Homeopathie: meer dan placebotherapie?


Enige tijd geleden publiceerden enkele gerenommeerde medische tijdschriften vier vergelijkende klinische onderzoeken met homeopathische middelen.1-4 Dit vormde voor ons zusterblad Prescrire de aanleiding om de relevante onderzoeken die gepubliceerd werden in de periode 1990-1995 op een rij te zetten en in een eigen artikel nauwgezet te analyseren. Het hierna volgende is daarvan een bewerking. Na een korte uitleg van enkele homeopathische begrippen, worden eerst de vorderingen op het gebied van het fundamentele en farmacologische onderzoek besproken. Daarna volgt een kritische bespreking van de geselecteerde klinische onderzoeken. Na enige informatie over bijwerkingen, volgt tenslotte een antwoord op de vraag of er aanwijzingen zijn voor een werkzaamheid van homeopathische middelen.

 


Terug naar boven

Homeopathie is een stelsel van geneeskundige behandelingen ontwikkeld door de Duitse arts Hahnemann (1755-1843). De werkzaamheid wordt door de zogeheten ‘klassieke’ homeopathie toegeschreven aan de volgende hypothetische principes. Het eerste is het similia-principe: gelijke zaken worden genezen door gelijke middelen (similia simibilus curantur). Men vormt zich eerst een totaalbeeld van de klachten van de patiënt. Vervolgens zoekt men een middel dat bij toediening in hoge dosering bij gezonde personen symptomen veroorzaakt, die overeenkomen met de klachten van de patiënt. Dit wordt het individualiteitsprincipe genoemd. De reguliere geneeskundige therapie van de 18e en 19e eeuw maakte gebruik van toxische middelen. Dit heeft de ontwikkeling van de homeopathie bevorderd. Het similia-principe stond destijds dan ook tegenover het allopathische principe, dat uitging van genezing door het tegenovergestelde (contraria contrariis curantur).

Het tweede principe van de homeopathie is de toediening van middelen in zeer verdunde vorm. Van ieder middel wordt eerst een oertinctuur gemaakt. Een oertinctuur bevat 10 g werkzame stof opgelost in 100 ml oplosmiddel. Daarna vindt potentiëring plaats. het herhaald verdunnen en het telkens schudden na elke verdunning. Aan zo’n verdunning wordt een bepaalde kracht toegeschreven. Deze neemt toe met de graad van verdunning die meestal wordt uitgedrukt in D (decimale verdunning) en soms in C (centimale verdunning). D1 staat voor een 1:10 verdunning, dus één deel van de oorspronkelijke stof op negen delen oplosmiddel of verwrijving. Na goed schudden of verwrijven kan hiervan opnieuw één tiende deel met negen delen worden vermengd en verkrijgt men D2. Dit kan zo voortgaan tot verdunningen van D200 en zelfs hoger. C1 staat voor een 1:100 verdunning, dus één deel stof op 99 delen oplosmiddel of verwrijving.

In een verdunning hoger dan D24 of C12 is naar alle waarschijnlijkheid geen molecuul van de oorspronkelijke stof terug te vinden omdat met die verdunning het getal van Avogadro wordt overschreden. De werking van de stof gaat hierbij volgens de homeopathie niet verloren omdat een ‘afdruk’ van de oorspronkelijke stof in de vloeistof of de verwrijving achterblijft.

 


Terug naar boven

Een middel waarvan een farmacodynamische werking aantoonbaar zou kunnen zijn, hoeft niet altijd een therapeutisch effect te hebben. Daarentegen is hetniet erg waarschijnlijk dat een middel een therapeutisch effect heeft zonder dat er op zijn minst een farmacodynamische werking van bekend is.

Tot op heden is de farmacodynamische activiteit hoge verdunningen niet bewezen, ondanks pogingen daartoe door onder meer de onderzoeksgroep van Benveniste. Hun inspanningen leidden in 1988 tot een artikel in Nature, waarin zij van een ultramoleculaire verdunning met anti-immunoglobine-E-serum van schapen een biologisch effect leken aan te tonen, namelijk de ontkleuring van polynucleaire basofielen.5 Het betrof een verdunning van 10-120 molair, hetgeen zeer veel hoger is dan het getal van Avogadro. Dit artikel heeft geleid tot een levendige polemiek. De beschreven resultaten bleken echter op een artefact te berusten.6

 


Terug naar boven

Binnen het bestek van dit artikel is het niet mogelijk om gedetailleerd de diverse farmacologische onderzoeken naar homeopathie onder de loep te nemen. Elke onderzoeksgroep die over dit onderwerp publiceert, is op zijn eigen specialistische terrein bezig en lijkt geen rekening te houden met het werk van anderen.7 Een voorbeeld hiervan is onderzoek naar het effect van bepaalde moleculen op de groei van kankercellen. Andere onderzoeken houden zich bijvoorbeeld bezig met de invloed van verdunningen van acetylsalicylzuur op de bloedplaatjesaggregatie en met het effect van hoge verdunningen van kwikzouten op de nieren bij muizen. Veel van deze onderzoeken zijn gepubliceerd in serieuze tijdschriften. Voor zover bekend, is echter geen van de resultaten bevestigd door een andere, onafhankelijke onderzoeksgroep. Een enige tijd geleden gepubliceerde meta-analyse onderstreept de methodologisch zwakte van het farmacologisch onderzoek op het gebied van de homeopathie.8 De auteurs van deze meta-analyse concluderen wel dat enkele resultaten vragen oproepen en een aansporing zouden moeten vormen om de onderzoeken voort te zetten.8

 


Terug naar boven

Er bestaan talloze, op zichzelf staande, klinische waarnemingen die wijzen op het nut van bepaalde homeopathische behandelingen. Deze worden regelmatig gerapporteerd in specialistische tijdschriften en op de homeopathische congressen. Dergelijke observaties zijn niet onbelangrijk, maar ze vormen geen bewijs voor een specifiek therapeutisch effect van homeopatische behandelingen. Alleen klinische onderzoeken die het effect van een homeopatisch middel vergelijken met placebo kunnen een specifiek homeopatisch effect vaststellen dat verschilt van het natuurlijk beloop van de aandoeningen en van het placebo-effect dat inherent is aan het toedienen van een middel.

