben ten opzichte van andere pijnstillers, waaronder NSAID’s.
  • Richtlijnen voor de behandeling van chronische pijn dienen duidelijk aan te geven dat er weinig bewijs is voor de werkzaamheid van opioïden, met wel risico’s op bijwerkingen en verslaving.
  • Er zijn voldoende argumenten om opioïden niet aan te bevelen bij de meeste gevallen van chronische pijn.
  • Als opioïden toch voorgeschreven worden bij chronische pijn hebben betrokken zorgverleners een verantwoordelijkheid bij de voorlichting van de patiënt, het precieze gebruik en het monitoren van de effecten.

Verassend weinig beter effect opioïden

Bij patiënten met chronische, niet-kankergerelateerde pijn, blijken gebruikers van opioïden slechts in geringe mate te verschillen van placebogebruikers wat betreft vermindering van pijn en verbetering van lichamelijk functioneren. Canadese onderzoekers concludeerden dit na een systematisch literatuuronderzoek en meta-analyse van de gevonden effecten.1 Een klinisch relevante pijnvermindering werd weliswaar door circa 60% van de opioïdengebruikers gemeld, maar dit was slechts circa 12% vaker dan door placebogebruikers. Voor klinisch relevante verbetering van het lichamelijk functioneren gold dit ook voor slechts een kleine minderheid (ca. 9%). Ten opzichte van NSAID’s, tricyclische antidepressiva, anti-epileptica of cannabis blijken opioïden-patiënten geen klinisch relevant voordeel op te leveren in de vorm van minder pijn of beter lichamelijk functioneren. Dit alles gaat wel gepaard met een kans op bijwerkingen en risico’s van verslaving.

Definitie chronische pijn en methode literatuuronderzoek 

Chronische pijn betrof elke pijnlijke conditie die langer dan 3 maanden bestond en die niet gerelateerd was aan kanker. In de literatuur werd op een systematische wijze gezocht naar onderzoeken waarbij opioïden toegepast werden bij diagnoses als rugpijn, fibromyalgie, whiplash, prikkelbaredarmsyndroom, hoofdpijn, trauma, artrose, artritis, neuropathie, neuralgie, fantoompijn, neuritis en cervicobrachiaal syndroom.2

Meta-analyse onderzoeksgegevens

De effectiviteit van opioïden ten opzichte van placebo werd bepaald door in een meta-analyse de resultaten van alle in de literatuur gevonden gerandomiseerde onderzoeken (RCT’s) samen te voegen. Hierna werd hetzelfde extra gedaan met alleen de RCT’s waarvan de onderzoekers de kwaliteit als ‘hoog’ beoordeelden. Voor de vergelijking van opioïden met andere pijnstillers, waaronder NSAID’s, konden slechts gegevens gebruikt worden van RCT’s met een lage tot matige kwaliteit voor bewijs.1

Het beperkt effect ten opzichte van placebo

 
Pijnverlichting klinisch nauwelijks relevant

Het gebruik van opioïden bij chronische pijn was in vergelijking met placebo geassocieerd met gemiddeld meer pijnverlichting: 6,9 mm op een visueel analoge schaal (VAS) van 100 mm (95%BI -8,2 tot -5,6). Dit verschil was statistisch significant, maar klinisch irrelevant volgens de vooraf bepaalde definitie van minimaal 10 mm.1 Deze klinische relevante pijnvermindering werd door 60,6% van de opioïdengebruikers gemeld versus 47,7% bij placebogebruik (risicoverschil 11,9% [9,7 tot 14,1]). De bevindingen zijn gebaseerd op 42 RCT’s met hoog gekwalificeerd bewijs. Follow-up was minimaal 3 maanden en betrof 16.617 patiënten. 

Lichamelijk functioneren minimaal beter

Op een schaal van 100 punten van lichamelijk functioneren was het verschil gemiddeld 2,04 punten (1,41 tot 2,68), een statistisch significant verschil. Dit verschil was klinisch irrelevant volgens de vooraf gestelde norm van 5 punten.1 De kans om dit minimale nog belangrijke verschil te scoren was 8,5% (5,9 tot 11,2) groter in vergelijking met placebo (54,6% opioïdengebruikers versus 46,1% placebo). Hiervoor werden de gegevens gebruikt van 51 RCT’s die als ‘hoog’ gekwalificeerd werden (15.754 patiënten).

