In het kort Artikel

Finerenon bij diabetes type 2 en chronische nierziekte


Samenvatting

Bij patiënten met diabetes mellitus type 2 en chronische nier- of hart- en vaatziekten moet de behandeling worden gericht op blokkade van het renine-angiotensine-aldosteronsysteem (RAAS). Daarnaast kan in specifieke gevallen overwogen worden om (off-label) een competitieve aldosteronreceptorantagonist (MRA - mineralocorticoïdereceptorantagonist), zoals spironolacton of eplerenon toe te voegen. Finerenon is een nieuwe, non-steroïde aldosteronreceptorantagonist die in theorie een lager risico op hyperkaliëmie zou geven. Uit de registratiestudies FIDELIO-DKD en de FIGARO-DKD blijkt dat finerenon het optreden van zowel renale als cardiovasculaire complicaties vermindert, vergeleken met placebo. Het risico op hyperkaliëmie lijkt echter niet relevant lager dan met de oudere MRA’s. Er lijkt daarom op dit moment geen bewijs te zijn voor de toegevoegde waarde van finerenon in vergelijking met deze oudere MRA’s, waarvan goedkopere generieke producten beschikbaar zijn.


Wat is het standpunt van het Ge-Bu?
  • Finerenon toegevoegd aan een standaardbehandeling bij patiënten met diabetes mellitus type 2 en een chronische nierziekte geeft, ten opzichte van placebo, een kleine verlaging van het risico op grote renale en cardiovasculaire complicaties.
  • Hoewel een directe vergelijking ontbreekt, lijken oudere aldosteronreceptorantagonisten zoals spironolacton en eplerenon een vergelijkbare verlaging van het risico op grote renale en cardiovasculaire complicaties te geven.
  • Het beloofde lagere risico op hyperkaliëmie, in vergelijking met oudere aldosteronreceptorantagonisten zoals spironolacton en eplerenon, lijkt niet aangetoond.
  • Bij de behandeling met finerenon is controle van de serumkaliumconcentratie noodzakelijk.
  • Vooralsnog is er geen plaats voor finerenon in de behandeling van patiënten met diabetes mellitus type 2 en chronische nierziekten.

Het belangrijkste behandeldoel voor patiënten met diabetes mellitus type 2 is een optimale glykemische instelling. In het geval van bijkomende chronische nierziekten of hart- en vaatziekten wordt in de recent herziene richtlijn van het NHG geadviseerd om behandeling te starten met een ‘Sodium-dependent glucose co-transporter 2’ (SGLT-2)-remmer, daarna metformine toe te voegen en, indien nodig, daarna een glucagonachtig peptide (GLP)-1-receptoragonist te starten.1 Daarnaast wordt volgens de richtlijn cardiovasculair risicomanagement onder andere geadviseerd eventuele verhoogde bloeddruk te behandelen. De behandeling van eerste keuze is gericht op blokkade van het renine-angiotensine-aldosteronsysteem (RAAS).2 Deze blokkade kan met een angiotensine converterend enzym (ACE)-remmer of een angiotensine II-antagonist (ARB - angiotensinereceptorblokker) worden ingesteld. Soms wordt ook een competitieve aldosteronreceptorantagonist (MRA - mineralocorticoïdereceptorantagonist), zoals spironolacton of eplerenon, voorgeschreven ter vervanging van een ACE-remmer of ARB, bijvoorbeeld wanneer een intolerantie bestaat. Het gebruik van deze kaliumsparende diuretica is in Nederland bij deze toepassing echter off-label en er wordt terughoudendheid aanbevolen bij het voorschrijven.3

Sinds 9 juli 2021 is finerenon (20 mg per dag bij een EGFR ≥ 60 ml/min/1,73 m2 of 10 mg per dag bij een EGFR ≥ 25 en < 60 ml/min/1,73 m2, zo mogelijk verhogen naar 20 mg per dag) in de Verenigde Staten geregistreerd voor het verminderen van de progressie van chronische nierziekten en van cardiovasculaire ziekten bij patiënten met diabetes mellitus type 2 in combinatie met chronische nierziekten. Finerenon is een nieuwe, non-steroïde aldosteronreceptorantagonist, met een hogere selectiviteit voor de aldosteronreceptor dan spironolacton en sterkere affiniteit dan eplerenon.3


De Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA) baseerde de goedkeuring van finerenon op de FIDELIO-DKD-studie. Deze studie is een gerandomiseerd placebogecontroleerd onderzoek waarbij de effectiviteit van finerenon werd onderzocht bij patiënten met diabetes mellitus type 2 en chronische nierziekten. In dit onderzoek verminderde finerenon het optreden van een samengesteld primair eindpunt van verschillende grote aan nierziekte gerelateerde complicaties. Daarnaast werd ook het optreden van een samengesteld secundair eindpunt van verschillende grote cardiovasculaire complicaties voorkomen. 