Aanhangers van de ‘klassieke’ homeopathie zijn van mening dat het similia-principe niet valt te toetsen in gecontroleerde klinische onderzoeken omdat elke behandeling gericht moet zijn op de individuele symptomen. Aanhangers van de ‘moderne’ homeopatie zijn daarentegen van mening dat bepaalde aandoeningen kunnen worden behandeld met stoffen die zijn afgestemd op ziektekenmerken, in plaats van op individuele symptomen. ‘Moderne’ homeopathische principes kunnen dan ook worden getoetst in gecontroleerde klinische onderzoeken.


Een meta-analyse9 en een boek10 zetten de belangrijkste klinische onderzoeken met homeopathishe middelen die tot en met 1990 zijn gepubliceerd op een rij. De in 1991 verschenen meta-analyse van alle gecontroleerde onderzoeken op het gebied van homeopathie (ca. 100 in de periode 1966-1990) concludeerde dat er positieve aanwijzingen waren voor een werkzaamheid van homeopathie.9 Omdat de meeste onderzoeken echter een slechte methodologische kwaliteit hadden, was dit onvoldoende om definitieve conclusies te trekken. Het boek concludeerde dat een specifiek effect van homeopathie in vergelijking met placebo niet was aangetoond.10 Sindsdien zijn er diverse vergelijkende klinische onderzoeken gepubliceerd. Sommige hebben betrekking op indicaties waarbij homeopathie vaak wordt toegepast, zoals wratten, recidiverende luchtweginfecties bij kinderen, astma, obesitas en pijn. Andere onderzoeken hielden zich bezig met de behandeling van ernstiger symptomen, zoals bij vergevorderde reumatoïde artritis.

Prescire publiceert regelmatig analysen van onderzoeken van geselecteerde onderzoeken uit de periode van 1990 tot begin 1995, gevolgd door commentaar (cursief). De auteur zocht daarbij naar dubbelblinde, gerandomiseerde en placebogecontroleerde onderzoeken. Uitgesloten werden open onderzoeken, onderzoeken met gezonde vrijwilligers en de zogenaamde ‘N-1’-trial.11 Met behulp van Medline (periode januari 1990 tot juli 1995) en Embase (periode januari 1992 tot januari 1995) werd een eenvoudige zoekstrategie toegepast door te selecteren op artikelen met de trefwoorden ‘homeopathy’ en ‘clinical trial’. Uiteindelijk werden 11 artikelen gevonden die voldeden aan de genoemde criteria.

Homeopathie postpartum (zuid-Afrika-1990)
Dit dubbelblinde placebogecontroleerde proefonderzoek werd verricht om te bepalen of één van twee potenties van Arnica montana, D6 of D30, geschikt is voor gebruik in grotere klinische onderzoeken. Het werd uitgevoerd in een ziekenhuis in Johannesburg onder 161 kraamvrouwen die bij de bevalling een episiotomie kregen of een perineale scheuring opliepen.12 De vrouwen werden gerandomiseerd over drie groepen: 85 vrouwen kregen niet-geïmpregneerde placebogranules, 37 kregen granules met Arnica montana D6, en 39 granules met Arnica montana D30. De arts noteerde de toestand van het perineum aan het begin van de behandeling en de daarop vier volgende dagen. Hij lette in het bijzonder op de aan- of afwezigheid van een hematoom groter dan 50 mm, op een eventuele ontsteking bij de hechtingen, op een mogelijke infectiehaard, op de aanwezigheid van oedeem en op de globale genezing van de wond. Elke patiënt noteerde in een dagboek de ernst van de perineale pijn, het gebruik van pijnstillers, haar stemming, de toestand van de baby en haar oordeel over de globale effectiviteit van de behandeling.

Over de periode van vier dagen vonden de onderzoekers geen statistisch significant verschil tussen de drie groepen wat de wondsluitingscriteria betreft. Daarentegen voelden significant meer vrouwen in de Arnica D30-groep (13%) zich ongelukkig dan in de Arnica D6-groep (0%) en in de placebogroep (2%). Verder beschouwden significant meer vrouwen de behandeling als effectief met Arnica D6 (43%) en placebo (46%), dan met Arnica D30 (23%). De auteurs concluderen dat de D6-potentie waarschijnlijk het meest effectief is om vervolgonderzoek mee te verrichten.

De specifieke werking van de homeopathische verdunningen van Arnica montana is hiermee niet aangetoond. Door het kleine aantal patiënten in de Arnica-groepen en de veelheid van beoordelingscriteria (in totaal 13) kunnen de waargenomen verschillen, in het bijzonder tussen de twee verdunningen, ook op toeval berusten.

Homeopathie bij kinderen met postoperatieve agitatie (Frankrijk-1990)
Het betreft hier een onderzoek naar de werkzaamheid van Aconitum napellus, een homeopathisch middel dat gewoonlijk wordt voorgeschreven bij agitatie die gepaard gaat met angst.13 In dit onderzoek werden 50 kinderen van ½-14 jaar opgenomen die in het ziekenhuis kwamen voor verschillende chirurgische ingrepen onder de navel, zoals liesbreuken, ectopieën en fimosis. Ze werden willekeurig in twee groepen verdeeld: agitatie op de uitslaapkamer werd behandeld met Aconitum napellus C4 of met placebo. Het belangrijkste beoordelingscriterium was de mate van kalmering in het kwartier wat er op volgde op de toediening. De auteurs geven echter niet aan hoe de agitatie werd gemeten. Hun publikatie geeft de indruk dat ze zich tevreden gesteld hebben met een globale subjectieve beoordeling.