Het gebruik van opioïden was noch positief, noch negatief geassocieerd met emotioneel of sociaal functioneren of met betere slaapkwaliteit in vergelijking met placebo.

Bijwerkingen

Braken was een probleem bij 9,4% van de groep patiënten met opioïden versus 2,3% van de groep patiënten met placebo. Dit bleek met name nadat 18 RCT’s (5.961 patiënten) van de 51 RCT’s (11.268 patiënten) uitgesloten werden die gebruik maakten van een zogenoemde verrijkingsfase. In een dergelijke voorfase worden patiënten niet tot een studie toegelaten als zij geen verbetering ervaren of problematische bijwerkingen hebben. In minstens 20 geanalyseerde RCT’s werden steeds elk van de volgende bijwerkingen gerapporteerd: misselijkheid, obstipatie, duizeligheid, hoofdpijn, jeuk en droge mond. Een hogere incidentie van al deze bijwerkingen, behalve hoofdpijn, was geassocieerd met opioïdgebruik. Deze conclusies zijn afkomstig uit de best beoordeelde onderzoeken.1 

Niet meer of minder werkzaam dan andere pijnstillers

 
NSAID’s

De samengevoegde resultaten van 9 RCT’s (als ‘matig’ gekwalificeerd) met in totaal 1.431 patiënten, toonden geen verschil in pijnvermindering tussen opioïden en NSAID’s: -6,0 mm (-15,4 tot 3,4) op een VAS van 100 mm. Er was ook geen verschil in het lichamelijk functioneren op een schaal van 100 punten: -0,90 punt (-2,69 tot 0,89) tussen opioïden en NSAID’s (gegevens van 1.311 patiënten van zeven onderzoeken met matige kwaliteit).

Tricyclische antidepressiva

Voor opioïden versus tricyclische antidepressiva waren voor pijnverlichting en voor lichamelijk functioneren geen verschillen aantoonbaar: -1,3 mm (-9,9 tot 7,4) respectievelijk -5,31 punten (-13,77 tot 3,14) op een schaal van 100 punten. Deze bevinding was gebaseerd op 3 RCT’s (246 patiënten) van ‘lage’ kwaliteit. Het betroffen onderzoeken alleen naar neuropathische pijn (tabel 1).

Anti-epileptica

Vergeleken met anti-epileptica, gaven opioïden een pijnvermindering van -9,0 mm (-16,5 tot -1,4), een statisch significant, maar klinisch irrelevant verschil. Dit resulteerde niet in een beter lichamelijk functioneren, gemeten volgens een 100-puntsschaal: 0,45 punten (-5,77 tot 6,66). Dit betrof drie als matig beoordeelde RCT’s met 303 patiënten. 

Cannabinoïden

Er waren geen verschillen wat betreft pijnvermindering en lichamelijk functioneren tussen opioïden en synthetische cannabinoïden volgens één gevonden onderzoek (laag gekwalificeerd; 73 patiënten).

Aanvullende bevindingen


Hogere dosis niet altijd werkzamer?

Een subgroepanalyse van hogere versus lagere doses opioïd uit zes onderzoeken vond geen verband tussen dosis en pijnverlichting, functioneel herstel of gastro-intestinale bijwerkingen.

Bij specifieke pijn?

Er werden geen onderzoeken gevonden waarin aanwijzingen bestaan dat opioïden beter werkzaam waren bij een specifieke pijnsoort.


Drie pijnsoorten

Bij pijn, wel of niet gerelateerd aan kanker, acuut of chronisch, maakt men onderscheid tussen drie soorten (tabel 1). De auteurs van het hier besproken onderzoek maakten bij hun subanalyses ook gebruik van deze onderverdeling.1

Tabel 1. Drie pijnsoorten, het mechanisme en een voorbeeld.

Pijnsoort

Mechanisme

Voorbeeld

Neuropathische pijn

Door beschadiging zenuwweefsel

diabetische neuropathie

Nociceptieve pijn

Door beschadiging van (niet-neurogeen) weefselactivatie zgn. nociceptoren (zenuwuiteinden)

artrose

Centrale sensitisatie

Geen weefselschade

fibromyalgie

 

WHO-pijnladder voor pijn bij kanker, niet voor chronische pijn?