Inmiddels is ook de FIGARO-DKD-studie gepubliceerd. Dit is een vergelijkbare studie, waarin de primaire en secundaire eindpunten zijn omgewisseld en patiënten met minder ernstige nierziekten werden geïncludeerd. De resultaten van beide studies zijn vergelijkbaar.

Onderzoeksmethode

Beide studies werden, zoals gebruikelijk voor registratiestudies, door de fabrikant gefinancierd en geanalyseerd. In beide studies werd finerenon (20 mg per dag bij een EGFR ≥ 60 ml/min/1,73 m2 of 10 mg per dag bij een EGFR ≥ 25 en < 60 ml/min/1,73 m2, zo mogelijk na een maand verhogen naar 20 mg per dag) vergeleken met placebo. Er zijn geen studies beschikbaar waarin finerenon rechtstreeks wordt vergeleken met spironolacton of eplerenon op relevante klinische eindpunten. Bij de studies van spironolacton en eplerenon waarbij het optreden van relevante klinische eindpunten werd onderzocht, zijn de onderzochte populaties dusdanig verschillend dat ook een indirecte vergelijking niet betrouwbaar te maken is. Het is dan ook niet mogelijk om de aan- of afwezigheid van een potentiële meerwaarde ten opzichte van deze langer beschikbare middelen te bepalen. Er lijkt naar aanleiding van de FIDELIO-DKD- en FIGARO-DKD-studies echter weinig reden om aan te nemen dat finerenon wezenlijk betere resultaten zou laten zien. Daarnaast zijn de onderzochte populaties in beide studies relatief gezond en is het de vraag of de resultaten zich laten vertalen naar de volledige patiëntenpopulatie met diabetes mellitus type 2. Beide studies zullen hieronder in meer detail besproken worden.

Eindpunt niercomplicaties (FIDELIO-DKD) 

In dit gerandomiseerde dubbelblinde placebogecontroleerde onderzoek werden 5.734 patiënten geïncludeerd. De deelnemers hadden diabetes mellitus type 2 met overwegend stadium 3 of 4 chronische nierschade (eGFR ≥ 25 en < 60 ml/min/1,73 m2, waarvan ≤ 10% met een geschiedenis van diabetische retinopathie) en een meestal matig verhoogde albumine-creatinineratio in de urine (≥ 90% 30 tot 300 mg/g, ≤ 10% > 300 mg/g). Deelnemers hadden geen klinische diagnose van hartfalen met verminderde ejectiefractie (New York Heart Association class II–IV) en geen serumkaliumconcentratie hoger dan 4,8 mmol/l. Tijdens een inloopfase, die 4 tot 16 weken mocht duren, werden de potentiële deelnemers ingesteld op de maximale, door de fabrikant aangeraden, dosering van een ACE-remmer of ARB die niet tot onacceptabele bijwerkingen leidde. Hierna werden bij het screeningsbezoek de in- en uitsluitingscriteria opnieuw gecontroleerd.

Resultaten

Het primaire eindpunt was een samengesteld eindpunt van nierfalen, een blijvende daling van de eGFR van 40% of hoger ten opzichte van de uitgangswaarde of dood door een renale oorzaak. Dit primaire eindpunt trad, tijdens een mediane follow-up van 2,6 jaar, op bij 504 van de 2.833 (17,8%) patiënten in de finerenongroep en 600 van de 2.841 (21,1%) patiënten in de placebogroep. De hazard ratio was 0,82 (95% betrouwbaarheidsinterval (BI) 0,73 tot 0,93). Hierbij hoort een number needed to treat (NNT) van 27.

