Geneesmiddelengeïnduceerde fotodermatosen


Dit artikel is een vertaling en bewerking voor de Nederlandse situatie van ‘Drug-induced photosensitivity’ dat verscheen in ons Franse zusterblad Prescrire International 2009; 18: 208-211.

Fotodermatosen zijn huidafwijkingen ten gevolge van blootstelling aan ultraviolette straling van natuurlijke of kunstmatige bron. Ze komen vaker voor op onbedekte huiddelen. De voornaamste klinische manifestaties zijn papels, vesikels, eczemateuze beelden en urticaria. Veel geneesmiddelen doen de gevoeligheid van de huid voor ultraviolet licht toenemen, soms voor therapeutische doelen, maar meestal betreft het ongewenste effecten (Gebu 2010; 44: 37-42).

 


Blootstelling van de huid aan zonlicht heeft positieve invloeden op onder meer de vitamine D-synthese, maar kan ook leiden tot huidkanker, actinische keratosen en andere nadelige effecten.1 2 Blootstelling aan ultraviolette straling leidt tot een toename van de pigmentatie in de huid dat als een adaptief en beschermend mechanisme kan worden beschouwd.2 3 Veel huidafwijkingen kunnen worden uitgelokt dan wel verergerd door zonlicht.1 4 Fotodermatosen zijn huidafwijkingen die door ultraviolette straling en/of zichtbaar licht kunnen worden geïnduceerd.
In dit artikel worden de belangrijkste kenmerken en risicofactoren van geneesmiddelengeïnduceerde fotodermatosen beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde: lokalisatie, diagnose, klinische beelden, oorzaken en beloop, fotosensibilisatie, en voorzorgsmaatregelen, therapeutische fotosensibilisatie, en geneesmiddelen met ongewenste fotosensibiliserende eigenschappen. Ten slotte volgt een plaatsbepaling.

 


Lokalisatie. Fotodermatosen komen met name voor op de onbedekte huiddelen, maar bij zeer gevoelige patiënten kan ook de huid onder de kleding reageren. De lichaamsgebieden die zijn blootgesteld aan ultraviolette straling zijn, afhankelijk van het type kleding dat men draagt: het aangezicht en de oorschelpen, de nek, de rugzijde van de handen, armen, onderarmen en de bovenzijde van de voeten.1 4
Diagnose. De diagnose wordt gesteld op basis van de lokalisatie van het aangedane gebied en na het afnemen van een zorgvuldige anamnese waarbij de nadruk moet liggen op de relatie tussen het eerste optreden van de symptomen en de blootstelling aan ultraviolette straling.1 4
Klinische beelden.
De voornaamste klinische manifestaties zijn papels, vesikels, eczemateuze beelden en urticaria. Zonnebrand en pigmentatie zijn normale reacties op ultraviolette straling, alleen bij een versterkte reactie is er sprake van een afwijkend reactiepatroon.1 2 4 5 Ook bij fototoxische reacties (zie verder) is er vrijwel altijd sprake van erythemen en pigmentatie. Foto-onycholyse (het loslaten van een nagel door zonlichtblootstelling) wordt bijna alleen gezien na fotosensibilisatie. Er zijn onvoldoende betrouwbare gegevens beschikbaar om uitspraken te doen over de incidentie en prevalentie van geneesmiddelengeïnduceerde fotodermatosen.
Oorzaken en beloop. Een groot aantal stoffen, waaronder planten, cosmetica, industriële producten en geneesmiddelen, kan na topische (ofwel lokale) of systemische toepassing een abnormale gevoeligheid voor ultraviolette straling induceren.1 2 4 Tijdens gebruik van deze stoffen zijn de afwijkingen bij blootstelling aan zonlicht ernstiger dan zou worden verwacht op basis van alleen blootstelling aan ultraviolette straling (die anders goed zou worden verdragen).1 4 Het beloop van door geneesmiddelen geïnduceerde fotodermatosen hangt niet alleen af van het geneesmiddel, maar onder meer ook van de initiële tolerantie van de patiënt, de mate van blootstelling aan de zon en het seizoen.4 De individuele gevoeligheid voor ultraviolette straling varieert sterk en is afhankelijk van genetische en omgevingsfactoren, zoals abnormale keratinisatie, metabole afwijkingen en abnormale pigmentatie of DNA-herstel (bv. porfyrie, fenylketonurie, xeroderma pigmentosum, albinisme).1 4

 