Van de 50 kinderen zijn er 47 geanalyseerd, waarvan 23 met homeopathie en 24 met placebo. De twee groepen waren vergelijkbaar wat betreft de leeftijd, de aard van de ingreep en het type anesthesie. De auteurs melden dat bij 19 kinderen de agitatie verminderde door de eenmalige inname van een placebo. Bij één patiënt in de homeopathiegroep en bij 11 in de placebogroep verminderde de agitatie niet.

Het ontbreken van nauwkeurig gedefinieerde inclusiecriteria en van precieze beoordelingscriteria voor de postoperatieve agitatie maakt het onmogelijk om deze resultaten zonder voorbehoud te accepteren. Daarvoor is een nieuw onderzoek noodzakelijk met een groter aantal kinderen en beter omschreven methoden om de agitatie te beoordelen.

Homeopathie bij reumatoïde artitis (Brazillië-1991)
Aan dit dubbelblinde placebogecontroleerde onderzoek namen 44 patiënten met reumatoïde artritis deel.14 Ze werden vooraf klinisch beoordeeld en vervolgens maandelijks tijdens de zes maanden die na het onderzoek duurde. Een homeopathische arts stelde aan de hand van de symptomen de voor te schrijven middelen vast en schreef voor als mono of combinatietherapie in verdunningen van C5 tot C30. In totaal werden 21 verschillende middelen voorgeschreven. De arts kon de behandeling wijzigen op geleide van de ontwikkeling van de toestand van de patiënt, al wist hij uiteraard niet of deze homeopathische middelen of placebo (verdunning alcohol) kreeg. De patiënt kon de bestaande behandeling met pijnstillers en antireumatica voortzetten, maar diende de ingenomen hoeveelheden te noteren. De patiënt en de arts gaven hun globale oordeel over de ontwikkeling van de aandoening tijdens elke maand evaluatie. Van de oorspronkelijk 44 patiënten staakten er tien de behandeling op grond van ineffectiviteit: vijf met homeopathie en vijf met placebo. Daarnaast staakte één patiënt om andere redenen de homeopatische behandeling. De auteurs vonden geen statistisch significant verschil in effectiviteit en bijwerkingen tussen de twee groepen.

Dit onderzoek hield rekening met een essentieel kenmerk van de ‘klassieke’ homeopathie, namelijk het individualiteitsprincipe. Het continueren van een bestaande behandeling met pijnstillers en antireumatica strookt evenwel niet met de principes van de ‘klassieke’ homeopathie. Bovendien bemoeilijkt het geven van allopathische middelen de interpretatie van de uitkomst. Geconcludeerd kan worden dat bij de bestudeerde middelen er geen meerwaarde aantoonbaar was van de homeopathie. Met het geringe aantal patiënten is het echter moeilijk kleine verschillen tussen de groepen aan te tonen.

Homeopathie bij reumatoïde artritis (Duitsland-1991)
Door acht artsen (huisartsen, internisten en orthopeden) werd van juli 1987 tot oktober 1989 een dubbelblind, gerandomiseerd en placebogecontroleerd onderzoek uitgevoerd onder 176 ambulante patiënten met reumatoïde artritis.15 In het onderzoek werd een homeopathisch preperaat, bestaande uit een combinatie van vijf middelen (Rhus toxicodendron, Bryonia cretica, Nux vomica, Berberis vulgaris, Ledum palustre) in een D4-verdunning vergeleken met een alcoholische placebo-oplossing. Gedurende 12 weken ontvingen de patiënten 3-4 dd 10-20 druppels van het homeopatische middel of placebo. Elke patiënt noteerde dagelijks de ernst van de pijn op een visueel analoge schaal, alsmede het gebruik van pijnstillers. In tegenstelling tot het hiervoor besproken onderzoek, werden de patiënten die lokale of systematische corticosteroïden gebruikten uitgesloten. Als beoordelingscriteria golden: de ernst van de pijn ‘s nachts, in rust en tijdens beweging, de duur van de ochtendstijfheid, de ernst van de ontstekingsverschijnselen (gemeten met BSE en CRP), de vermoeidheid, de score op de functionele index van Lee en de globale beoordeling door de arts en de patiënt. Dit was echter niet conform het oorspronkelijke protocol waarin de ontwikkeling van de pijn en de inname van pijnstillers de belangrijkste beoordelingscriteria vormden. Dit betekent dus dat slechts een deel van het onderzoeksprotocol werd uitgevoerd.

Van de 176 patiënten werden er uiteindelijk 111 geanalyseerd: 58 met het homeopatisch middel en 53 met placebo. 65 (37%) Patiënten werden dus niet in de beoordeling betrokken. De statistische analyse bestond uit een vergelijking met een chi-kwadraat-toets van het percentage patiënten dat binnen elke groep verbeterde. Deze liet een significante verbetering zien ten gunste van de met homeopathie behandelde groep.

