Multiple sclerose I. Behandeling van exacerbaties en ziektebeloop


onder medeverantwoordelijkheid van de redactiecommissie

Ofschoon er veel onderzoek is verricht naar de medicamenteuze behandeling van multiple sclerose, is veel onderzoek als klinisch niet-relevant te beschouwen en is er vrijwel geen goed opgezet langetermijnonderzoek. Middelen die zijn onderzocht betreffen corticosteroïden, immunoglobulinen, interferonen, glatirameer, mitoxantron en natalizumab. Onduidelijk blijft of deze middelen de prognose wezenlijk beïnvloeden (Gebu 2008; 42: 51-58).

 


In 1996 is voor de laatste maal aandacht besteed aan de medicamenteuze behandeling van multiple sclerose (MS) (Gebu 1996; 30: 1-6). Gezien de vele recente ontwikkelingen bij deze aandoening is een revisie op zijn plaats. In dit eerste deel van twee artikelen over de behandeling van multiple sclerose zal eerst aandacht worden besteed aan typen, beloop, pathologie, oorzaak, diagnose en het klinische beeld van MS. Daarna komt de medicamenteuze behandeling van exacerbaties en het ziektebeloop aan bod. In een tweede deel komt de behandeling van symptomen aan de orde. Ten slotte wordt een plaatsbepaling gegeven.

 



Algemeen. In het navolgende komen de meest gangbare therapieën aan de orde, zoals die worden gegeven aan volwassen patiënten met MS in Nederland. Begonnen wordt met de behandeling van RRMS, daarna van SPMS en PPMS. Symptomatische therapie zal in een volgend nummer aan bod komen. In veel onderzoeken worden ook de effecten van behandeling op de afwijkingen op de MRI-scan als surrogaateindpunt gemeld. De nadruk in dit artikel zal echter liggen op de klinische eindpunten van de beschreven onderzoeken. Alleen de resultaten van gerandomiseerd dubbelblind onderzoek worden beschreven. Onderscheid zal worden gemaakt tussen de behandeling van een exacerbatie, die vroeger bekend stond als 'Schub', en van het ziektebeloop.
Naast medicamenteuze therapie is een belangrijke taak weggelegd voor de revalidatiearts en de MS-verpleegkundige/nurse practitioner. Zij richten zich vooral op de sociale aspecten van het leven met MS, op aanpassingen in het dagelijkse leven en op het verbeteren van de kwaliteit van leven. In dit artikel zal echter op deze beide aspecten niet verder worden ingegaan.
Uitkomstmaten in klinisch onderzoek. Een belangrijke uitkomstmaat, die zowel in klinisch onderzoek als in onderzoek naar het natuurlijke beloop wordt gebruikt, is de Expanded Disability Status Scale (EDSS). De schaal loopt van 0 tot 10, waarbij 0 duidt op een normaal neurologisch onderzoek, de score 2 op minimale beperkingen, 4-5 op ambulant zijn zonder hulpmiddel, 6 op de noodzaak van een hulpmiddel bij het lopen, 7 op rolstoelafhankelijkheid en 10 op overlijden ten gevolge van MS. Het is een ordinale, niet-lineaire schaal die deels is gebaseerd op neurologische symptomen (in de lagere gebieden van de schaal) en deels op beperkingen (in de hogere gebieden). In de onderzoeken worden verschillen =1 punt op deze schaal als klinisch relevant beschouwd, maar daarover bestaat geen overeenstemming. Gemiddelde waarden zijn vaak kleiner dan één punt en zijn moeilijk te interpreteren.
Problemen met de onderzoeken. Een groot probleem bij het op de juiste waarde en betrouwbaarheid schatten van de resultaten van de gerandomiseerde onderzoeken is dat er vrijwel zonder uitzondering sprake is van onderzoeken met een commercieel ingegeven ontwerp. De kwaliteit van het onderzoek laat duidelijk te wensen over. Er zijn weinig langetermijnonderzoeken, veel onderzoek is niet geblindeerd, veel onderzoek is observationeel met hoge uitval van patiënten, en er is sprake van een zeer geselecteerde patiëntenpopulatie die in de onderzoeken is ingesloten en die soms de meer ernstig zieke patiënten betreffen. Meerdere auteurs verzoeken derhalve om langdurige, objectieve en onafhankelijke onderzoeken te verrichten naar de waarde van de moderne immunomodulatoren met name wat betreft de uitkomsten op de lange termijn.17 18

Begrippenlijst.