Fotosensibilisatie, fototoxiciteit en fotoallergie. Onder fotosensibilisatie verstaat men de veranderde reactie van de huid door de gecombineerde werking van een chemische stof, de fotosensibilisator, en licht.6 Fotosensibilisatie kan worden onderverdeeld in onder meer dyschromie (pigmentstoornis van de huid), pseudoporfyrie, foto-onycholyse, en lichenoïde (gelijkend op lichen planus, aandoening gekenmerkt door papels) en teleangiëctatische (verwijding van capillair) reacties.7 Pseudoporfyrie kenmerkt zich door bullae, die soms hemorragisch zijn, op de aan licht blootgestelde lichaamsdelen (gezicht, hand- en voetrug) en het optreden van wonden na lichte traumata die na genezing littekens achterlaten. Het klinische beeld doet denken aan porfyria cutanea tarda, maar hier is er geen metabole stoornis van de porfyrinen en is er geen verhoogde concentratie van porfyrinen in de urine.4
Fotosensibilisatie kan verlopen via twee mechanismen: fototoxiciteit en fotoallergie.6 8 Fototoxiciteit komt het vaakst voor en het klinische beeld lijkt sterk op een heftige zonnebrandreactie: fel erytheem, zwelling en soms ook vesikels en bullae.7 Het gaat om een versterkte reactie van de huid door de interactie van de fotosensibilisator en licht die leidt tot directe schade zonder tussenkomst van een immunologisch mechanisme.6 Het risico op toxische fotodermatosen hangt af van de hoeveelheid geneesmiddel die in de huid aanwezig is. Zij kan optreden na een enkele dosis, komt vaker voor bij hogere doseringen, en kan verminderen als de dosering wordt verlaagd.
Bij de minder vaak voorkomende fotoallergie gaat het om een abnormale reactie van de huid op de fotosensibilisator en licht, waarbij wel een immunologisch mechanisme meespeelt.6 De huidafwijking kan zich in dit geval uitbreiden naar de bedekte huid. Na blootstelling aan zonlicht is er sprake van een latentieperiode van zeven tot tien dagen. Het risico bestaat dat de aandoening verergert bij aanhoudende of hernieuwde blootstelling aan het geneesmiddel, zelfs bij minimale blootstelling aan licht. 
Eenzelfde geneesmiddel kan zowel toxische als allergische fotodermatosen veroorzaken.4 Het vaststellen van het exacte mechanisme van een fotosensibiliserende reactie is van belang voor de wijze van aanpak. Door het verminderen van de mate van blootstelling aan straling kan het effect van een fototoxisch geneesmiddel sterk worden verminderd dan wel worden opgeheven. Fotoallergische reacties worden niet wezenlijk beïnvloed door verandering van de mate van blootstelling aan straling. In de praktijk blijkt het echter lastig om het onderscheid te maken, aangezien nogal wat geneesmiddelen zowel fototoxische als fotoallergische reacties kunnen geven. Het betreft met name fenothiazinen, chinolonen, sulfonamiden en thiazidediuretica.
In tabel 1 staan geneesmiddelen vermeld waarvoor onder meer in Nederlandse apotheken die gebruik maken van het apotheekinformatiesysteem Pharmacom, wordt gewaarschuwd dat er een verhoogd risico op fotodermatosen bestaat. De overige geneesmiddelen die in de tekst worden vermeld, staan in tabel 2 (zie pag.41).

De fotosensibiliserende eigenschappen van geneesmiddelen kunnen ook therapeutisch worden toegepast.

De fotosensibiliserende eigenschappen van bepaalde geneesmiddelen worden soms therapeutisch gebruikt (zie hieronder), maar meestal zijn het ongewenste effecten.4 In beide gevallen dient een aantal voorzorgsmaatregelen te worden genomen.
Voorzorgsmaatregelen. Als blootstelling aan zonlicht te verwachten valt, zoals in de zomer, bij verblijf in de tropen en bij wintersporten, kan men het beste fotosensibiliserende geneesmiddelen vermijden en zo mogelijk een ander middel kiezen.9
Patiënten die fotosensibiliserende geneesmiddelen voorgeschreven krijgen, moeten worden gewaarschuwd voor het risico verbonden aan de blootstelling aan zonlicht en intensief kunstlicht, zoals zonnebanken, sterke halogeenlampen, felle lampen in operatiekamers en in tandartsenpraktijken. Als blootstelling niet is te vermijden, dient men beschermende kleding te dragen.2 4 9-11 Het gebruik van een zonnecrème met een hoge beschermingsfactor biedt enige bescherming, maar is niet altijd voldoende. Het gebruik van meerdere fotosensibiliserende geneesmiddelen moet worden vermeden omdat dit het risico op een fotodermatose verhoogt.10 12
De genoemde voorzorgsmaatregelen moeten in acht worden genomen tijdens de behandeling tot soms enkele dagen of weken na het staken van de behandeling, afhankelijk van de uitscheidingshalfwaardetijd van het geneesmiddel. Als de eerste tekenen van een huidreactie zich voordoen, wordt wel geadviseerd het gebruik van fotosensibiliserende geneesmiddelen direct te staken.4 13 14 Dit zal niet altijd snel tot resultaat leiden gezien de verschillende uitscheidingshalfwaardetijden van geneesmiddelen. Het

Tabel 1. Geneesmiddelen met een verhoogd risico op fotodermatosen.*

Geneesmiddelen met een verhoogd risico op fotodermatosen.

