Het patiënt-controle-onderzoek





Terug naar boven

Het PCO biedt een aantal voordelen boven andere onderzoeksopzetten. Deze voordelen betreffen de efficiëntie, de mogelijkheid om zeldzame ziekten te bestuderen en een ethisch voordeel.10

In tegenstelling tot het gerandomiseerde, dubbelblinde en gecontroleerde onderzoek of een vervolgonderzoek van een cohort, die vaak jaren in beslag nemen voordat de resultaten ervan beschikbaar zijn, kan een PCO veelal betrekkelijk snel en efficiënt worden uitgevoerd. De patiënten met de aandoening waarin men is geïnteresseerd, kunnen vaak relatief eenvoudig worden opgespoord in registraties van ziekenhuizen of automatiseringssystemen.

Een PCO is vaak de enige mogelijkheid om zeldzame ziekten en bijwerkingen, met name de minder frequent voorkomende, van geneesmiddelen te bestuderen. In het begin van de jaren tachtig kwam uit diverse patiënt-controle-onderzoeken een associatie naar voren tussen het gebruik van acetylsalicylzuur en een ernstige vaak levensbedreigende bijwerking: het syndroom van Reye, een vorm van encefalopathie en acute leververvetting die optreedt na een koortsende virale infectie. Gezondheidsautoriteiten in de VS adviseerden daarop aan artsen geen salicylaten meer voor te schrijven aan kinderen met koortsende virale infecties.11 Recent werd gerapporteerd dat het aantal gevallen van het syndroom van Reye in de VS sterk was gedaald: 555 gevallen in 1980 en na 1987 jaarlijks niet meer dan 36 gevallen (zie fig.). Uit dit voorbeeld blijkt de betekenis van patiënt-controle-onderzoeken bij het onderzoek naar ernstige bijwerkingen van geneesmiddelen. Bovendien blijkt dat effectieve implementatie van de resultaten van deze onderzoeken tot verdere, belangrijke gezondheidswinst kan leiden.

Voor nieuwe geneesmiddelen geldt dat de resultaten van een 'post marketing surveillance' (PMS)-onderzoek vaak jaren op zich laten wachten. Daarom is het noodzakelijk dat artsen die nieuwe geneesmiddelen voorschrijven aan patiënten (vermoede) bijwerkingen melden aan Lareb. Dergelijke meldingen bieden vervolgens aanknopingspunten voor een PCO. Ook als er slechts enkele meldingen van bijwerkingen van een bepaald middel zijn, zou kunnen worden overgegaan tot het uitvoeren van een PCO. Met een dergelijk actiever beleid zouden vermoede bijwerkingen eerder kunnen worden vastgesteld.

In sommige gevallen was het mogelijk om de door een PCO gesuggereerde associaties, zoals die tussen het gebruik van acetylsalicylzuur en de preventie van een myocardinfarct of die tussen foliumzuur en de preventie van neurale-buisdefecten, te onderzoeken en ook te bevestigen in gerandomiseerd en gecontroleerd onderzoek.12 Dit is echter niet altijd mogelijk.


Terug naar boven

  • Snelle en efficiënte uitvoering
  • Mogelijkheid om zeldzame ziekten en bijwerkingen te onderzoeken
  • Afwezigheid van ethische bezwaren