Er kwam veel kritiek op het grote aantal uitvallers, die niet in de analyse werden betrokken. Vervolgens bewerkten de auteurs hun gegevens opnieuw, ditmaal volgens, naar wat zij uitdachten, het ‘intention to treat’-principe waarbij alle oorspronkelijke deelnemers in de eindanalyse worden betrokken.16 Daartoe werden alle deelnemers die uit het zicht waren verdwenen gerekend tot degenen met een negatief resultaat, ongeacht of de behandeling bestond uit homeopathie of placebo. Dit leverde in de homeopathie of placebo. Dit leverde in de homeopathiegroep 44 verbeterde patiënten op en in de placebogroep 30. Bij 41 patiënten met homeopathie en bij 61 met placebo trad geen verbetering op. Het verschil was statistisch significant (eenzijdige chi-kwadraat-toets, p<0,01).

Dit onderzoek roept talloze vragen op. De toegepaste chi-kwadraat-toets is niet adequaat om de effectiviteit te bepalen. Daarvoor zou men een variatie-analyse voor herhaalde metingen hebben moeten uitvoeren. Aangezien de auteurs geen enkel individueel gegeven verschaffen, is het niet mogelijk om die analyse te maken. Verder hebben de onderzoekers het ‘intention to treat’-principe verkeerd toegepast. In een dergelijke analyse worden de gegevens van de uitvallers geanalyseerd volgens de bij de randomisatie toegewezen behandeling, ongeacht een latere wijziging hierin.

Homeopathie bij wratten op de voetzolen (Canada-1992)
Het betrof hier 174, via een universitair huisartseninstituut en de lokale media gerecruteerde personen met één of meerdere wratten op de voetzolen. Zij werden opgenomen in een dubbelblind, gerandomiseerd en placebogecontroleerd onderzoek.17 De ene helft van de deelnemers ontving gedurende zes weken een homeopathische behandeling die gebruikelijk is bij wratten, namelijk Thuja C30 200 granules/week, Antimonium crudum C7 5 granules/dag, en Nitricum acidum C7 200 granules/dag. De andere helft kreeg niet-geïmpregneerde granules als placebo. De gebruikte methodologie was goed: een strikte definiëring van de inclusiecriteria, een dubbele klinische beoordeling en een uiterst zorgvuldige controle van de waarnemingen. Het belangrijkste beoordelingscriterium was het volledig verdwijnen van de wratten. Het percentage genezen patiënten na 6, 12 en 18 weken was respectievelijk 5, 13 en 20%in de homeopatiegroep en 5, 13 en 24% in de placebogroep.

In dit methodologische goed uitgevoerde onderzoek verschilde het effect van de homeopathische behandeling dus niet van de placebotherapie.

Homeopathie bij een instabiele blaas (Oostenrijk-1993)
In dit onderzoek werden 40 patiënten betrokken die zich presenteerden met een instabiele blaas. Deze aandoening werd gedefinieerd als een dringende behoefte tot urineren in samenhang met pollakisurie, nycturie, dysurie en tenesmus.18 De deelnemers werden gerandomiseerd over twee groepen. De eerste groep kreeg gedurende vier weken een placebo en de tweede een verdunning van Causticum D4, een homeopathisch middel dat onverdund de symptomen van een instabiele blaas zou veroorzaken. Elke patiënt onderging een urodynamische test aan het begin en aan het einde van het onderzoek. De belangrijkste uitkomstparameters waren de hoeveelheid urine die bij elke aandrang werd geloosd, de mictiefrequentie en nycturie. Na vier weken werd een significante verbetering van elk van deze parameters vastgesteld in de Caustcum D4 behandelde groep.

Dit onderzoek voldoet op geen enkele wijze aan de criteria die men aan goed vergelijkend onderzoek stelt. De in- en exclusiecriteria zijn zeer summier vermeld en niet helder gedefinieerd. Verder worden de gegevens van de functie-onderzoeken niet vermeld en krijgt men de indruk dat de auteurs achteraf die parameters hebben gekozen, die zich tijdens de behandeling gunstig ontwikkelden in de homeopathiegroep. Over de placebogroep wordt geen enkele uitkomst verschaft en de statistische analyse heeft alleen betrekking op de ontwikkeling van de aandoening in de homeopathiegroep. Dit id onjuist, alleen een onderlinge vergelijking van effecten tussen de groepen is acceptabel.

Homeopathie bij obesitas (Duitsland-1994)
De onderzoekers selecteerden uit 12 huisartsenpraktijken 166 mannelijke patiënten van 23-72 jaar met overgewicht. Deze werden in een dubbelblind onderzoek gerandomiseerd over een homeopathie- en een placebogroep.19 zij hadden een ‘body mass index’ (BMI) van 26-35 en een verhoogd cardiovasculair risicoprofiel. Bij elke patiënt werd de lengte, het gewicht en de BMI gemeten en werd een biologische balans opgesteld. Dat gebeurde aan het begin van het 12 weken durende onderzoek en aan het einde van de vierde, achtste en twaalfde week. De homeopathiegroep nam Helianthus tuberosus D1 in. Aan het begin van het onderzoek waren de patiënten op alle punten vergelijkbaar. Van de 85 patiënten met placebo voltooiden er 45 het onderzoek en van de 81 patiënten met homeopathie 57. In de placebogroep nam het gewicht gemiddeld met 4,7 kg af en de BMI met ongeveer 1,5. In de homeopathiegroep was de gemiddelde gewichtafname 7,2 kg en daalde de BMI met ongeveer 2,3. Deze verschillen waren statistisch significant (p<0,05).

Ongeveer 40% van de oorspronkelijke patiënten viel gedurende het drie maanden durende onderzoek uit. Aangezien de analyse niet volgens het ‘intention to treat’-principe plaatsvond, ontneemt een dergelijke grote uitval het onderzoek haar validiteit. Hoewel Helianthus tuberosus onderdeel uitmaakt van de Duitse homeopatische farmacopee, is de toepassing ervan in de vorm van een eerste, decimale verdunning (een duidelijk weegbare dosering) niet homeopathisch, maar eerder fytotherapeutisch.