* Voor de geneesmiddelen die in deze tabel zijn opgenomen wordt door het apotheekinformatiesysteem Pharmacom gewaarschuwd dat er een verhoogd risico op fotodermatosen bestaat. De voornaamste bron hiervoor is ref. 58.

 


De fotosensibiliserende eigenschappen van bepaalde geneesmiddelen worden gebruikt om dermatologische, oogheelkundige of maligne aandoeningen te behandelen. Deze therapeutische werking kan echter op zijn beurt ook weer aanleiding geven tot ongewenste effecten.
Psoralenen. Psoralenen, zoals methoxsaleen, worden in combinatie met ultraviolet A-bestraling (fotochemotherapie ofwel PUVA) gebruikt bij de behandeling van ernstige vormen van diverse huidaandoeningen, waaronder ‘psoriasis en plaque’. Deze toepassing is geassocieerd met een risico op ernstige huidverbrandingen tijdens blootstelling aan zonlicht of kunstmatige bronnen van ultraviolet licht.4 Er zijn gevallen beschreven waarbij personen moesten worden opgenomen in brandwondencentra en blijvende littekens ontwikkelden na onbegeleid gebruik van psoralenen in zonnebanken.4 Foto-onycholyse is ook beschreven na gebruik van psoralenen.4
Voorzorgsmaatregelen. Patiënten dienen tijdens de behandeling een speciale bril, die tegen ultraviolet A beschermt, te dragen. Na de behandeling dienen, volgens de productinformatie, onbedekte huiddelen te worden ingesmeerd met een benzofenonbevattende (ultravioletlichtabsorberende) crème. Na inname van methoxsaleen dient gedurende ten minste acht uur blootstelling aan direct zonlicht te worden vermeden.
Verteporfine. Verteporfine wordt in combinatie met een laserbehandeling (fotodynamische therapie) nog wel gebruikt als aanvullende behandeling van bepaalde typen maculadegeneratie en sommige complicaties van ernstige myopie (bijziendheid). In klinische onderzoeken blijkt verteporfine bij 2% van de patiënten zonnebrandachtige reacties te geven als bijwerking.10 11
Voorzorgsmaatregelen. Patiënten die verteporfine gebruiken moeten worden gewaarschuwd zich niet bloot te stellen aan zonlicht of intens kunstlicht gedurende 48 uur, met name door het dragen van beschermende kleding en een zonnebril. Zonnebrandcrèmes zijn niet effectief bij de preventie van deze reacties. Na een injectie met verteporfine dient een patiënt gedurende 48 uur een armband met medische informatie te dragen. Aan verblijf binnenshuis met binnenhuisverlichting wordt de voorkeur gegeven boven verblijf in totale duisternis, omdat uit onderzoek bij gezonde vrijwilligers is gebleken dat bij binnenhuisverlichting de eliminatie van verteporfine sneller verloopt.9 10
Aminolevulinezuurderivaten.
Methylaminolevulinaat, de methylester van aminolevulinezuur, is een fotosensibiliserende stof die wordt aangebracht op de huid voor fototherapie bij de behandeling van actinische keratose en bepaalde vormen van huidkanker. Bij deze toepassing komen frequent lokale brandwondachtige lesies voor.15
De meest frequent toegepaste vorm van aminolevulinezuur is het ß-aminolevulinezuur, maar deze is niet geregistreerd. Dit wordt in de huid, maar vooral in de tumor omgezet in protoporfyrine IX. Het protoporfyrine is fotosensibiliserend en niet het aminolevulinezuur of zijn esters.
Voorzorgsmaatregelen. Voorafgaand aan de behandeling dient elke behandeling met ultraviolet licht te worden gestaakt. De eerste twee dagen na de behandeling dient de behandelde en direct omringende huid niet te worden blootgesteld aan zonlicht.

