Glimepiride (Amaryl®), oraal antidiabeticum

In deze rubriek worden geneesmiddelen besproken, kort nadat ze in de handel zijn gebracht. Van sommige produkten kan de plaatsbepaling slechts voorlopig zijn omdat nog relatief weinig bekend is over de veiligheid en effectiviteit. Wanneer na verloop van tijd nieuwe gegevens daartoe aanleiding geven komen we op de eerste bespreking terug. De prijzen zijn berekend aan de hand van de KNMP-taxe van juli 1996, inkoopprijzen excl. BTW, tenzij anders aangegeven.

Glimepiride 
Amaryl® (Hoechst Marion Roussel BV)
Tablet 1, 2, 3 en 4 mg

oraal antidiabeticum

Glimepiride behoort, op basis van het molecuulgewicht, tot de relatief sterk werkzame sulfonylureumderivaten en heeft een vergelijkbaar werkingsmechanisme als de andere vertegenwoordigers uit deze groep. Het stimuleert de insulinesecretie door de β-cellen van de pancreas. Daarnaast heeft het extrapancreatische effecten, waaronder een toename van de gevoeligheid van de perifere weefsels voor insuline. Het middel is geregistreerd voor de behandeling van 'diabetis mellitus type II, waar met dieet, lichamelijke inspanning of gewichtsvermindering alleen onvoldoende resultaat wordt verkregen.'
Indien bij diabetes mellitus type II een medicamenteuze behandeling in aanmerking komt, is tolbutamide bij patiënten met een normaal gewicht de eerste keuze. Bij dit zwak werkzame sulfonylureumderivaat is de kans op hypoglykemieën kleiner dan bij andere verbindingen uit die groep, met name glibenclamide, gliclazide of glipizide. Als tolbutamide niet toepasbaar is, is één van deze sterker werkende middelen aangewezen.
In een niet-gepubliceerd, één jaar durend, dubbelblind onderzoek met 1.044 patiënten bleken glimepiride (1-8 mg/dag) en glibenclamide (2,5-20 mg/dag) de bloedglucoseconcentratie even effectief te verlagen. Bij glimepiride bestond er gedurende de eerste weken van de behandeling een tendens naar minder hypoglykemieën, maar dit verschil was niet significant. Het risico van hypoglykemie bij het gebruik van sulfonylureumderivaten hangt, behalve van de halveringstijd en de dosering, onder meer samen met de leeftijd van de patiënt, een verminderde voedselinname, en de comorbiditeit. Daarnaast kunnen interacties met andere geneesmiddelen de werking versterken, waardoor het risico van hypoglykemie toeneemt. Onduidelijk is of een van deze factoren de uitkomsten van dit onderzoek heeft beïnvloed. In een ander vergelijkend onderzoek met gliclazide traden evenmin significante verschillen in effectiviteit of bijwerkingen aan het licht.
De bijwerkingen zijn vergelijkbaar met die van de andere sulfonylureumderivaten: hypoglykemie, voorbijgaande visusstoornissen, maag-darmklachten, overgevoeligheidsreacties en soms veranderingen in het bloedbeeld.
Glimepiride heeft overigens geen specifieke voor- of nadelen ten opzichte van de andere sterker werkzame orale sulfonylureumderivaten. Evenals bij glibenclamide, glipizide, tolazamide en tolbutamide, is doorgaans een éénmaal daagse dosering voldoende.

Plaatsbepaling

Indien bij diabetes mellitus type II een medicamenteuze behandeling is aangewezen, is tolbutamide de eerste keuze vanwege het geringere risico van hypoglykemie. Pas als dat middel niet in aanmerking komt, is het gebruik van één van de sterker werkzame sulfonylureumderivaten aan de orde. De plaats van glimepiride binnen deze groep is onduidelijk. Er zijn nauwelijks vergelijkende, klinische onderzoeken met andere sulfonylureumderivaten gepubliceerd. De beperkte gegevens wijzen niet op een verschil in effectiviteit en bijwerkingen. Ook de andere middelen kan men meestal eenmaal daags toedienen. Een nadeel van glimepiride is echter de geringere ervaring ermee.