Relatief risico (RR): het risico van een bepaalde gebeurtenis in de behandelde groep (Y) Ry gedeeld door het risico in de controlegroep (X) Rx.
Formule: RR = Ry/Rx.

Odds ratio (OR): associatiemaat die het relatieve risico benadert.

Absoluut risico (AR): het aantal keren dat een bepaalde gebeurtenis optreedt bij een bepaalde groep personen gedurende een bepaalde periode.

Absolute risicoreductie (ARR): het risico van een bepaalde gebeurtenis in de controlegroep (X) Rx minus het risico in de behandelde groep (Y) Ry.
Formule: ARR = Rx-Ry.

'Number Needed to Treat' (NNT): het aantal patiënten dat men gedurende een bepaalde periode moet behandelen om één bepaalde gebeurtenis te voorkomen, in vergelijking met de controlebehandeling.
Formule: NNT = 1/(Rx-Ry).

 



Bij primair en secundair progressieve MS komen in het algemeen geen exacerbaties voor, maar is veelal sprake van een langzaam progressieve verslechtering van het klinische beeld.
In 1998 werd een onderzoek gepubliceerd bij 718 patiënten met SPMS waarin interferon bèta-1b werd vergeleken met placebo.81 Patiënten hadden gemiddeld 13 jaar MS en de uitgangswaarden van de EDSS waren respectievelijk 5,1 en 5,2. Het primaire eindpunt was progressie van de EDSS met minimaal één punt. Het onderzoek zou tenminste drie jaar moeten duren maar werd voortijdig na een vervolgperiode van 2,5 jaar gestopt. Bij analyse van het primaire eindpunt had 50% van de 358 patiënten die placebo gebruikten toename van de EDSS tegenover 39% van de 360 patiënten die interferon bèta-1b gebruikten, een significant verschil. De gemiddelde EDSS na afloop was bij de placebogroep 5,84 en van de interferongroep 5,59, een niet significant verschil. Opgemerkt werd dat het gunstige effect zowel optrad bij patiënten met als zonder nog aanwezige exacerbaties. Dit gunstige, positieve verslag werd helaas tenietgedaan door de publicatie van een groot Amerikaans onderzoek bij dezelfde doelgroep.82 618 patiënten werden daarin gedurende drie jaar vervolgd. De gemiddelde duur van de ziekte was ongeveer 13,5 jaar met een uitgangswaarde van de EDSS van 5,4. Het primaire eindpunt was de tijd tot bevestigde ziekteprogressie met tenminste één EDSS-punt. Er werd geen significant verschil gevonden tussen interferon bèta-1a (Rebif®) en placebo op dit primaire eindpunt. Het aantal exacerbaties boven op de progressie verminderde wel significant door de actieve behandeling, ofschoon het effect gering was. De mening van de meeste commentatoren is, ook na het bekend worden van resultaten van andere SPMS-onderzoeken, dat er geen indicatie is voor immunomodulatoren bij SPMS. Dit dient alleen te worden overwogen als er veel bijkomende exacerbaties zijn.80 83 Wetenschappelijk bewijs voor effectieve therapie bij primair progressieve MS is helaas afwezig.