 


Antimicrobiële middelen. Bij alle tetracyclinen is er een risico op fotosensibilisatie.3 Bij doxycycline lijkt het risico groter dan bij minocycline.16 Fotosensibilisatie komt bij tetracyclinen vaker voor bij hoge doseringen en als de behandelduur langer is dan acht dagen.4 17 18 Tijdens gebruik van tetracyclinen kan blootstelling aan licht brandwonden, foto-onycholyse en in zeldzamere gevallen pseudoporfyrie veroorzaken.4 19 Ook bij het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb zijn meldingen over foto-onycholyse tijdens gebruik van doxycycline gedaan (www.lareb.nl).20
Bij alle fluorchinolonen en eerstegeneratiechinolonen bestaat er een risico op fotosensibilisatie en soms op foto-onycholyse.4 11 21
Fotosensibilisatie is ook beschreven bij sulfonamiden, zoals sulfamethoxazol, en antimalariamiddelen, zoals kinine22 en, in zeldzame gevallen, hydroxychloroquine23.3 4
Andere antibiotica die in veel zeldzamere gevallen zijn geassocieerd met fotosensibilisatie zijn: antibacteriële middelen, zoals trimethoprim,24 middelen tegen lepra, zoals dapson25 en clofazimine, het tuberculostaticum pyrazinamide, antischimmelmiddelen, zoals griseofulvine (is in Nederland uit de handel, maar kan nog wel als een magistrale bereiding worden verkregen), terbinafine (zie tevens www.lareb.nl) en voriconazol,26 en antivirale middelen, zoals ribavirine.3 4 27
 Het lokale desinfectans chloorhexidine kan ook fotosensibiliserend werken.3 28
Cardiovasculaire middelen.
Amiodaron. Het anti-aritmicum amiodaron is een sterk fotosensibiliserend middel dat zonnebrandachtige reacties teweeg kan brengen. Deze lopen uiteen van erytheem tot ernstige brandwonden die snel ontstaan na blootstelling aan zonlicht dat anders goed zou zijn verdragen.3 4 29
Hyperpigmentatie van de niet-bedekte huid kan ook optreden tijdens gebruik van amiodaron.30 Huiddelen worden goudbruin bij lage doseringen, leikleurig grijs of lichtpaars bij hoge doseringen. Beschaduwde delen van het gezicht en huidplooien worden niet getroffen door de hyperpigmentatie. De hyperpigmentatie verschijnt vaak pas na enkele maanden behandeling. Na staken van het gebruik van amiodaron verdwijnt de hyperpigmentatie geleidelijk na verloop van enkele maanden tot jaren.4 30 In een Brits onderzoek was bij 47% van 114 patiënten die werden behandeld met amiodaron sprake van fotodermatosen.31 In zeldzame gevallen kan het middel pseudoporfyrie veroorzaken.32
Voorzorgsmaatregelen. De ernst van de huidreacties op ultraviolet licht tijdens gebruik van amiodaron lijkt afhankelijk van de dagelijkse dosering van het middel. Dosisverlaging zal, indien mogelijk, vaak de reacties verminderen. Voorts lijkt een cumulatief effect een rol te spelen, aangezien de eerste reacties van fotosensibilisatie vaak pas na enkele maanden gebruik optreden.3 4 29
Van sulfonamide afgeleide diuretica kunnen fotosensibilisatie geven. Dit geldt zowel voor thiazidediuretica zoals, hydrochloorthiazide33 34 en indapamide, als voor lisdiuretica, zoals bumetanide en furosemide35. Pseudoporfyrie is gerapporteerd bij gebruik van furosemide en bumetanide en pseudolichenificatie bij hydrochloorthiazide.4 12 Andere diuretica, zoals triamtereen, kunnen deze beelden soms ook geven.3 Van indapamide is foto-onycholyse beschreven.36 
Er zijn gevallen van fotosensibilisatie beschreven bij andere anti-aritmica dan amiodaron, zoals flecaïnide en kinidine37, antiangineuze middelen, zoals nicorandil, calciumantagonisten, zoals diltiazem38, nifedipine39 en amlodipine (www.lareb.nl), ACE-remmers, zoals enalapril, angiotensine II-antagonisten, fibraten, zoals bezafibraat, en statinen.4 40-42
Psychofarmaca.
Chloorpromazine is het oudste antipsychoticum uit de fenothiazinegroep. Leikleurig grijze of lichtpaarse pigmentatie van de blootgestelde huid wordt soms gezien bij patiënten die langdurig met hoge doseringen (vaak >400 mg/dag) worden behandeld. Andere fenothiazinen kunnen deze beelden ook veroorzaken, zoals alimemazine en perfenazine.43-45 Gevallen van pseudolichenificatie en pseudoporfyrie bij gebruik van chloorpromazine zijn ook beschreven.4 In diverse onderzoeken liep de frequentie van fotosensibilisatie door chloorpromazine uiteen van 3-25%.4