Sommige onderzoeksvragen, zoals bijvoorbeeld die naar de schadelijke invloed van bepaalde geneesmiddelen op de ongeboren vrucht, kunnen niet op ethisch verantwoorde wijze worden onderzocht in een experimenteel onderzoek. Het PCO is voor dergelijke onderzoeksvragen bij uitstek een, zo niet de enige, geschikte onderzoeksvorm.10 In een PCO werd de teratogene eigenschap van oraal metronidazol onderzocht.13 De onderzoekers vergeleken het gebruik hiervan bij vrouwen die kinderen met aangeboren afwijkingen hadden gebaard met een controlegroep van vrouwen die gezonde kinderen hadden gebaard. Patiënten werden geïdentificeerd via een geautomatiseerd gegevensbestand dat alle bekende aangeboren afwijkingen bijhoudt. Van 17.300 vrouwen met kinderen met aangeboren afwijkingen had 3,8% metronidazol gebruikt tijdens de zwangerschap, tegenover 3,4% van 30.663 controlepersonen. Het bleek dat het risico van aangeboren afwijkingen niet was verhoogd bij gebruik van oraal metronidazol. De resultaten van dit onderzoek kwamen overeen met een meta-analyse van onderzoeken die enkele jaren daarvoor was gepubliceerd.14 Deze resultaten lieten weliswaar ook geen duidelijk verhoogd risico zien, maar door de kleine aantallen patiënten was er nog veel ruimte voor discussie.