 

Plaatsbepaling

In Gebu 1996; 30: 1-6 werd gesteld dat er wat betreft de behandeling van multiple sclerose enige reden tot optimisme was met de tot dan toe bekende middelen, maar dat voorzichtigheid was geboden. Twaalf jaar later kan worden vastgesteld dat de behandeling van MS nog teleurstellend is. Teleurstellend ook omdat begin jaren negentig van de vorige eeuw er een evidente verwachting bestond dat immunomodulatoren op termijn de ziekte zouden afremmen hetgeen ook een beslissende factor was bij het goedkeuren van interferonen door de FDA.84 Deze verwachting is helaas niet waargemaakt. Surrogaatparameters, zoals MRI-afwijkingen dienen geen leidraad bij de behandeling te zijn. Zoals boven beschreven is aangetoond dat immunomodulatoren, gestart in het begin of verderop in het beloop van RRMS, een reductie van circa 30% van het aantal exacerbaties geeft gedurende twee tot drie jaar. De ernst van de exacerbatie is mogelijk wat minder groot door actieve behandeling dan bij placebo. Dit positieve resultaat moet worden afgewogen tegen de nadelen van deze therapie: bijwerkingen, ongemakken, somatisatie en hoge kosten. Het is onvoldoende aangetoond dat deze medicatie ook op de lange termijn effectief is. De vraag is dus wanneer en bij welke patiënten met RRMS met immunomodulatoren gestart en gestopt zou moeten worden. Om patiënten met een lichtverlopende MS (hoe moeilijk ook te voorspellen) de nadelen van MS-medicatie te besparen, lijkt het beter om een eerste manifestatie van RRMS niet met immunomodulatoren te behandelen. Ook omdat niet is aangetoond dat vroeg behandelen op termijn beter is dan laat behandelen. Indien een tweede exacerbatie zich aandient binnen twee jaar dient het nut van starten met de eerste keuzemiddelen interferon of glatirameer met de patiënt te worden besproken. Indien patiënten met RRMS ziekteactiviteit houden ondanks het gebruik van interferon of glatirameer, blijven als alternatieven mitoxantron of natalizumab over. Mitoxantron dient te worden gereserveerd voor patiënten die onder initiële therapie snel verslechteren. Het gebruik van dit middel gaat echter gepaard met potentieel ernstige bijwerkingen en het kan slechts kort worden toegediend. Ook houdt het effect van de behandeling kort aan. Over natalizumab is nog weinig te zeggen omdat de onderzoeken met dit middel slechts twee jaar duurden. Terughoudendheid bij het voorschrijven van dit middel is voorlopig aangewezen, vanwege de nog onduidelijke balans van werkzaamheid en veiligheid. Indien er ondanks behandeling verdere activiteit van MS is en de patiënt een grote behandelingswens heeft, wordt in de praktijk sporadisch teruggegrepen naar de oudere immunosuppressieve middelen, combinatietherapie of experimentele therapie, ondanks onzekere wetenschappelijke resultaten.
Totdat langdurige, objectieve en vooral onafhankelijk uitgevoerde onderzoeken naar de werkelijke waarde van de moderne immunomodulatoren op de lange termijn zijn uitgevoerd, zullen artsen met hun patiënten in alle bescheidenheid moeten spreken over de voor- maar ook de nadelen van medicamenteuze behandeling bij MS.

 
Trefwoorden: multiple sclerose, relapsing remitting, primair en secundair progressieve, corticosteroïden, immuunglobulinen, interferonen, glatirameer, mitoxantron, natalizumab


Stof- en merknamen®

adrenocorticotroophormoon
(ACTH)
merkloos
glatirameer Copaxone
immunoglobuline merkloos, Flebogamma, Gammagard, Ivegam, Octagam, Kiovig
interferon bèta-1a Avonex, Rebif
interferon bèta-1b Betaferon
methylprednisolon Depo-Medrol, Solu-Medrol
mitoxantron merkloos
natalizumab Tysabri