Het anti-epilepticum carbamazepine kan eveneens fotosensibilisatie veroorzaken.12 In een casuïstische mededeling wordt een vrouw beschreven die werd behandeld met carbamazepine en in het gelaat brandwondachtige lesies ontwikkelde nadat zij gedurende twee uur had gewerkt aan een fotokopiëerapparaat zonder de klep te sluiten.4 Ook van andere anti-epileptica, zoals felbamaat, stiripentol, lamotrigine en rufinamide is fotosensibilisatie beschreven.3 46 47
Van het antidepressivum imipramine zijn gevallen beschreven van hyperpigmentatie en zeldzame gevallen van fotosensibilisatie zijn gerapporteerd van duloxetine, fluoxetine en venlafaxine. Sint-janskruid (let op: ook de vrij verkrijgbare producten) bevat eveneens fotosensibiliserende stoffen.3 4 48 Voorts zijn gevallen beschreven met benzodiazepinen, zoals alprazolam.3
Oncolytica. Parenteraal toegediend methotrexaat is in verband gebracht met de reactivatie van zonnebrand. Er zijn diverse patiënten beschreven die recent zonnebrand hadden ontwikkeld en die na aanvang van een behandeling met methotrexaat een reactivatie of verergering daarvan ondervonden, zelfs als zij niet langer aan zonlicht waren blootgesteld.49 50 In sommige gevallen ontstonden tweedegraads brandwonden, terwijl de oorspronkelijke zonnebrand slechts uit erytheem bestond.4 In een serie van 204 patiënten die oraal methotrexaat gebruikten vanwege psoriasis was bij tien patiënten sprake van fotosensibilisatie.51
Er is een hoog risico op fotosensibilisatie in huidgebieden waar lokaal wordt behandeld met imiquimod, een immunomodulator die wordt gebruikt als een lokaal cytotoxisch middel, vooral bij basocellulair carcinoom.52
Dacarbazine,53 fluoruracil54 en vinblastine55 gelden eveneens als fotosensibilisatoren.4 56
Ten slotte zijn ook gevallen beschreven van de niet-steroïde androgeenantagonist flutamide die wordt gebruikt bij de behandeling van prostaatkanker.4 12 57
Systemische NSAID’s. Vesiculaire, bulleuze en eczeemachtige huiduitslag, veelal in combinatie met blootstelling aan zonlicht, zijn beschreven van systemisch toegediende NSAID’s, zoals tiaprofeenzuur,59 60 diclofenac, ibuprofen,61 indometacine,62 ketoprofen,63 naproxen,60 piroxicam60 en sulindac 62.4 64
Pseudoporfyrie kan voorkomen tijdens behandeling met naproxen65 66 en nabumeton67. In een Canadese patiëntenserie van kinderen die vanwege reumatoïde artritis werden behandeld met naproxen, had 12% van de kinderen tekenen van pseudoporfyrie ontwikkeld.68 In de aangedane huid treedt snel verlittekening op na kleine trauma’s.
Topische NSAID’s. Van topische toediening van NSAID’s op de huid is bekend dat ze contactdermatitis kunnen geven. Deze zijn beschreven van onder meer ketoprofen54 69 en diclofenac.70 In 20 tot 30% van de gevallen doet het type en de locatie van de afwijkingen vermoeden dat ultraviolet licht een uitlokkende of verergerende rol heeft gespeeld. De lesies kwamen soms op grote afstand van de plaats van toediening voor.3 4 71-73
Andere geneesmiddelen. Een groot aantal andere geneesmiddelen is betrokken bij geïsoleerde gevallen van fotosensibilisatie. Het betreft middelen tegen acne, zoals azelaïnezuur voor lokale toepassing en isotretinoïne voor orale toepassing, en op teer gebaseerde stoffen die worden gebruikt bij de behandeling van psoriasis. Voorts zijn gevallen geschreven van anti-emetica, zoals aprepitant, middelen voor de behandeling van glaucoom, zoals acetazolamide, van fenothiazine afgeleide antihistaminica, zoals promethazine, andere anti-inflammatoire middelen, zoals sulfasalazine en goudzouten, hormonale anticonceptiva, fosfodiësteraseremmers, zoals vardenafil, protonpompremmers, zoals omeprazol, spierrelaxantia, orale bloedglucoseverlagende sulfonylureumderivaten, zoals glibenclamide, vitaminen, zoals pyridoxine, vitamine D-analoga, zoals calcipotriol, en het oncolyticum erlotinib.3 4 74-77