Als behandelrichtlijn voor pijn bij kanker bestaat de WHO-pijnladder.3 Het is opmerkelijk dat er verschillende richtlijnen zijn die op basis van deze voor kankerpijn bedoelde aanbevelingen ook opioïden adviseren bij chronische pijn, die niet met kanker gerelateerd is, als derde keus, nadat paracetamol en NSAID’s onvoldoende werkzaam blijken. De WHO-pijnladder, een initiatief van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), kwam in 1986 tot stand na aanbevelingen van een internationale groep van experts, zonder duidelijkheid over de wetenschappelijke verantwoording ervan.4

Richtlijnen adviseren opioïden bij chronische pijn

Voorbeelden van richtlijnen die mede op basis van de WHO-pijnladder opioïden bij chronische pijn als behandeloptie aanbevelen of als mogelijkheid suggereren zijn:

  • De richtlijn ‘Lumbosacraal radiculair syndroom’ van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie (“De werkgroep beveelt aan naar goede pijnstilling te streven volgens de WHO-pijnladder”).5
  • De Multidisciplinaire richtlijn ‘Pijn’ van de Vereniging van Specialisten Ouderengeneeskunde en Sociaal Geriaters (“Voor de medicamenteuze behandeling van kwetsbare ouderen met chronische pijn is de WHO-pijnladder het uitgangspunt”).6
  • De NHG-Standaard Pijn van het Nederlands Huisartsen Genootschap (“Er bestaat geen eenduidige consensus over de bruikbaarheid van de WHO-pijnladder voor de aanpak van chronische niet-kanker pijn”).7

De auteurs van de NHG-Standaard, die de bruikbaarheid van de WHO-ladder in het midden laten, besteden ruim aandacht aan voor- en nadelen van opioïden in het algemeen en bij chronische pijn in het bijzonder.7 Huisartsen wordt geadviseerd om terughoudend te zijn met het gebruik van opioïden voor niet-palliatieve pijnstilling. Dat houdt onder meer in: niet voorschrijven bij geneesmiddelenverslaving, terughoudend zijn bij psychische aandoeningen, regelmatig verbruik en effect evalueren, restanten laten terugbrengen, recepten niet herhalen zonder (her)oordeel van (huis)arts en bij onvoldoende effect niet automatisch de dosis verhogen.7

Bewijs voor werkzaamheid van of aanbevelingen voor alternatieve (niet-) medicamenteuze behandelingen van chronische pijn vallen buiten het bestek van dit artikel. Hetzelfde geldt voor het belang van monitoring door voorschrijver en apotheker van de effecten en het precieze gebruik van opioïden, wanneer voorgeschreven of afgeleverd ten bate van chronische pijn. 

Een epidemie van opiaten en werkzaamheid nauwelijks relevant?

Van vele kanten komen berichten dat de opiatenepidemie een wereldwijd toenemend probleem is geworden.8 Recent retrospectief onderzoek op basis van declaratiegegevens van zorgverzekeraars geeft te zien dat het totaal aantal opioïdgebruikers per jaar in Nederland tussen 2010 en 2017 toenam van 650.000 naar ruim één miljoen, waarvan 21% 4 maanden of langer. De stijging wordt vooral veroorzaakt door oxycodon. Voorlopige cijfers suggereren dat 75% van de eerste voorschriften en 90% van de herhaalvoorschriften van de hand van de huisarts is.9 Gebruik van opioïden zonder controle op een juiste (terughoudende) toepassing leidt ongemerkt tot misbruik. Dit risico lijkt groter als rekening gehouden wordt met het gegeven dat veel patiënten met chronische pijn ook aandoeningen hebben die geassocieerd worden met een verhoogde kans op geneesmiddelenverslaving, zoals depressie, angststoornissen en slaapstoornissen.10

Pijnverlichting statistisch significant of klinisch relevant?

Een medische behandeling heeft pas toegevoegde therapeutisch waarde als het effect van de behandeling door patiënten als belangrijk ervaren wordt (klinisch relevant).11 In het onderzoek dat in dit artikel besproken wordt, werd voor pijn 10 mm op een VAS van 100 mm beschouwd als klinisch relevant.1 Dit is een algemeen geaccepteerde norm voor chronische pijn,12 hoewel sommigen een hogere grens hanteren (20 tot 23 mm).13 In het geval van pijn ten gevolge van knieartrose wordt in een Nederlandse richtlijn voor het minimaal klinisch relevante verschil een lagere norm aangehouden, “7 tot 8 punten op een 0-100 meetschaal”.14 Bij onderzoeken naar behandeleffecten voor chronische pijn ervaren patiënten 10 mm op een VAS-schaal als een ‘minimale’ of ‘geringe’ verbetering.12 Verbeteringen van 20 mm zijn geassocieerd met ‘enige’ of ‘veel’ verbetering of met ‘niet vragen om aanvullende medicatie’ en onderscheiden patiënten 20 mm als de grens tussen ‘veel beter’ en ‘gering beter’.12, 15 In het in dit artikel besproken onderzoek naar de effecten van opioïden ten opzichte van placebo was de gemiddelde pijnverbetering slechts 6,9 mm.1 Er waren wel patiënten die met opioïden een verbetering aangaven van 10 mm of meer, maar de kans hierop was slechts circa 12%.