1. McDonald I, Compston A. Multiple Sclerosis in childhood. The clinical features and diagnosis of multiple sclerosis. Mc Alpine’s Multiple Sclerosis. Churchill Livingstone-Elsevier 2006, 343-346.
2. Pryse-Phillips W, Sloka S. Etiopathogenesis and Epidemiology: Clues to Etiology. Handbook of multiple sclerosis. Taylor and Francis 2006: 1-39.
3. Tremlett H, Paty D, Davonshire V. Disability progression in multiple sclerosis is slower than previously reported. Neurology 2006; 66:172-177.
4. Tremlett H, Paty D, Davonshire V. The natural history of primay progressive MS in British Columbia, Canada. Neurology 2005; 65: 1919-1923.
5. Pittock S J. Does benign multiple sclerosis today imply benign multiple sclerosis tomorrow? Implications for treatment [editorial]. Neurology 2007; 68: 480-481.
6. Sayao A-L, Davonshire V, Tremlett H. Longitudinal follow-up of “benign” multiple sclerosis at 20 years. Neurology 2007; 68: 496-500.
7. Miller D, Barkhof F, Montalban X, Thompson A, Filippi M. Clinically isolated syndromes suggestive of multiple sclerosis, part I: natural history, pathogenesis, diagnosis, and prognosis. Lancet Neurol 2005; 4: 281-288.
8. Ebers GC. Natural history of multiple sclerosis. J Neurol Neurosurg Psychiatry 2001; 71 (suppl 1): ii16-ii19.
9. Confavreux C, Vukusic S, Moreau T, Adeleine P. Relapses and Progression of disability in Multiple Sclerosis. N Engl J Med 2000; 343: 1430-1438.
10. Pittock SJ, Weinshenker BG, Noseworthy JH, Lucchinetti CF, Keegan M, Wingerchuk DM, et al. Not every Patient With Multiple Sclerosis Should Be Treated at Time of Diagnosis. Arch Neurol 2006; 63: 611-619.
11. Frohman EM, Havrdova E, Lublin F, Barkhof F, Achiron A, Sharief MK, et al. Most Patients With Multiple Sclerosis or a Clinically Isolated Demyelinating Syndrome Should Be treated at the Time of Diagnosis. Arch Neurol 2006; 63: 614-618.
12. Frohman EM, Racke MK, Raine CS. Multiple Sclerosis-The Plaque and Its Pathogenesis. N Engl J Med 2006; 354: 942-955.
13. Filippi M, Bozzali M, Rovaris M, Gonen O, Kesavadas C, Ghezzi A, et al. Evidence for widespread axonal damage at the earliest clinical stage of multiple sclerosis. Brain 2003; 126: 433-437.
14. Pascual AM, Martinez-Bisbal MC, Bosca I, Valero C, Coret F, Matinez-Granados B, et al. Axonal loss is progressive and partly dissociated from lesion load in early multiple sclerosis. Neurology 2007; 69: 63-67.
15. Polman CH, Reingold SC, Edan G, Filippi M, Hartung HP, Kappos, L et al. Diagnostic criteria for multiple sclerosis; 2005 revisions to the “McDonald Criteria.” Ann Neurol 2005; 58: 840-846.
16. McDonald I, Compston A. The symptoms and signs of multiple sclerosis. Mc Alpine's Multiple Sclerosis. Churchill Livingstone-Elsevier 2006, 291-300.
17. Vermeulen M. Gunstig effect van immuunmodulerende behandeling bij het terugdringen van functionele beperkingen nog niet aangetoond. Ned Tijdschr Geneesk 2007; 151: 850-851.
18. Ebers GC. Preventing multiple sclerosis? [commentary]. Lancet 2001; 357: 1547.
19. Milligan NM, Newcombe R, Compston DAS. A double blind controlled trial of high dose methylprednisolone in patients with multiple sclerosis. 1. Clinical effects. J Neurol Neurosurg Psychiatry 1987; 50: 511-516.