Homeopathie bij kinderen met diarree (Nicaragua-1994)
In twee klinieken werd gedurende 3,5 week een dubbelblind, placebogecontroleerd onderzoek uitgevoerd.1 Tijdens die periode werden alle kinderen van 0,5-5 jaar die naar het spreekuur kwamen vanwege acute diarree in het onderzoek opgenomen. Deze werd gedefinieerd als minstens drie onvaste stoelgangen gedurende de voorafgaande 24 uur. De diarree mocht niet langer dan één week geduurd hebben en de kinderen mochten niet meer dan één dosis van een antibioticum, een antiparasiticum of een spasmolyticum hebben gekregen in de 48 uur voorafgaande aan de inclusie. Elk kind werd vervolgens onderzocht op lengte, gewicht en dehydratiesymptomen. De dehydratie werd beoordeeld conform de richtlijnen van de WHO. Kinderen met een ernstige vorm van dehydratie werden van het onderzoek uitgesloten. Tijdens het eerste consult hebben de auteurs een index berekend om de ernst van de toestand uit te drukken waarbij ze voor elk kind rekening hielden met braken, pijn, koorts en de ernst van de dehydratie. De beoordeling van de klinische vooruitgang gebeurde door de ouders, waarbij zij op een dagkaart de kwaliteit en frequentie van de stoelgangen noteerden. Het belangrijkste beoordelingscriterium was de duur van de diarree-episode, gedefinieerd als het aantal dagen vanaf de inclusie tot het optreden van minder dan drie brijige stoelgangen per dag gedurende twee opeenvolgende dagen. De homeopathische middelen werden voorgeschreven door twee homeopathische artsen op geleide van de symptomen. Na elke stoelgang kreeg het kind van de ouders één met de homeopatische substantie C30 geïmpregneerde granule of één niet-geïmpregneerde placebogranule. In het onderzoek werden 92 kinderen opgenomen waarvan er 81 gedurende vijf dagen zijn gevolgd. 40 Kinderen kregen een homeopathisch middel en 41 een placebo. Vijf kinderen (3 met homepathie en 2 met placebo) werden van de analyse uitgesloten omdat ze niet aan de inclusiecriteria voldeden. Vier anderen verdwenen uit het zicht en twee moesten van hun ouders een andere therapie gaan volgen. Alle kinderen kregen volgens de WHO-richtlijnen een orale rehydratievloeistof. Aan de ouders werd gevraagd om de normale voeding te blijven geven en zo mogelijk eventuele borstvoeding voort te zetten.

Volgens het belangrijkste, tevoren vastgestelde beoordelingscriterium bedroeg de gemiddelde duur van de diarree in de homeopathiegroep 2½ dag en in de placebogroep 4 dagen, hetgeen een significant verschillen. Volgens de auteurs kon dit verschil alleen te danken zijn aan het homeopathische middel omdat de twee groepen aan het begin in alle opzichten vergelijkbaar waren.

Dit onderzoek heeft een aanvaardbare methodologische kwaliteit, maar is toch niet volmaakt. Het ontbreken van precisie in het belangrijkste beoordelingscriterium, namelijk het al dan niet vaste karakter van de ontlasting, zoals dat werd beoordeeld door de ouders, kan een belangrijke vertekening hebben geïntoduceerd. Verder verschilde het aantal kinderen dat tevens allopathische geneesmiddelen kreeg: negen in de homeopathiegroep tegen vijf in de placebogroep. Hoewel dit verschil niet statistisch significant was (de groepen waren te klein), is het niet uitgesloten dat dit voor vertekening heeft gezorgd. De auteurs hebben evenmin rekening gehouden met de inname van vezels in de voeding, hetgeen de stoelgang beïnvloeden een bron van vertekening kan zijn.

Homeopathie bij kinderen met recidiverende bovenste luchtweginfectie (Nederland-1994)
Dit onderzoek betrof 175 kinderen van 1½-10 jaar die waren aangemeld via hun behandelend arts of na een oproep in de lokale pers.2 Het onderzoek werd dubbelblind, placebogecontroleerd uitgevoerd en eerder gepubliceerd in een proefschrift (Gebu 1993; 27: 82). De kinderen moesten het voorafgaande jaar minstens drie bovenste luchtweginfecties hebben gehad of slechts twee, maar dan met otitis media acuta. Kinderen die een adenotomie of een tonsillectomie hadden ondergaan, werden van deelname uitgesloten. Dat gold ook voor kinderen die de laatste zes maanden een homeopathische behandeling hadden gekregen of een chronische aandoening hadden, zoals een aangeboren hart- en/of longafwijking, geestelijke achterstand, neurologische problemen, of een te geringe lengte of te laag gewicht.

Aan het begin van het onderzoek werd elk kind of de ouder zorgvuldig ondervraagd en vond lichamelijk onderzoek plaats door een homeopathisch arts. Daarop volgde een KNO-onderzoek door een specialist en werd een biologische balans opgemaakt. Gedurende de behandeling hielden de ouders dagkaarten bij met onder meer de gegevens over de vermoeidheid, koorts, hoofdpijn, nasale afscheiding, oorpijn en keelpijn. Elke twee weken werden deze observaties verzameld tijdens een gestructureerd telefonisch interview. De onderzoekers verwerkten deze gegevens tot een totale score die varieerde van 0 (geen symptomen) tot 56 (zeer veel symptomen). Deze score, de voorgeschreven antibiotica en een eventueel adenotomie en/of tonsillectomie waren de belangrijkste uitkomstparameters. Alle ouders ontvingen schriftelijke informatie met adviezen over de hygiëne en het dieet. De homeopathische middelen werden gekozen op geleide van de individuele symptomatologie van elk kind en voorgeschreven in verdunningen D6, D30 en D100, zonodig gewijzigd op geleide van het beloop. De kinderen konden trouwens tevens een allopathische behandeling krijgen.