Lichamelijk functioneren statistisch significant of klinisch relevant beter?

Hoe pijn het lichamelijke functioneren beïnvloedt, kan gemeten worden aan de hand van de items van de dimensie fysiek functioneren uit de zogenoemde 36-item Short Form Health Survey (SF-36-items).16 Deze SF-36-items betreffen beperkingen bij dagelijkse activiteiten als trappenlopen, wassen en aankleden, iets optillen of een bepaalde afstand lopen, ten gevolge van pijn of andere gezondheidsproblemen. Een hoge score (tot maximaal 100 punten) betekent dat een patiënt zich in staat acht tot de meest inspannende activiteiten, bijvoorbeeld hardlopen. Personen met lage scores zijn ernstig beperkt, bijvoorbeeld bij zich zelf wassen of aankleden. Veel ervaring werd hiermee opgedaan in onderzoek naar de behandeling van reumatische ziekten.17, 18 De auteurs van het besproken onderzoek kozen voor 5 punten als een minimaal belangrijke verbetering op een maximaal mogelijk scoretotaal van 100 punten.1 Deze keuze was gebaseerd op een validatiestudie van de SF-36-items onder patiënten met reumatoïde artritis.18 Het bleek dat opioïden gemiddeld slechts een statistisch significante verbetering gaven van 2,04 punten ten opzichte van placebo. De kans op een SF-36-items-score van minimaal 5 punten was voor patiënten behandeld met opioïden slechts 8,5 % meer dan zij die met een placebo behandeld werden.


Goed onderzoek

Dit systematisch literatuuronderzoek en bijbehorende meta-analyses van 96 gerandomiseerde RCT’s met meer dan 26.000 patiënten lijkt methodologisch goed uitgevoerd met een strikt onderzoeksprotocol.1 De kans op vertekening en de kwaliteit van elk onderzoek afzonderlijk werden zorgvuldig afgewogen.

Artrose en rugpijn meest onderzocht

In de 42 onderzoeken die opioïden vergeleken met placebo en waarvan de kwaliteit als hoog werd beoordeeld werden artrosepijn en rugpijn, en daarna neurogene pijn, het meest onderzocht (tabel 2). In de onderzoeken waarbij opioïden vergeleken werden met andere pijnstillers, werden NSAID’s het meest gebruikt (tabel 2). 

Tabel 2. Aantallen onderzochte interventies waarmee opioïden werden vergeleken per klinische conditie of diagnose.

Klinische conditie

of diagnose

Alle RCT’s

 

met placebo

Selectie RCT’s

^ met placebo

RCT’s

 

met NSAID

RCT’s

 

met TCA

RCT’s met

 

anti-epileptica

RCT’s

 

met cannabis

Artrose

24

15

5

 

 

 

Neuralgie*

22

8

 

2

3

1

Lage rugpijn

24

16

3

 

 

 

Lage rughernia

 

1

 

1

 

 

Fibromyalgie

2

1

1

 

 

 

Reumatoïde artritis

2

 

 

 

 

 

Overig

2

1

 

 

 

 

Totaal

76

42

9

3

3

1

^alleen RCT’s als ‘hoog’ gekwalificeerd; *inclusief neuropathische pijn; TCA = tricyclisch antidepressivum.

Beperkingen

Beperkingen werden voornamelijk bepaald door de heterogeniteit van de onderzoeksgegevens, tekort aan onderling te vergelijken onderzoeken en het niet naar beneden bijstellen van de kwaliteit van bewijs, omdat de grootte en de richting van het effect grotendeels consistent waren. Ook konden geen uitspraken gedaan worden over werkzaamheid na 6 maanden, omdat geen enkele studie dit onderzocht. Er werd geen informatie gevonden over het ontstaan van opioïdenverslaving.