20. Filippini G, Brusaferri F, Sibley WA, Citterio A, Ciucci G, Midgard R, et al. Corticosteroids or ACTH for acute exacerbations in multiple sclerosis. Cochrane Database of Systematic Reviews 2000, Issue 4. Art. No.: CD001331. DOI: 10.1002/14651858.CD001331.
21. Gray OM, McDonnell GV, Forbes RB. Intravenous immunoglobulins for multiple sclerosis. Cochrane Database of Systematic Reviews 2003, Issue 3. Art. No.: CD002936. DOI: 10.1002/14651858.CD002936.
22. Achiron A, Barak Y, Faibel M, Kishner I, Chen M, Sarova-Pinhas I. Early treatment with intravenous immunoglobulin (ET-IVIG trial) following the first attack of multiple sclerosis: rationale and study design. Revue Neurologique 2000; 156 Suppl 3: S120.
23. Hommes OR, Maas-Enriquez M. ESIMS – An ongoing trial in secondary progressive multiple sclerosis. Multiple Sclerosis 2000; 6 Suppl 2: S27-32.
24. Poehlau D, Amoiridis G, Postert T, Schrimigk S, Nastos I, Schoels L, et al. Intravenous Immunoglobulin (IVIG) for the treatment of progressive multiple sclerosis. J Neuroimmunology 1995; Suppl 1: 47.
25. Poehlau D and the IVIG study group. Treatment of chronic multiple sclerosis with intravenous immunoglobulins – interim results on drug safety of an ongoing study. Multiple Sclerosis 2000; 6 Suppl 2: S21-23.
26. Visser LH, Beekman R, Tijssen CC, et al. A randomized, double-blind, placebo-controlled pilot study of i.v. immune globulins in combination with i.v. methylprednisolone in the treatment of relapses in patients with MS. Multiple Sclerosis 2004; 10: 89-91.
27. Informatorium Medicamentorum. 's-Gravenhage: WINAp/KNMP, 2007.
28.College voor Zorgverzekeringen. Middelen bij multiple sclerose. Farmacotherapeutisch kompas. 2007; 158-163.
29. Ciccone A, Beretta S, Brusaferri F, Galea I, Protti A, Spreafico C. Corticosteroids for the long-term treatment in multiple sclerosis (Review). Cochrane Database of Systematic Reviews 2008, Issue 1. Art. No.: CD006264. DOI: 10.1002/14651858.CD006264.pub2.
30. Filippini G, Munari L, Incorvaia B, Ebers GC, Polman CH, D’Amico R, et al. Interferons in relapsing remitting multiple sclerosis: a systematic review. Lancet 2003; 361: 545-552.
31. Interferons in relapsing remitting multiple sclerosis [Correspondence]. Lancet 2003; 361: 1821-1825.
32. The IFNB Multiple Sclerosis Study Group. Interferon beta-1b is effective in relapsing-remitting multiple sclerosis: I. Clinical results of a multicenter, randomized, double-blind, placebo-controlled trial. Neurology 1993; 43: 655-661.
33. PRISMS (Prevention of Relapses and Disability by Interferon b-1a Subcutaneously in Multiple Sclerosis). Randomised double-blind placebo-controlled study of interferon beta-1a in relapsing/remitting multiple sclerosis. Lancet 1998; 352: 1498-1504.
34. Jacobs LD, Cookfair DL, Rudick RA, Herndon RM, Richert JR, Salazar AM, et al. Intramuscular Interferon Beta-1 a for Disease Progression in Relapsing Multiple Sclerosis. Ann Neurol 1996; 39: 285-294.
35. Confavreux C, Compston A. The natural history of multiple sclerosis. McAlpine's Multiple Sclerosis. Churchill Livingstone Elsevier 2006: 183-221.
36. Noseworthy J, Miller D, Compston A. The Beta interferons. Adverse effects. Disease-modifying treatments in multiple sclerosis. Mc Alpine’s Multiple Sclerosis. Churchill Livingstone-Elsevier 2006, 776-779.