Van de 175 kinderen voltooiden er 170 de zes maanden durende behandeling. Van hen kregen er 86 een homeopathisch middel en 84 een placebo. De analyse van de resultaten liet geen enkel significant verschil zien in het vóórkomen van middenoorontsteking (88% in de homeopathie- en 89% in de placebogroep) noch in de KNO-symptomatologie. In de homeopathiegroep vonden 59 behandelingen met een antibioticum plaats en in de placebogroep 77, hetgeen niet significant verschilde. In de homeopathiegroep onderging 16% van de kinderen een adenotomie tegen 21% in de placebogroep, evenmin een significant verschil. In beide groepen vond bij 5% een tonsillectomie plaats. Ten slotte ondergingen negen kinderen in de homeopathiegroep tegen tien in de placebogroep een paracentese, kregen 16 kinderen in de homeopathiegroep tegen 15 in de placebogroep trommelvliesbuisjes, en ondergingen er twee in de homeopathie- en één in de placebogroep een sinusdrainage. Geen van deze verschillen was significant.

Dit onderzoek hield zowel rekening met het individualiteitsprincipe van het ‘klassieke’ homeopathische voorschrijven als met de methodologische eisen van het klinisch vergelijkend onderzoek. Het grote aantal voorgeschreven antibiotica bemoeilijkt evenwel de interpretatie van de uitkomst. Daarentegen is het ook mogelijk dat het aantal patiënten niet voldoende was om een eventueel significant verschil naar voren te kunnen brengen.

Homeopathie bij atopisch astma (Groot-Brittannië-1994)
Volgens de opzet die zeer verwant was aan een eerder door hen uitgevoerd onderzoek,20 onderzocht een Britse groep dubbelblind en placebogecontroleerd een op de individuele patiënt toegesneden verdunning van allergenen C30.4 In het onderzoek werden 28 patiënten ouder dan 16 jaar opgenomen met allergische astma, vooral voor huisstof. Het astma moest reeds meer dan een jaar bestaan en zijn gevestigd door positieve huidtests op bepaalde allergenen (huisstof, mijten, haren van hond en/of kat, pollen van bomen of planten). De reversibiliteit van het geforceerd expiratoire volume in één seconde (FEV1) na bronchodilatatie moest meer dan 15% bedragen. De patiënten zijn vier weken door een homeopaat en een specialist gevolgd voordat ze in het onderzoek werden opgenomen teneinde de stabiliteit van de symptomatologie te waarborgen. Zij konden hun normale behandelingen blijven volgen en ze werden gevraagd om tijdens het onderzoek het contact met allergenen niet te vermijden.

Aan het begin van de observatieperiode en vier weken daarna werd een balans opgemaakt op grond van allergietests en van onderzoek van de longfunctie en de bronchiale hyperactiviteit. Na het vooronderzoek werden de deelnemers ingedeeld in subgroepen aan de hand van het veroorzakend allergeen en de dagelijkse geïnhaleerde hoeveelheid glucocorticosteroïden (meer of minder dan 1 mg/dag prednison equivalent). Vervolgens kregen ze willekeurig een verdunning C30 van het betrokken allergeen of een placebo. De patiënten beoordeelden dagelijks de ernst van hun symptomen op een visueel analoge schaal. Zij noteerde dagelijks hun normale geneesmiddelengebruik en de ernst van hun nachtelijke astma op een schaal van 0-4. Het belangrijkste beoordelingscriterium was het beloop van de symptoomscore op de visueel analoge schaal. De statistische analyse gebeurde volgens het ‘intention to treat’-principe.

Desondanks werden slechts 24 van 28 patiënten geanalyseerd. Alleen het beloop van de symptoomscore op de visueel analoge schaal liet en statistisch significant verschil zien ten gunste van de homeopathische behandeling. Volgens de auteurs is dit verschil niet toe te schrijven aan een wijziging van de allopathische behandeling die de patiënten bleven volgen.

Dit onderzoek is nauwkeurig uitgevoerd, maar het kleine aantal patiënten laat geen definitieve conclusie toe. In feite wordt het verschil tussen de groepen veroorzaakt door drie patiënten in de placebogroep die verslechterden en één patiënt in de homeopathiegroep die verbeterde. De patiënten mochten tijdens het onderzoek geen antihistaminica gebruiken maar wel bronchusverwijderers, hetgeen de interpretatie van de uitkomsten bemoeilijkt. Over de mate van toepassing vermeldden de auteurs geen precieze cijfers. Naderhand verstrekte gegevens lieten geen verschil zien in het gebruik van bronchusverwijders tussen de twee groepen. Het zou echter interessant zijn om te weten hoe het precieze gebruik is geweest bij de drie patiënten in de placebogroep die verslechterden en de ene patiënt in de homeopathiegroep verbeterde.

Om aan te tonen dat hun resultaten reproduceerbaar waren, hebben de auteurs een meta-analyse uitgevoerd.4 Deze omvatte de resultaten van een onderzoek uit 1986,20 van het hier besproken onderzoek en van een vroeger onderzoek dat op vergelijkbare wijze is uitgevoerd maar niet is gepubliceerd in een tijdschrift met ‘peer review’. De gevolgde werkwijze is echter voor een meta-analyse methodologisch onjuist. Men kan aandoeningen met een verschillend pathofysiologisch mechanisme, namelijk allergisch rinitis en atopische astma, niet bij elkaar voegen in één meta-analyse. Ook vermelden de auteurs niet dat de gebruikte onderzoeksmethode onvoldoende vergelijkbaar waren.