  1. Herbst AL, Ulfelder H, Poskanzer DC. Adenocarcinoma of the vagina. Association of maternal stilbestrol therapy with tumor appearance in young women. N Engl J Med 1971; 284: 878-881.
  2. Mellin GW, Katzenstein M. The saga of thalidomide. N Engl J Med 1962; 267: 1238-1244.
  3. Ashby D, Smyth RL, Brown PJ. Statistical issues in pharmacoepidemiological case-control studies. Stat Med 1998; 17: 1839-1850.
  4. Smith MW. The case control or retrospective study in retrospect. J Clin Pharmacol 1981; 21: 269-274.
  5. Bouter LM, Dongen MCJM van. Epidemiologisch onderzoek. Opzet en interpretatie. Utrecht: Bohn, Scheltema & Holkema, 1994.
  6. Vandenbroucke JP, Hofman A. Grondslagen der epidemiologie. Utrecht: Wetenschappelijke uitgeverij Bunge, 1993.
  7. Hurwitz ES, Barrett MJ, Bregman D, Gunn WJ, Schonberger LB, Fairweather WR et al. Public health service study on Reye's syndrome and medications. N Engl J Med 1985; 313: 849-857.
  8. Andersen B. Methodological errors in medical research. Oxford: Blackwell Scientific Publications, 1990.
  9. Rothman KJ, Greenland S (eds.). Modern epidemiology. Philadelphia: Lippincoor-Raven, 1998.
  10. Gehlbach SH. Interpreting the medical literature. New York: Macmillan, 1988.
  11. Belay ED, Bresee JS, Holman RC, Khan AS, Shahriari A, Schonberger LB. Reye's syndrome in the United States from 1981 through 1997. N Engl J Med 1999; 340: 1377-1382.
  12. Jick H, Garcia Rodriguez LA, Pérez-Gutthann S. Principles of epidemiological research on adverse and beneficial drug effects. Lancet 1998; 352: 1767-1770.
  13. Czeizel AE, Rockenbauer M. A population based case-control teratologic study of oral metronidazole treatment during pregnancy. Br J Obstet Gynaecol 1998; 105: 322-327.
  14. Burtin P, Taddio A, Ariburnu O, Einarson TR, Koren G. Safety of metronidazole in pregnancy: a meta-analysis. Am J Obstet Gynecol 1995; 172: 525-529.
  15. VandenBroucke JP, Bloemenkamp KWM, Helmerhorst FM, Rosendaal FR. Omgaan met kleine relatieve risico's in wetenschap en beleid: de derdegeneratiepil. Ned Tijdschr Geneeskd: in druk.
  16. Sackett DL. Bias in analytic research. J Chronic Dis 1979; 32: 51-63.
  17. Lichtenstein MJ, Mulrow CD, Elwood PC. Guidelines for reading case-control studies. J Chronic Dis 1987; 40: 893-903.
  18. Grobbee DE, Hoes AW. Confounding and indication for treatment in evaluation of drug treatment for hypertension. BMJ 1997; 315: 1151-1154.
  19. Blais L, Ernst P, Suissa S. Confounding by indication and channeling over time: the risks of b2-agonists. Am J Epidemiol 1996; 144; 1161-1169.
  20. Hoes AW, Grobbee DE. Some notes on the absence of randomization in nonexperimental studies assessing drug efficacy and adverse drug reactions. In: Hoes AW. Non-potassium sparing diuretics and sudden cardiac death in hypertensive patients: a pharmacoepidemiologic approach [Proefschrift]. Rotterdam 1991.
  21. Hoes AW, Grobbee DE, Lubsen J. Primary prevention in hypertension. Valid conclusions from observational studies. Circulation 1991; 84 (suppl): 178-183.
  22. Vandenbroucke JP, Koster T, Briët E, Reitsma PH, Bertina PH, Rosendaal FR. Increased risk of venous thrombosis in oral-contraceptive users who are carriers of factor V Leiden. Lancet 1994; 344: 1453-1457.
  23. Leufkens HG, Urquhart J, Stricker BH, Bakker A, Petri H. Channelling of controlled release formulation of ketoprofen (Oscorel) in patients with history of gastrointestinal problems. J Epidemiol Community Health 1992; 46: 428-432.
  24. Spitzer WO, Suissa S, Ernst P, Horwitz RI, Habbick B, Cockcroft D et al. The use of b-agonists and the risk of death and near death from asthma. N Engl J Med 1992; 326: 501-506.
  25. Petri H, Urquhart J, Herings R, Bakker A. Characteristics of patients prescribed three different inhalational beta-2 agonists: an example of the channeling phenomenon. Post Marketing Surveillance 1991; 5: 57-66.
  26. Pearce N, Hensley MJ. Epidemiologic studies of beta agonists and asthma deaths. Epidemiologic reviews 1998; 20: 173-186.
  27. Morabia A, Flandre P. Misclassification bias related to definition of menopausal status in case-control studies of breast cancer. Int J Epidemiol 1992; 21: 222-228.
  28. Mitchell AA, Cottler LB, Shapiro S. Effect of questionnaire design on recall of drug exposure in pregnancy. Am J Epidemiol 1986; 123: 670-676.
  29. Wacholder S, Silverman DT, McLaughlin JK, Mandel JS. Selection of controls in case-control studies. II. Types of controls. Am J Epidemiol 1992; 135: 1029-1041.
  30. Strom BL (ed.). Pharmacoepidemiology. Chichester: Wiley, 1994.
  31. Herman JH, Slawson DC. Case-control studies. Fam Med 1990; 22: 52-56.
  32. Stewart A, Davis P, Kittner S, Langenberg P. The effect on risk estimates of excluding cases from a case-control study of ischemic stroke. Neuroepidemiology 1997; 16: 191-198.
  33. Miller AB. Hospital or population controls? It depends on the question. Prev Med 1994; 23: 263-266.
  34. Dunn LJ, Bradbury JT. Endocrine factors in endometrial carcinoma. A preliminary report. Am J Obstet Gynecol 1967; 97: 465-471.
  35. Evans SJW. Discussion. Stat Med 1998; 17: 1859-1862.
  36. Hoes AW. Case-control studies. Neth J Med 1995; 47: 36-42.
  37. Horwitz RI, Feinstein AR. The problem of 'protopathic bias' in case-control studies. Am J Med 1980; 68: 255-258.
  38. Garbe E, Boivin JF, LeLorier J, Suissa S. Selection of controls in database case-control studies: glucocorticoids and the risk of glaucoma. J Clin Epidemiol 1998; 51: 129-135.
  39. Wacholder S, Silverman DT, McLaughlin JK, Mandel JS. Selection of controls in case-control studies. III. Design options. Am J Epidemiol 1992; 135: 1042-1050.

Auteurs

  • prof. dr D.E. Grobbee, drs D. Bijl