Het belangrijkste secundaire eindpunt was een samengesteld eindpunt van cardiovasculaire dood, niet-fataal myocardinfarct, niet-fataal cerebrovasculair accident, of ziekenhuisopname vanwege hartfalen. Dit secundaire eindpunt trad op bij 367 van de 2.833 (13,0%) patiënten in de finerenongroep en 420 van de 2.841 (14,8%) patiënten in de placebogroep. De hazard ratio was 0,86 (0,75 tot 0,99) en de NNT was 49.

Eindpunt cardiovasculaire complicaties (FIGARO-DKD)

In dit gerandomiseerde dubbelblinde placebogecontroleerde onderzoek werden 7.437 personen geïncludeerd. De deelnemers hadden diabetes mellitus type 2 met stadium 2 tot 4 chronische nierziekten (eGFR ≥ 25 en ≤ 90 ml/min/1,73 m2) en een matig verhoogde albumine-creatinine-ratio in de urine (≥ 30 en < 300 mg/g), of stadium 1 of 2 chronische nierziekten (eGFR ≥ 25 en ≤ 90 ml/min/1,73 m2) en een ernstig verhoogde albumine-creatinineratio in de urine (≥ 300 mg/g), waarvan ≤ 10% met een matig verhoogde albumine-creatinineratio in de urine (≥ 30< 300 mg/g) en stadium 2 chronische nierziekten (eGFR ≥ 60≤ 90 ml/min/1,73 m2). Deelnemers hadden geen klinische diagnose van hartfalen met verminderde ejectiefractie (New York Heart Association class II–IV) of serumkaliumconcentratie hoger dan 4,8 mmol/l. Tijdens een run-in-periode, die 4 tot 16 weken mocht duren, werden potentiële deelnemers ingesteld op de maximale door de fabrikant aangeraden dosis RAAS-blokkade die niet tot onacceptabele bijwerkingen leidde. Hierna werden bij het screeningsbezoek de in- en uitsluitingscriteria opnieuw gecontroleerd.

Resultaten

Het primaire eindpunt was een samengesteld eindpunt van cardiovasculaire dood, niet-fataal myocardinfarct, niet-fataal cerebrovasculair accident, of ziekenhuisopname vanwege hartfalen. Dit primaire eindpunt trad, tijdens een mediane follow-up van 3,4 jaar, op bij 458 van de 3.686 (12,4%) patiënten in de finerenongroep en bij 519 van de 3.666 (14,2%) patiënten in de placebogroep. De hazard ratio was 0,87 (95%BI 0,76 tot 0,98). Hierbij hoort een NNT van 55.

Het belangrijkste secundaire eindpunt was een samengesteld eindpunt van nierfalen, een blijvende daling van de eGFR van 40% of hoger ten opzichte van de uitgangswaarde of dood door een renale oorzaak. Dit secundaire eindpunt trad op bij 350 van de 3.686 (9,5%) patiënten in de finerenongroep en 395 van de 3.666 (10,8%) patiënten in de placebogroep. De hazard ratio was 0,87 (0,76 tot 1,01), een niet-significant verschil.

Overstappen tussen FIDELIO-DKD en FIGARO-DKD

In de bijlagen van zowel de FIDELIO-DKD- als de FIGARO-DKD-studie wordt de mogelijkheid beschreven dat patiënten tijdens de inloopfase wisselen van studie. Er zouden volgens de FIDELIO-studie, van de 13.911 gescreende patiënten, 1.552 patiënten naar de FIGARO-studie zijn overgestapt. Daarnaast zouden 1.374 patiënten juist van de FIGARO-studie naar de FIDELIO-studie zijn overgestapt. Volgens de FIGARO-studie zijn er echter, van de 19.381 gescreende patiënten, 1.376 naar de FIDELIO-studie overgestapt en 1.555 juist van de FIDELIO naar de FIGARO-studie overgestapt. Deze aantallen kloppen niet met elkaar. Verder wordt er nergens melding gemaakt van de mogelijkheid om van studie te wisselen, of de mogelijke redenen om dit te doen. Tot slot vond de overstap, volgens het schema in de bijlage, plaats voor de tweede screening en de randomisatie. Hierdoor is het niet duidelijk of de overgestapte patiënten allemaal geïncludeerd zijn of dat ze na de overstap ook nog af konden vallen bij de tweede screening. Dit alles roept extra twijfel op over de precieze gang van zaken rond de werving en selectie van patiënten voor de beide studies.