Homeopathie bij kaakchirurgie (Noorwegen-1995)
Het betrof hier een klinisch placebogecontroleerd gekruist onderzoek bij 20 vrouwen en 4 mannen van 19-28 jaar met een goede gezondheid, die bilateraal een verstandskiesextractie moesten ondergaan.3 Beide extracties werden bij iedere patiënt verricht door dezelfde chirurg, op hetzelfde moment van de dag en, op twee uitzonderingen na, op dezelfde dag van de week. De gemiddelde tijdsduur tussen elke extractie bedroeg 27 dagen (14-51 dagen). Elke patiënt onderging standaard lokale anethesie en kreeg drie uur na de ene extractie het homeopatische middel en drie uur na de andere extractie een placebo. Daarna werd de toediening gedurende drie uur elk kwartier herhaald en vervolgens elk uur tot het slapen gaan. De volgende dag kreeg de patiënt tenslotte twee doseringen met een tussentijd van drie uur. De homeopatische arts kon de homeopathische behandeling wijzigen op geleide van het beloop tot een periode van 24 uur na het begin van de behandeling. De homeopathische middelen (Arnica, Hypericum, Staphysagria, Ledum, Phosphorus, Plantago) werden op geleide van de symptomen gekozen en toegediend in de vorm van D30-tabletten. Indien nodig mochten de patiënten codeïnefosfaattabletten 25 mg nemen, waarvan het gebruik werd genoteerd. De beoordelingscriteria waren de ontwikkeling van pijn op een analoge schaal, de ernst van het gezichtsoedeem na de extractie, de maximale afstand waarmee de mond kon worden geopend, en de ernst van postoperatieve bloedingen. De auteurs beoordeelden eveneens de globale voorkeur van de patiënt voor elke behandelingsreeks en de opvattingen die hij of zij tevoren had over homeopathie. Alleen voor de afstand waarmee de mond kon worden geopend werd een statistisch significant verschil (p<0,05) gevonden ten gunste van de homeopathische middelen.

Dit onderzoek is nauwkeurig uitgevoerd, hield rekening met het individualiteitsprincipe en gebruikte een gepaste methodologie. In dit onderzoek had homeopathie noch een effect op pijn, noch op bloedingen, noch op oedeem. Het statistische verschil in het openen van de mond kan geen overtuigend argument vormen voor een specifiek effect van de homeopathische middelen, gegeven het probleem om dit aspect te beoordelen. De meerwaarde van homeopathie ten opzichte van pijnstilling of placebo is niet aangetoond.


 


Terug naar boven

Bij meldpunten voor bijwerkingen van geneesmiddelen zijn niet veel bijwerkingen gerapporteerd die zijn toe te schrijven aan homeopathische middelen. Door sommige meldpunten worden ze niet of pas sinds kort geregistreerd. Een officiële landelijke enquête zou inzicht kunnen verschaffen in de ongewenste effecten van homeopathische behandelingen. In Gebu 1993; 27: 1-4 kwamen enkele bijwerkingen van alternatieve middelen, waaronder homeopathische, aan de orde. De kennis hierover is de afgelopen vijf jaar niet zoveel toegenomen en bestaat veelal uit incidentele meldingen. Zo werden bij drie patiënten in Oostenrijk bijwerkingen gerapporteerd.21 De eerste patiënt had tijdens een griepaanval een homeopathisch middel genomen dat onder meer de schors bevatte van Quinquina en Ipecacuanha in een verdunning D4. Na drie dagen presenteerde deze patiënt zich met pruritus en oedeem van de handpalmen en voetzolen, gevolgd door erytodermie. De tweede patiënt vertoonde een morbilliforme huiduitslag na de inname van een complex homeopathisch middel dat 15 planten bevatte (verdunning niet vermeld) met het doel om af te vallen. De derde patiënt kreeg na de inname van een homeopatisch complex van graspollen (verdunning niet vermeld) een anafylactische shock waarvoor opname op de intensive care-afdeling nodig was. Bij alle drie de patiënten traden de symptomen weer op na hernieuwde toediening. Deze drie voorbeelden laten zien dat een homeopathisch middel niet noodzakelijkerwijs parenteraal hoeft te worden toegediend om een allergische werking uit te kunnen oefenen. Ook bij orale toepassing kan dit vóórkomen.

 

Conclusie en samenvatting

De in dit artikel besproken klinische onderzoeken, die gepubliceerd werden in de periode 1990-1995, voldoen in meer of mindere mare aan de methodologische eisen van een placebogecontroleerd onderzoek. Het betreffen voornamelijk ‘moderne’ homeopathische onderzoeken, waarbij het individualiteitsprincipe veelal niet in acht wordt genomen. In het algemeen tonen ze geen beter effect aan van de homeopathische dan de placebobehandeling. Ten aanzien van de conclusie van bepaalde onderzoeken kan men enkele twijfels hebben, bijvoorbeeld door een gering aantal patiënten of vanwege onvoldoende gedefinieerde criteria om de werkzaamheid te beoordelen. Deze twijfels kunnen echter alleen worden weggenomen door beter opgezette onderzoeken door andere onderzoeksgroepen. Bovendien wordt de interpretatie van uitkomsten van diverse onderzoeken bemoeilijkt doordat tevens een allopathische behandeling wordt gegeven. Op dit moment kan men concluderen dat van geen enkel homeopathisch middel een specifiek effect is aangetoond in een dubbelblind gerandomiseerd en placebogecontroleerd onderzoek.
Als het natuurlijke beloop van een aandoening vaak een spontane, eventueel tijdelijke, verbetering van het klinisch beeld met zich meebrengt, maakt dit de beoordeling van het effect van een behandeling moeilijk. Voorts zal het placebo-effect, dat inherent is aan elke medische interventie, een beoordeling van het behandelingseffect bemoeilijken. Homeopathische middelen worden vaak toegepast bij aandoeningen met een grillig of een gunstig natuurlijk beloop, terwijl de ruime aandacht die de patiënt ontvangt van de homeopathisch werkend arts zeker een placebo-effect teweegbrengen.
De onschadelijkheid van hoge verdunningen (≥ C5), toegediend langs sublinguale of orale weg, staat niet meer ter discussie. Wel ernstige bijwerkingen gemeld na het parenteraal of oraal gebruik van lage verdunningen (≤ D4). Daarom is voorzichtigheid op zijn plaats bij de toepassing van homeopathische middelen. Het voorschrijven van alleen homeopathische middelen is zeker niet aangewezen wanneer het ernstige ziekten betreft, waarbij van andere allopathische behandelingen een gunstig effect is aangetoond.
Met de huidige kennis van zaken dient men de therapeutische toepassing van homeopathische middelen te beschouwen en te hanteren als een bijzondere vorm van placebotherapie. Niets wijst erop dat homeopathie een groter effect kan bieden.