Niet representatief voor de praktijk

De onderzoeksomstandigheden zijn waarschijnlijk niet representatief voor de dagelijkse praktijk. Patiënten bekend met geneesmiddelenverslaving werden namelijk in 74% van de onderzoeken uitgesloten. Ook patiënten met een psychische ziekte of zij die psychofarmaca gebruikten, werden in 47% van de studies uitgesloten. In theorie hebben juist deze uitgesloten patiënten in de gewone praktijk meer kans op de nadelige gevolgen van opioïdengebruik, in het bijzonder verslaving eraan.

Hogere dosis niet zomaar meer effectief?

In een redactioneel editorial, dat tegelijkertijd met het hier besproken literatuuronderzoek gepubliceerd werd, wordt apart een additionele subanalyse besproken.10 Gegevens van zes RCT’s (‘matige’kwaliteit) lieten na regressieanalyses geen dosisafhankelijke respons zien (matig gekwalificeerd bewijs). Hogere doses gaven niet meer pijnverlichting (p = 0,39) of lichamelijke verbetering (p = 0,22).1 De auteur van het editorial pleit mede om deze reden voor uiterste behoedzaamheid als overwogen wordt doseringen voor opioïden op te hogen. Werkzaamheid van een dosisverhoging zou dan tegenvallen, terwijl deze wel geassocieerd is met verhoogde risico’s op bijwerkingen en verslaving.10

Besproken studie samengevat

Soort onderzoek: systematisch literatuuronderzoek en meta-analyse uit 6 gegevensbestanden (Central, Cinahl, Embase, Medline, Amed en Psycinfo)
Financiering: Canadian Institutes of Health Research en Health Canada
Belangenverstrengeling: 1 van de 36 schrijvers
Onderzoeksvraag: is het gebruik van opioïden bij de behandeling van chronische, niet met kanker gerelateerde pijn geassocieerd met meer baat of schade vergeleken met placebo of andere analgetica?
Insluitcriteria: gerandomiseerde gecontroleerde onderzoeken waarin opioïden vergeleken werden met placebo of andere analgetica bij chronische pijn niet met kanker gerelateerd, met een vervolgperiode van minimaal 4 weken
Aantal onderzoeken: 96 (94 publicaties)
Aantal patiënten: 26.169
Patiëntkenmerken: 61% vrouw; mediane leeftijd 58 jaar; 25 onderzoeken betroffen neuropathische pijn, 32 nociceptieve pijn, 33 centrale sensitisatie (geen weefselbeschadiging aantoonbaar) en 6 gemengd pijntype
Interventie: in de meta-analyses werd tramadol in ca. 30%, oxycodon in ca. 20% en de overige opioïden (waaronder morfine, fentanyl, buprenorfine, tapentadol, codeïne) in ca. 50% van de gevallen onderzocht; mediane waarde van de gemiddelde morfine-equivalentdosis per dag 45,0 mg (7,5 tot 242,7 mg)
Primaire eindpunten: per onderzoek werden mediane waarden berekend van: a) de verandering van de pijnintensiteit (op een visueel analoge schaal van 0 tot 100 mm), b) de kans om 10 mm pijnvermindering te bereiken, het laagste verschil dat een patiënt nog belangrijk vindt, c) het lichamelijk functioneren op 36 punten gemeten en uitgedrukt in een score van 1 tot 100, d) de kans om het laagste nog belangrijke verschil van 5 verbeteringen te scoren en e) de frequentie van braken
Gegevensextractie en synthese: toepassing van ‘random-effectmodel’ voor ‘pooling’ om niet- systematische heterogeniteit tussen onderzoeken te verdisconteren; verder kwaliteitscontrole volgens GRADE en naar kans op vertekening (bias), om de kwaliteit van de RCT’s te bepalen (‘hoog’, ‘matig’ ‘laag’ of ‘erg laag’)
Register: Prospero CRD42012003023