37. Kappos L, Polman CH, Freedman MS, Edan G, Hartung HP, Miller DH, et al. Treatment with interferon beta-1b delays conversion to clinically definite and McDonald MS in patients with clinically isolated syndromes. Neurology 2006; 67: 1242-1249.
38. Kappos L, Freedman MS, Polman CH, Edan G, Hartung H-P, Miller DH, et al. Effect of early versus delayed interferon beta-1b treatment on disability after a first clinical event suggestive of multiple sclerosis: a 3-year follow-up analysis of the BENFIT study. Lancet 2007; 370: 389-397.
39. Pittock S J. Interferon beta in multiple sclerosis: how much BENEFIT? Lancet 2007; 370: 363-364.
40. Comi G, Filippi M, Barkhof F, Durelli L, Edan G, Fernandez O, et al. Effect of early interferon treatment on conversion to definite multiple sclerosis: a randomised study. Lancet 2001; 357: 1576-1582.
41. Jacobs LD, Beck RW Simon HJ, et al and the CHAMPS Study Group. Intramuscular interferon beta-1a therapy initiated during a first demyelinating event in multiple sclerosis. N Engl J Med 2000; 343: 898-904.
42. Beck RW, Chandler DL, Cole SR, Simon JH, Lawrence D, Jacobs R, et al. Interferon beta-1a for early multiple sclerosis: CHAMPS trial subgroup analyses. Ann Neurol 2002; 51: 481-490.
43. CHAMPIONS Study Group. IM interferon beta-1a delays definite multiple sclerosis 5 years after a first demyelinating event. Neurology 2006; 66: 678-684.
44. Noseworthy JH. How much can we learn from long-term extension trials in multiple sclerosis? [editorial]. Neurology 2006; 67: 930-931.
45. Ebers G, Traboulsee A, Li D, Langdon D, Goodin DS, Reder, A et al. Final results from the interferon beta-1b 16-year long-term follow-up study. 22nd Congress of the ECTRIMS (2006).
46. The PRISMS (Prevention of Relapses and Disability by Interferon b-1a Subcutaneously in Multiple Sclerosis) Study Group and the University of British Columbia MS/MRI Analysis group. PRISMS-4: Long-term efficacy of interferon beta-1a in relapsing MS. Neurology 2001; 56: 1628-1636.
47. Kappos L, Traboulsee A, Constantinescu C, Erlinna J.-P, Forrestal F, Jongen P, et al. Long-term subcutaneous interferon beta-1a in patients with relapsing-remitting MS. Neurology 2006; 67: 944-953.
48. Rudick RA, Cutter GR, Baier M, Weinstock-Guttman B, Mass MK, Fisher E, et al. Estimating long-term effects of disease-modifying drug therapy in multiple sclerosis patients. Multiple Sclerosis 2005; 11: 626-634.
49. Brown MG, Kirby S, Skedgel C, Fisk JD, Murray TJ, Bhan V, et al. How effective are disease-modifying drugs in delaying progression in relapsing-onset MS? Neurology 2007; 69: 1498-1507.
50. O’Rourke K, Walsh C, Hutchinson M. Outcome of beta-interferon treatment in relapsing-remitting multiple sclerosis: a Bayesian analysis. J Neurol 2007; 254: 1547-1554.
51. Trojano M, Pellegrini F, Fuiani A, Paolicelli D, Zipoli V, Zimatore GB, et al. New natural History of interferon-beta Treated Relapsing Multiple Sclerosis. Ann Neurol 2007; 61: 300-306.
52. Limmroth V, Malessa R, Zettl UK, Koehler J, Japp G, Haller P, et al. Quality Assessment in Multiple Sclerosis Therapy (QUASIMS). J Neur 2007; 254: 67-77.
53. Lublin F. When marketing and science intersect: Do patients with ms benefit? Neurology 2002; 59: 1480-1481.
