Mate van inspanning en de preventie van hart- en vaatziekten

Achtergrond. De resultaten van onderzoeken suggereren dat fysieke activiteit samenhangt met een verminderd risico van hart- en vaatziekten (HVZ) en, zoals eerder is besproken (Gebu 2002; 36: 82-83), van diabetes type 2. In de meeste onderzoeken maakt men echter geen onderscheid tussen matige en intensieve lichamelijke inspanning. Bovendien zijn deelnemers meestal blanke mannen. De Women´s Health Initiative Observational Study, een prospectief cohortonderzoek naar de belangrijkste oorzaken van ziekte en sterfte bij vrouwen in de postmenopauze in de VS, vergeleek wandelen, intensievere inspanning en bewegingsarm gedrag in relatie tot het risico van HVZ.

Methode. De deelneemsters (n=73.743; 50-79 jaar), die bij het begin van het onderzoek ambulant waren en geen HVZ, kanker of andere ernstige ziekten hadden, vulden een vragenlijst in over de totale tijd die zij gemiddeld per week aan lichamelijke activiteit besteedden en de intensiteit hiervan.1 2 Naast de (recreatieve) lichaamsbeweging werd ook het aantal uren in kaart gebracht dat dagelijks zittend of liggend werd doorgebracht. De lichamelijke inspanning werd gekwantificeerd met een metabole score, gebaseerd op het energieverbruik per uur. Tijdens het vervolgonderzoek van gemiddeld 3,2 jaar deden zich 1.551 nieuwe gevallen van HVZ voor, waaronder 345 myocardinfarcten. De incidentie werd gecorreleerd aan de eerder aangegeven mate van lichamelijke activiteit.

Resultaat. De score van alle activiteiten tezamen bleek een sterke negatieve correlatie te hebben met de kans op HVZ en coronaire accidenten. Dat gold zowel voor blanke als voor zwarte vrouwen en voor alle leeftijds- en gewichtscategorieën. Bij de berekening van het relatieve risico (RR) van HVZ bij verschillende niveaus van activiteit werd van de groepen de categorie met het laagste recreatieve energieverbruik vergeleken met de vier groepen met steeds hogere activiteit. Na aanpassing van de gegevens voor mogelijke vertekenende factoren, zoals leeftijd, gewicht, voeding, roken, hormoongebruik, opleidingsniveau en andere factoren, bedroegen deze RR´s in de categorieën met oplopende activiteit respectievelijk 1,00, 0,89, 0,81, 0,78 en 0,72 (p voor trend <0,001). Voor de wandelgroep maakte het tempo waarin werd gewandeld duidelijk verschil: snelwandelen (>6,4 km/u), stevig lopen (4,8-6,4 km/u) en kalm kuieren (3,2-4,8 km/u) versus zelden wandelen, gaf RR´s voor HVZ van 0,58, 0,76, 0,86 en 1,0. Het maakte echter nauwelijks verschil in de uitkomsten of het energieverbruik door wandelen of met intensievere lichamelijke inspanning (joggen, tennis) tot stand kwam. Een leefpatroon waarin extreem veel tijd zittend en slapend werd doorgebracht, werd geassocieerd met verhoogde kans op HVZ. Om de mogelijke invloed van subklinische ziekten op het aangegeven activiteitsniveau als verstorende factor uit te sluiten, werden de berekeningen ook gemaakt zonder de HVZ in het eerste jaar van vervolgonderzoek mee te tellen. De uitkomsten werden daardoor niet anders.

Conclusie onderzoekers. Dit prospectieve onderzoek bevestigt dat ook voor vrouwen na de menopauze, onafhankelijk van ras, leeftijd en gewicht, stevig wandelen of intensievere lichamelijke inspanning, gedurende minstens 2,5 uur per week, zijn geassocieerd met een vermindering van 30% in de incidentie van HVZ. Men dient echter te bedenken dat deze bevindingen zijn gebaseerd op vragenlijsten en dat de grote vrijwilligersgroep waar dit onderzoek uit voortkomt geen afspiegeling behoeft te zijn van alle vrouwen uit de VS. Bovendien wordt elk onderzoek over dit onderwerp geplaagd door de mogelijkheid dat actieven en inactieven een genetisch of anderszins verschillende populatie vormen. Andere onderzoeken echter, zoals de meta-analyse over hartrevalidatie, ondersteunen de uitkomsten.3

Plaatsbepaling

Juist voor ouderen in risicogroepen van hart- en vaatziekten, die primaire preventie zoeken, is het goed nieuws dat regelmatig 'stevig' wandelen samengaat met een risicoreductie die enigermate vergelijkbaar is met die met statinen wordt behaald. De methode is daarbij aangenaam en tevens goedkoper.



1. Manson JE, et al. Walking compared with vigorous exercise for the prevention of cardiovascular events in women. N Engl J Med 2002; 347: 716-725.
2. Thompson PD. Additional steps for cardiovascular health. Editorial. N Engl J Med 2002; 347: 755-756. 3. Joliffe JA, et al. Exercise-based rehabilitation for coronary heart disease. Cochrane Database Syst Rev 2001; 1: CD001800.

Auteurs

  • dr A.J.F.A. Kerst