  1. Busse JW, Wang L, Kamaleldin M, Craigie S, Riva JJ, Montoya L, et al. Opioids for Chronic Noncancer Pain: A Systematic Review and Meta-analysis. JAMA. 2018;320(23):2448-60.
  2. Busse JW, Schandelmaier S, Kamaleldin M, Hsu S, Riva JJ, Vandvik PO, et al. Opioids for chronic non-cancer pain: a protocol for a systematic review of randomized controlled trials. Syst Rev. 2013;2:66.
  3. World Health Organization. WHO's cancer pain ladder for adults 1986 [Available from: https://www.who.int/cancer/palliative/painladder/en/.
  4. Vargas-Schaffer G. Is the WHO analgesic ladder still valid? Twenty-four years of experience. Can Fam Physician. 2010;56(6):514-7, e202-5.
  5. Nederlandse Vereniging voor Neurologie. Richtlijn Lumbosacraal radiculair syndroom. 2008 [Available from: https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/lumbosacraal_radiculair_syndroom.
  6. Vereniging van Specialisten Ouderengeneeskunde en Sociaal Geriaters. Multidisciplinaire Richtlijn Pijn. Herkenning en behandeling van pijn bij kwetsbare ouderen 2016 [Available from: https://www.verenso.nl/_asset/_public/Richtlijnen_kwaliteit/richtlijnen/database/VER-003-32-Richtlijn-Pijn-deel1-v5LR.pdf.
  7. Nederlands Huisartsen Genootschap. NHG-Standaard Pijn 2018 [Available from: https://www.nhg.org/standaarden/samenvatting/pijn.
  8. Helmerhorst FM. Overmatig gebruik van opioïden. Gebu. 2017;51(10):84-5.
  9. Schepens MHJ, Leusink M, de Vries SE, van Erkelens JA, Eleveld H, Prenger A, et al. Toename in extramuraal opioïdgebruik in Nederland. Ned Tijdschr Geneeskd. 2019;163:8-16.
  10. Ashburn MA, Fleisher LA. Increasing Evidence for the Limited Role of Opioids to Treat Chronic Noncancer Pain. JAMA. 2018;320(23):2427-8.
  11. van Deventer K, Janssens HJEM. Klinische relevantie van onderzoeksuitkomsten. Wat schiet de patiënt ermee op? Gebu. 2019;53(1):1-11.
  12. Dworkin RH, Turk DC, Wyrwich KW, Beaton D, Cleeland CS, Farrar JT, et al. Interpreting the clinical importance of treatment outcomes in chronic pain clinical trials: IMMPACT recommendations. J Pain. 2008;9(2):105-21.
  13. Olsen MF, Bjerre E, Hansen MD, Tendal B, Hilden J, Hrobjartsson A. Minimum clinically important differences in chronic pain vary considerably by baseline pain and methodological factors: systematic review of empirical studies. J Clin Epidemiol. 2018;101:87-106 e2.
  14. Federatie Medische Specialisten (Nederlandse Orthopaedische Vereniging). Conservatieve behandeling van artrose in heup of knie. Pijnmedicatie (oraal, dermaal) bij artrose aan heup of knie 2018 [Available from: https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/artrose_in_heup_of_knie/behandeling_heup-_of_knieartrose/pijnmedicatie_oraal_dermaal.html.
  15. Salaffi F, Sarzi-Puttini P, Ciapetti A, Atzeni F. Clinimetric evaluations of patients with chronic widespread pain. Best Pract Res Clin Rheumatol. 2011;25(2):249-70.
  16. The RAND cooperation. Surveys; MOS 36-Item Short Form Survey Instrument (SF-36) 2019 [Available from: https://www.rand.org/health-care/surveys_tools/mos/36-item-short-form/survey-instrument.html.
  17. Hawker GA, Mian S, Kendzerska T, French M. Measures of adult pain: Visual Analog Scale for Pain (VAS Pain), Numeric Rating Scale for Pain (NRS Pain), McGill Pain Questionnaire (MPQ), Short-Form McGill Pain Questionnaire (SF-MPQ), Chronic Pain Grade Scale (CPGS), Short Form-36 Bodily Pain Scale (SF-36 BPS), and Measure of Intermittent and Constant Osteoarthritis Pain (ICOAP). Arthritis Care Res (Hoboken). 2011;63 Suppl 11:S240-52.
  18. Ward MM, Guthrie LC, Alba MI. Clinically important changes in short form 36 health survey scales for use in rheumatoid arthritis clinical trials: the impact of low responsiveness. Arthritis Care Res (Hoboken). 2014;66(12):1783-9.

Auteurs

  • dr Anton J.F.A. Kerst, internist n.p.
  • dr Hein J.E.M. Janssens, huisarts Stichting Geneesmiddelenbulletin, Utrecht
    Huisartsenpraktijk Geuzenwaard, Lobith
    Afdeling Eerstelijnsgeneeskunde, Radboud Universitair Medisch Centrum, Nijmegen