54. Kieburtz K, McDermott M. Needed in MS: Evidence, not EVIDENCE. Neurology 2002; 59: 1482-1483.
55. Munari L, Lovati R, Boiko A. Therapy with glatiramer acetate for multiple sclerosis. (Review) Cochrane Database of Systematic Reviews 2003, Issue 4. Art. No.: CD 004678. DOI: 10.1002/14651858. CD004678.
56. Boneschi FM, Rovaris M, Johnson KP, Miller A, Wolinsky JS, Ladkani D. Effects of glatiramer acetate on relapse rate and accumulated disability in multiple sclerosis: meta-analysis of three double-blind, randomized, placebo-controlled clinical trials. Multiple Sclerosis 2003; 9: 349-355.
57. Johnson KP, Brooks BR, Ford CC, Goodman A, Guarnaccia J, Lisak RP, et al. Sustained clinical benefits of glatiramer acetate in relapsing multiple sclerosis patients observed for 6 years. Multiple Sclerosis 2000; 6: 255-266.
58. Johnson KP, Brooks BR, Cohen JA, Ford CC, Goldstein J, Lisak RP, et al. Copolymer 1 reduces relapse rate and improves disability in relapsing-remitting multiple sclerosis: results of a phase 3 multicenter, double-blind placebo-controlled trial. The Copolymer 1 Multiple Sclerosis Study Group. Neurology 1995; 45: 1268-1276.
59. Johnson KP, Brooks BR, Ford CC, Goodman AD, Lisak RP, Myers LW, et al. Glatiramer acetate (Copaxone): comparison of continuous versus delayed therapy in a six- year organized multiple sclerosis trial. Multiple Sclerosis 2003; 9: 585-591.
60. Ford CC, Johnson KP, Lisak RP, Panitch HS, Shifroni G, Wolinsky JS and the Copaxone Study Group. A prospective open-label study of glatiramer acetate: over a decade of continuous use in multiple sclerosis patients. Multiple Sclerosis 2006; 12: 309-320.
61. Boneschi M, Rovaris M, Capra R, Comi G. Mitoxantrone for multiple sclerosis. Cochrane Database of Systematic Reviews. 2005, issue 4.Art. No.:CD002127. DOI: 10.1002/14651858. CD002127.pub2.
62. Goodin DS, Arnason BG, Coyle PK, Frohman EM, Paty DW. The use of mitoxantrone (Novantrone) for the treatment of multiple sclerosis. Report of the Therapeutics and Technology Assessment Subcommittee of the American Academy of Neurology. Neurology 2003; 61: 1332-1338.
63. Hartung H-P, Gonsette R, Koenig N, Kwiecinski H, Guseo A, Morrissey SP, et al. Mitoxantrone in progressive multiple sclerosis: a placebo-controlled, double-blind, randomised, multicentre trial. Lancet 2002; 360: 2018-2025.
64. Op de FDA website: Immunex Corp. Briefing document on mitoxantrone (Novantrone) for treatment of multiple sclerosis: Te lezen www.fda.gov/ohrms/dockets/ac/00/backgrd/3582b1k.pdf
65. Debouverie M, Taillandier L, Pittion-Vouyovitch S, Louis S, Vespignani H. Clinical follow-up of 304 patients with multiple sclerosis three years after mitoxantrone treatment. Multiple Sclerosis 2007; 13: 626-631.
66. Freedman MS, Pachner AR. Neutralizing antibodies to biological therapies. Editorial. Neurology 2007; 69: 1386-1388.
67. Noronha A. Neutralizing antibodies to interferon. Neurology (2007); 68 (24 suppl 4): s 16-22.
68. Goodin DS, Frohman EM, Hurwitz B, O’Connor PW, Oger JJ, Reder AT, et al. Neutralizing antibodies to interferon beta: Assessment of their clinical and radiographic impact: An evidence report: Report of the Therapeutics and Technology Assessment Subcommittee of the American Academy of Neurology. Neurology 2007; 68: 977-984.