 


Door geneesmiddelen geïnduceerde fotodermatosen zijn huidafwijkingen ten gevolge van blootstelling aan ultraviolette straling van een natuurlijke of kunstmatige bron. Ze komen vooral voor op niet-bedekte huiddelen, maar kunnen ook op bedekte huiddelen voorkomen in het geval van toxische of allergische reacties. De voornaamste klinische manifestaties zijn papels, vesikels, eczemateuze beelden en urticaria. Zonnebrand en pigmentatie zijn normale reacties op ultraviolette straling, alleen bij een versterkte reactie is er sprake van fotosensibilisatie.
Patiënten die fotosensibiliserende geneesmiddelen krijgen voorgeschreven, moeten worden gewaarschuwd voor het risico verbonden aan de blootstelling aan zonlicht en intensief kunstlicht, zoals zonnebanken, sterke halogeenlampen, felle lampen in operatiekamers en in tandartsenpraktijken. Als blootstelling niet is te vermijden, dient men beschermende kleding te dragen. Het gebruik van een zonnecrème met een hoge beschermingsfactor biedt enige bescherming, maar is niet altijd voldoende. Het gebruik van meerdere fotosensibiliserende geneesmiddelen moet worden vermeden omdat dit het risico op een fotodermatose verhoogt.
Fotosensibilisatie kan verlopen via twee mechanismen: fototoxiciteit en fotoallergie. De laatste verloopt via een immunologisch mechanisme en is niet gevoelig voor vermindering van de blootstelling aan straling. In de praktijk is het onderscheid echter lastig te maken, aangezien nogal wat geneesmiddelen zowel fototoxische als fotoallergische reacties kunnen geven.
Veel geneesmiddelen doen de gevoeligheid van de huid voor ultraviolet licht toenemen, soms voor therapeutische doelen, maar over het algemeen betreft het ongewenste effecten. Er zijn onvoldoende betrouwbare gegevens over het voorkomen van geneesmiddelengeïnduceerde fotodermatosen. In apotheken die gebruik maken van het apotheekinformatiesysteem Pharmacom worden voor de volgende geneesmiddelen waarschuwingen gegeven dat ze deze reacties kunnen geven: analgetica en antireumatica, antimicrobiële middelen, amiodaron, dermatologica, desinfectantia, immunomodulantia, oncolytica en verteporfine (zie tab. 1).


Trefwoorden: fotodermatosen, fotosensibilisatie, fototoxiciteit, fotoallergie, geneesmiddelen



* alleen via magistrale bereiding verkrijgbaar.



