Inhalatie van budesonide bij COPD

Achtergrond. De rol van inhalatiecorticosteroïden in de onderhoudsbehandeling van patiënten met chronisch obstructieve luchtwegaandoeningen (COPD) is, anders dan bij astma het geval is, nog verre van duidelijk. De belangrijkste vraag daarbij is of behandeling met inhalatiecorticosteroïden de afname van de longfunctie (FEV1) kan vertragen en de chronische klachten en exacerbaties doet verminderen. In een recente meta-analyse werd bij 95 patiënten met een matig-ernstige COPD, die gedurende twee jaar voornamelijk met beclometason waren behandeld, een significant geringere jaarlijkse afname van de longfunctie gevonden dan bij 88 met placebo behandelde patiënten.1 Een ander onderzoek met een looptijd van zes maanden, toonde bij 142 patiënten met een matig-ernstige longfunctiestoornis een significant gunstig effect van fluticason op de FEV1 en op de ernst van de klachten aan (Gebu 1998; 32: 98-99).2 Ook over de werkzaamheid van budesonide op de langere termijn, namelijk drie jaar, is nu meer bekend geworden.3

Methode. Uitgaande van een groot observationeel onderzoek naar luchtwegaandoeningen in Kopenhagen, werden 290 personen met een irreversibele luchtwegobstructie zonder astmatische component geselecteerd voor een dubbelblind onderzoek. Irreversibiliteit werd gedefinieerd door het uitblijven van een verbetering van de FEV1 met meer dan 15% door inhalatie van 1 mg terbutaline en door een tiendaagse stootkuur van eenmaal daags 37,5 mg prednison. De deelnemers (gem. 59 jaar) hadden een lichte vorm van COPD. Na randomisatie werden de patiënten behandeld met budesonide-inhalatiepoeder gedurende zes maanden (800 µg 's ochtends en 400 µg 's avonds), gevolgd door 30 maanden budesonide (400 µg 's ochtends en 400 µg 's avonds) of met placebo.

Resultaat. 203 Patiënten maakten het onderzoek af, er was weinig verschil in oorzaken van staken van de therapie tussen de groepen. Het onderzoek werd geanalyseerd volgens het ‘intention to treat'-principe. De longfunctie bleek in beide groepen even sterk achteruit te zijn gegaan. De daling was wat kleiner dan op grond van de rookgewoonten werd verwacht. Er was evenmin enig effect van budesonide op de klachten aantoonbaar: er deden zich 316 exacerbaties voor, 155 in de budesonidegroep en 161 in de placebogroep, hetgeen niet significant verschilde. De behandeling werd goed verdragen.

Conclusie. Een onderhoudsbehandeling met inhalatie van budesonide heeft geen zin bij personen met een lichte vorm van COPD zonder astmatische component, bij wie een eerdere stootkuur prednison oraal geen verbetering van de FEV1 had teweeggebracht.

Plaatsbepaling

Een proefbehandeling met voldoende hooggedoseerde inhalatiecorticosteroïden is alleen zinvol als een reversibiliteit van de luchtwegobstructie is aangetoond. Dit stemt overeen met de resultaten van een recent gepubliceerd dubbelblind, placebogecontroleerd onderzoek onder COPD-patiënten die roken.4 Ook hieruit bleek dat het gedurende drie jaar gebruiken van geïnhaleerd budesonide geen merkbaar effect had op de achteruitgang van de longfunctie.



1. Grunsven PM van, Schayck CP van, Derenne JB, Kerstjens HA, Renkema TE, Postma DS et al. Long term effects of inhaled corticosteroids in chronic obstructive pulmonary disease: a meta-analysis. Thorax 1999; 54: 7-14.
2. Paggiaro PL, Dahle R, Bakran I, Frith L, Hollingworth K, Efthimiou J et al. Multicentre randomised placebo-controlled trial in inhaled fluticasone propionate in patients with chronic obstructive pulmonary disease. Lancet 1998; 351: 773-80.
3. Vestbo J, Sørensen T, Lange P, Brix A, Torre P, Viskum K. Long-term effect of inhaled budesonide in mild and moderate chronic obstructive pulmonary disease: a randomised controlled trial. Lancet 1999; 353: 1819-1823.
4. Pauwels RA, Löfdahl C-G, Laitine LA, Schouten JP, Postma DS, Pride NB et al. Long-term treatment with inhaled budesonide in persons with mild chronic obstructive pulmonary disease who continue smoking. N Engl J Med 1999; 340: 1948-1953.