Terug naar boven


 


1. Jacobs J, Jimenez LM, Gloyd SS, Gale JL, Crothers D. Treatment of acute childhood diatthea with homeopatic medicine: a randomized clinicaltrial in Nicaragua. Pediatrics 1994; 93: 719-725.
2. Lange-de Klerk ESM de, Blommers J, Kuik DJ, Bezemer PD, Feenstra L. Effect of homeopathic medicines on daily burden of symptoms in children with recurrent upper respiratory tract infections. BMJ 1994; 309: 1329-1332.
3. Lökken P, Straumsheim PA,Tveiten D, Skjelbred P, Borchgrevink CF. Effect of homoeopathy on pain and other events after acute trauma: placebo controlled trial with bilateral oral surgery. BMJ 1995; 310: 1439-1442.
4. Reilly DT, Taylor MA, Beattie NGM, Campbell JH, McSharry C, Aitchison TC et al. Is evidence for homoeopathy reproducible? Lancet 1994; 344: 1601-1606.
5. Davenas E, Beauvais F, Amara J, Oberbaum M, Robinzon B, Miadonna A et al. Human baasophil degranulation triggered by bery dilute antiserum against IgE. Nature 1988; 333: 816-818.
6. Draaisma D. Voorbij het getal van avogadro: de Beniviste-affaire. Kennis en Methoden 1989; 13: 84-107.
7. Recherche en homéopathie 1995. Plaquette de 36 pages éditée par les laboratoires Boiron l’occasion du 5e congrès de l’Organisation Médicale Homéopathique Internationale, Paris, 20 au 22 octobre 1994.
8. Linde K, Jonas WB, Melchart D, Worku F, Wagner H, Eitel F. Critical review and meta-analysis of serial agitated dilutions in experimental toxicology. Hum Exp Toxicol 1994; 13: 481-492.
9. Kleijnen J, Knipschild P, Riet G ter. Clinical trials of homeopathy BMJ 1991; 302: 316-323 [correctie: BMJ 1991; 302: 818].
10. Aulus J-J. Homéopathie. Eteat actuel de l0evaluation clinique. Paris: Editions Frison-Roche, 1991.
11. Sudan BJL. Abrogation of facial seborrhoeic dermatitis with homoeopathic high dilutions of tobacco: a new visible model for Beneviste’s theory of ‘memory of water’. Med Hypotheses 1993; 41: 440-444.
12. Hofmeyer GJ. Postpartum homoepathic Arnica montana: a potency-finding pilot study. Br J Clin Pract 1990; 44: 619-621.
13. Alibeu JP, Jobert J. Aconit en dilution homoeopathique et agitation post-opéretoire de l0enfant. Pediatrie 1990; 45: 465-466
14. Andrade LEC, Ferraz MB, Atra E, Castro A, Silva MS. A randomized controlled trial to evaluate the effectiveness of homeopathy in rheumatoid arthritis. Scand J Rheumatol 1991; 20: 204-208.
15. Wiessenauer M, Gaus W. Wirksamkeitsnachweis eines Homöopathikums bei chronischer Polyartritis. Eine randomisierte Doppelblindstudie bei niedergelassenen Aertzen. Akt Rheumatol 1991; 16: 1-9.
16. Gaus W, Wiesenauer M. Wirksamkeitsnachweis eines Homöopathikums bei chronischer Polyartritis-Stellungsnahme zur Kritik und Ausblick. Akt Rheumatol 1993; 18: 159-162.
17. Labrecque M, Audet D, Latulippe LG, Drouin J. Homeopathic treatment of plantar warts. Can Med Assoc J 1992 146: 1749-1753.
18. Kurz C, Nagele F, Zorzi M, Karras H, Enzelsgerger H. Bewirkt Homöopathie eine Verbesserung der Reizblasensymptomatik? Gynäkol Geburtshifliche Rundsch 1993; 33 (suppl 1): 330-331.
19. Werk W, Galland F. Helianthus tuberosus Therapie bei Uebergewicht. Gewichtsreduktion langfristig stabiliseren! Therapiewoche 1994; 44: 34-35.
20. Reilly Dt, Taylor MA, McSharry C, Aitchison T. Is homoepathy a placebo response? Controlled trial of homoeopathic potency, with pollen in hayfever as model. Lancet 1986; ii: 881-886.
21. Aberer W, Strhal R. Homoeopathic preparations- severe adverse effects, unproven benefits. Dermatologica 1991; 182-253.

Terug naar boven