1. Bickers DR. Photosensitivity and other reactions to light. In: Harrison’s principles of internal medicine: 324-329.
2. Le soleil, ses dangers et comment s’en protegér. Rev Prescrire 1991; 11: 306-311.
3. Sweetman SC, et al. (eds.). Martindale: the extra pharmacopeia. London: the Pharmaceutical press, 2009.
4. Drug-induced cutaneous photosensitivity. Prescrire Int 2000; 9: 117-122.
5. Photosensitivity diseases. Prescrire Int 1999; 8: 73.
6. Degreef HJ, Stolz E, Vermeer BJ, Willemze R, Vloten WA van (red.). Dermatologie en venereologie.
Reed Business, 2000.
7. Hunsel FPAM van, Bijl AMH. De gevaarlijke cocktail van UV en pil. Pharm Weekbl 2007; 242: 44-46.
8. Stein KR, Scheinfeld NS. Drug-induced photoallergic and phototoxic reactions. Expert Opin Drug Saf 2007; 6: 431-443.
9. L’été est là…penser aux photosensibilisations d’origine médicamenteuse. Rev Prescrire 1986; 6: 18-21.
10. Verteprofin age-related macular degeneration. Prescrire Int 2001; 10: 80-81.
11. Verteprofin. Prescrire Int 2003; 12: 5-8.
12. Rev Prescrire 2008; 28 (suppl. interactions médicamenteuses).
13. Doxycycline-Doxypalu. Prévention du paludisme: un recours dans quelques situations. Rev Prescrire 2005; 25: 731.
14. Cancers cutanés après puvathérapie. Rev Prescrire 2005; 25: 353.
15. Aminolévulinate de méthyle-Metvixia. Pour une photothérapie cutanée, sans faire mieux que la cryothérapie. Rev Prescrire 2008; 28: 8.
16. Frost P, Weinstein GD, Gomez EC. Phototoxic potential of miniocycline and doxycycline. Arch Dermatol 1972; 105: 681-683.
17. Vibramycine et soleil. Rev Prescrire 1981; 1: 28.
18. Doxycycline-Granudoxy ou autre. Parodontities agressives: pas d’entérêt tangible, mais des risques connus. Rev Prescrire 2008; 28: 168.
19. Vassileva SG, Mateev G, Parish LC. Antimicrobial Photosensitive Reactions. Arch Intern Med 1998; 158: 1993-2000.
20. Appelo DA, Bouwman SN, Diepstraten J, Diemont WL, Derijks HJ. Achterliggend mechanisme van fototoxiciteit bij fluorchinolonen. Pharm Weekbl 2005; 140: 563-565.
21. Passier A, Smits-van Herwaarden A, Puijenbroek E van. Photo-onycholysis associated with the use of doxycycline. BMJ 2004; 329: 265.
22. Ferguson J, Addo HA, Johnson BE, Frain-Bell W. Quinine induced photosensitivity: clinical and experimental studies. Br J Dermatol 1987; 117: 631-640.
23. Métayer I, Balguerie X, Courville P, Lauret P, Joly P. Photodermatosis induced by hydroxychloroquine: 4 cases. Ann Dermatol Venereol 2001; 128: 729-731.
24. Chandler MJ. Recurrence of phototoxic skin eruprion due to trimethoprim. J Infect Dis 1986; 153: 1001.
25. Dogra D de, Kaur I. Dapsone induced acute photosensitivity dermatitis; a case report and review of the literature. Lepr Rev 2007; 78: 401-404.
26. Auffret N, Janssen F, Chevalier P, Guillemain R, Amrein C, Beller C le. Voriconazole photosensitivity: 7 cases. Ann Dermatol Venereol 2006; 133: 330-332.
27. Voriconazole. Prescrire Int 2003; 12: 13-16.
28. Wahlberg JE, Wennersten G. Hypersensitivity and photosensitivity to chlorhexidine. Dermatologica 1971; 143: 376-379.
29. Amiodarone: une surveillance toujours attentive. Rev Prescrire 2000; 20: 666-667.
30. Rappersberger K, Hönigsmann H, Ortel B, Tanew A, Konrad K, Wolff K. Photosensitivity and hyperpigmentation in amiodarone-treated patients: incidence, time course, and recovery. J Invest Dermatol 1989; 93: 201-209.
31. Chalmers RJG, Muston HL. High incidence of amiodarone-induced photosensitivity in North-west England. BMJ 1982; 285: 341.
32. Parodi A, Guarrera M, Rebora A. Amiodarone-induced pseudoporphyria. Photodermatol 1988; 5: 146-147.
33. Robinson HN, Morison WL, Hood AF. Thiazide diuretic therapy and chronic photosensitivity. Arch Dermatol 1985; 121: 522-524.
34. Harber LC, Lashinsky AM, Baer RL. Photosensitivity due to chlorothiazide and hydrochlorothiazide. N Engl J Med 1959; 261: 1378-1381.
35. Burry JN, Lawrence JR. Phototoxic blisters from high frusemide dosage. Br J Dermatol 1976; 94: 495-499.
36. Rutherford T, Sinclair R. Photo-onycholysis due to indapamide. Australas J Dermatol 2007; 48: 35-36.
37. Wolf R, Dorfman B, Krakowski A. Quinidine-induced lichenoid and eczematous photodermatitis. Dermatologica 1987; 174: 285-289.
38. Scherschun L, Lee MW, Lim HW. Diltiazem-associated photodistributed hyperpigmentation: a review of 4 cases. Arch Dermatol 2001; 137: 179-182.
39. Zenarola P, Gatti S, Lomuto M. Photodermatitis duet o nifedipine: report of 2 cases. Dermatologica 1991; 182: 196-198.
40. Flécaïnide oral LP-Flécaine LP. L’évaluation n’a pas progressé. Rev Prescrire 2006; 26: 96.