69. Sorensen PS, Bertolotto A. Neutralizing antibodies to interferon beta: Assessment of their clinical and radiographic impact: An evidence report: Report of the Therapeutics and Technology Assessment Subcommittee of the American Academy of Neurology. Correspondence. Neurology 2007; 69: 1552-1553.
70. Sørensen PS, Deisenhammer F, Duda P, Hohlfeld R, Myhr K-M, Palace J, et al. guidelines on use of anti-IFN-ß antibody measurements in multiple sclerosis: report of an EFNS Task Force on IFN-ß antibodies in multiple sclerosis. Eur J Neurology 2005; 12: 817-827.
71. Polman CH, O’Connor PW, Havrdova E, Hutchinson M, Kappos L, Miller DH, et al. A randomized placebo-controlled trial of natalizumab for relapsing multiple sclerosis. N Engl J Med 2006; 354: 899-910.
72. Rudick RA, Stuart WH, Calabresi PA, Confavreux C, Galetta SL, Radue EW, et al. Natalizumab plus interferon beta-1a for relapsing multiple sclerosis. N Engl J Med 2006; 354: 911-923.
73. Schipper JP. Natalizumab bij multiple sclerose. Onduidelijke baten voor de patient. Ned Tijdschr Geneesk 2007; 151: 852-855.
74. Vermeulen M. Gunstig effect van immuunmodulerende behandeling bij het terugdringen van functionele beperkingen nog niet aangetoond. Ned Tijdschr Geneesk 2007; 151: 850-851.
75. Vellinga MM, Castelijns JA, Barkhof F, Uitdehaag BMJ, Polman CH. Postwithdrawal rebound increase in T2 lesional activity in natalizumab-treated ms patients. Neurology (2007) 13 september as doi: doi: 10.1212/01.wnl.0000265393.03231.e5
76. Rapport te downloaden van de website College voor zorgverzekeringen: http://www.cvz.nl/default.asp?verwijzing=/speciaal/cfh-rapporten/index.asp
77.Mullen JT, Vartanian TK, Atkins MB. Melanoma complicating treatment with natalizumab for multiple sclerosis. N Engl J Med 2008; 358: 647.
78. Pittock SJ, Weinshenker BG, Noseworthy JH, Lucchinetti CF, Keegan M, Wingerchuk DM, et al. Not every Patient With Multiple Sclerosis Should Be Treated at Time of Diagnosis. Arch Neurol 2006; 63: 611-619.
79. Frohman EM, Havrdova E, Lublin F, Barkhof F, Achiron A, Sharief MK, et al. Most Patients With Multiple Sclerosis or a Clinically Isolated Demyelinating Syndrome Should Be treated at the Time of Diagnosis. Arch Neurol 2006; 63: 614-618.
80. Goodin DS, Frohman EM, Garmany GP, Halper J, Likosky WH, Lublin DH, et al. Disease modifying therapies in multiple sclerosis: Subcommittee of the American Academy of Neurology and the MS Council for Clinical Practice Guidelines. Neurology 2002; 58: 167-178.
81. European Study Group on Interferon beta-1b in Secondary Progressive MS. Placebo-controlled multicentre randomised trial of interferon beta-1b in treatment of secondary progressive multiple sclerosis. Lancet 1998; 352: 1491-1497.
82. Secondary Progressive Efficacy Clinical Trial of Recombinant Interferon-beta-1a in MS (SPECTRIMS) Study Group. Randomized controlled trial of interferon beta-1a in secondary progressive MS, clinical results. Neurology 2001; 56: 1469-1504.
83. Noseworthy J, Miller D, Compston A. Secondary progressive multiple sclerosis. Disease-modifying treatments in multiple sclerosis. Mc Alpine’s Multiple Sclerosis. Churchill Livingstone-Elsevier. 2006, 765-769.
84. Ebers G. MRI: measure of efficacy. Brain 2000; 123: 2187-2188.

Auteurs

  • dr D. Bijl, drs J.P. Schipper