41. Angiotensin II receptor antagonists: cutaneous adverse effects. Prescrire Int 2007; 16: 21.
42. Fibrates: photosensibilisation. In: Vingtièmes journées francaises de pharmacovigilance. Rev Prescrire 1999; 19: 521.
43. Harth Y, Rapoport M. Photosensitivity associated with antipsychotics, antidepressants and anxiolytics. Drug Saf 1996; 14: 252-259.
44. Allen JE. Drug-induced photosensitivity. Clin Pharm 1993; 12: 580-587.
45. Satanove A, McIntosh JS. Phototoxic reactions induced by high doses of chlorpromazine and thioridazine. JAMA 1967; 200: 209-212.
46. Prévinir les récidives au cours des troubles bipolaires. Lithium d’abord. Rev Prescrire 2005; 25: 363-367.
47. Rufinamide-Inovelon. Épilepsie et syndrome de Lennox-Gastaut: données trop peu solides. Rev Prescrire 2008; 28: 94.
48. St John’s Wort and depression. Prescrire Int 2004; 13: 187-192.
49. Korossy KS, Hood AF. Methotrexate reactivation of sunburn reaction. Arch Dermatol 1981; 117: 310-311.
50. Mallory SB, Berry DH. Severe reactivation of sunburn following methotrexate se. Pediatrics 1986; 78: 514-515.
51. Roenigk HH Jr, Fowler-Bergfeld W, Curtis GH. Methotrexate for psoriasis in weekly oral doses. Arch Dermatol 1969; 99: 86-93.
52. Imiquimod. Prescrire Int 2006; 15: 130-131.
53. Yung CW, Winston EM, Lorincz AL. Dacarbazine-induced photosensitivity reaction. J Am Acad Dermatol 1981; 4: 541-543.
54. Horio T, Murai T, Ikai K. Photosensitivity due to a fluorouracil derivative. Arch Dermatol 1978; 114: 1498-1500.
55. Breza TS, Halprin KM, Taylor JR. Photosensitivity reaction to vinblastine. Arch Dermatol 1975; 111:1168-1170.
56. Traitement des adénocarcinomes gastriques. Chirurgie, et parfois chimiothérapie périopératoire. Rev prescrire 2008; 28: 275-280.
57. Leroy D, Dompmartin A, Sczurko C. Flutamide photosensitivity. Photodermatol Photoimmunol Photomed 1996; 12: 216-218.
58. Mulder WMC, Meinardi MMHM, Bruynzeel DP. Side effects in dermatology. Amsterdam: Intermed Medical Publishers, 2004.
59. Le Coz CJ, Bottlaender A, Scrivener JN, Santinelli F, Cribier BJ, Heid E, et al. Photocontact dermatitis from ketoprofen and tiaprofenic acid: cross-reactivity study in 12 consecutive patients. Contact Dermat 1998; 38: 245-252.
60. Diffey BL, Daymond TJ, Fairgreaves H. Phototoxic reactions to piroxicam, naproxen and tiaprofenic acid. Br J Rheumatol 1983; 22: 239-242.
61. Bergner T, Przybilla B. Photosensitization caused by ibuprofen. J Am Acad Dermatol 1992; 26: 114-116.
62. Stern RS, Bigby M. An expanded profile of cutaneous reactions to non-steroidal anti-inflammatory drugs. Reports to a specialty-based system for spontaneous reporting of adverse reactions to drugs. JAMA 1984; 252: 1433-1437.
63. Mammen L, Schmidt CP. Photosensitivity reactions: a case report involving NSAIDs. Am Fam Physician 1995; 52: 575-579.
64. Diclofénac 12,5 mg-Voltarendolo. Un dosage réduit et une indication dans les ‘états fébriles’, sans plus. Rev prescrire 2006; 26: 569.
65. Maerker JM, Harm A, Foeldvari I, Höger PH. Naproxen-induced pseudoporphyria. Hautarzt 2001; 52: 1026-1029.
66. Suarez SM, Cohen PR, DeLeo VA. Bullous photosensitivity to naproxen: “pseudoporphyria”. Arthritis Rheum 1990; 33: 903-908.
67. Krischer J, Scolari F, Kondo-Oestrreicher M, Vollenweider-Roten S, Saurat JH, Pechère M. Pseudoporphyria induced by nabumetone. J Am Acad Dermatol 1999; 40: 492-493.
68. Lang BA, Finlayson LA. Naproxen-induced pseudoporphyria in patients with juvenile rheumatoid arthritis. J Pediatr 1994; 124: 639-642.
69. Bagheri H, Lhiaubet V, Montastruc JL, Chouini-Lalanne N. Photosesitivity to ketoprofen: mechanisms and pharmacoepidemiological data. Drug safety 2000; 22: 339-349.
70. Montoro J, Rodríguez M, Díaz M, Bertomeu F. Photoallergic contact dermatitis due to diclofenac. Contact Dermatitis 2003; 48: 115.
71. Topical NSAIDs: cutaneous reactions. Prescrire Int 2000; 9: 114-115.
72. Les copies du mois: l’occasion de rappels pour la pratique. Rev Prescrire 2006; 26: 342.
73. Kétoprofène gel: attention aux effets cutanés. Rev Prescrire 2003; 23: 429-430.
74. Acide azélaïque gel 15%-Finacea. Rosacée et acne: pas de progrès. Rev Prescrire 2006; 26: 5.
75. Psoriasis en plaque. Idées-Forces Prescrire. Updated in September 2008; www.prescrire.org, 10 pag.
76. Antihistaminiques locaux. Le bon usage. Rev Prescrire 1988; 8: 75.
77. Luu M, Lai SE, Patel J, Guitart J, Lacouture. Photosensitive rash due to the epidermal growth factor
 receptor inhibitor erlotinib. Photodermatol Photoimmunol Photomed 2007; 23: 42-45.