Om in een klinische situatie een adequate inschatting van het te verwachte effect van een geneesmiddel te kunnen maken, dient altijd rekening gehouden te worden met effectmodificatie. De term effectmodificatie verwijst naar het fenomeen dat er altijd verschillen in effectiviteit optreden tussen verschillende patiëntengroepen. Bij de interpretatie van resultaten van een geneesmiddelonderzoek moet daarom altijd gekeken worden of de patiëntengroep waartoe een te behandelen patiënt behoort wel in het onderzoek ingesloten is. Dit staat ook wel bekend als representativiteit of externe validiteit van een onderzoek. Daarnaast kunnen binnen een studie verschillen in effectiviteit bestaan tussen verschillende subgroepen van geïncludeerde patiënten. Hoewel de resultaten van subgroepanalyses vaak met enige voorzichtigheid geïnterpreteerd moeten worden, kunnen deze wel een indicatie geven van verwachte verschillen tussen verschillende patiëntengroepen.

FIDELIO versus FIGARO op het renale eindpunt

Het eerste dat opvalt bij het vergelijken van de FIDELIO-studie en de FIGARO-studie is dat in de laatste het verschil voor het samengestelde renale eindpunt niet significant is, in tegenstelling tot in de FIDELIO-studie, terwijl het aantal ingesloten patiënten groter is. Een groot deel van dit verschil wordt verklaard door de mildere ernst van de nierziekten van patiënten in de FIGARO-DKD. De FIDELIO-studie is dus representatief voor patiënten met ernstigere nierziekten dan die in de FIGARO-studie.

Subgroepanalyses

In de bijlagen van beide studies worden ook subgroepanalyses gepresenteerd. Het effect op renale uitkomsten is minder bij een ‘body mass index’ (BMI) groter dan 30, gebruik van GLP-1-receptoragonisten of gebruik van SGLT-2-remmers, terwijl het effect op cardiovasculaire eindpunten in deze subgroepen juist groter is. Het effect op zowel de renale als de cardiovasculaire uitkomsten is ook kleiner bij een geschiedenis van cardiovasculaire ziekten.

In het licht van de nieuwe richtlijnen voor de behandeling van diabetes mellitus type 2 kan vooral de mogelijke effectmodificatie door SGLT-2-remmers en GLP-1-receptoragonisten extra van belang zijn.1


Eén van de belangrijkste bijwerkingen van kaliumsparende diuretica, zoals de competitieve aldosteronreceptorantagonisten spironolacton en eplerenon, is het optreden van hyperkaliëmie (serumkaliumconcentratie > 5,5 mmol/l) bij tot 5,5% van de patiënten.4 Een van de belangrijkste redenen voor de ontwikkeling van nieuwe, non-steroïde MRA’s was de mogelijkheid om de incidentie van deze bijwerking te verminderen. Het risico op hyperkaliëmie leek in eerdere (fase 2-)studies bij finerenon meer dan gehalveerd ten opzichte van spironolacton (5,3% versus 12,7%).5 Bij lage finerenondoseringen (< 15 mg) was het risico licht verlaagd en bij hogere doseringen (15-20 mg) licht verhoogd ten opzichte van eplerenon.5 Hyperkaliëmie werd in de FIDELIO-studie gezien bij 18,3% van de patiënten in de finerenongroep en 9,0% van de patiënten in de placebogroep. In de FIGARO-studie, waarin patiënten met minder ernstige nierziekten werden geïncludeerd, was dit respectievelijk 10,8% en 5,3%.6,7 Hier moet bij worden opgemerkt dat in beide studies uitsluitend patiënten geïncludeerd werden die na de inloopfase de maximale door de fabrikant aangeraden dosis RAAS-blokkade hadden en een serumkaliumconcentratie kleiner of gelijk aan 4,8 mmol/l. Hiermee werden dus specifiek patiënten geselecteerd met een relatief laag risico op het ontwikkelen van een hyperkaliëmie. De resultaten zijn daardoor niet direct te vertalen naar andere patiëntgroepen.

Farmacokinetiek, metabolisme en interacties

Oraal toegediende finerenon wordt snel opgenomen met een piekplasmaconcentratie tussen de 30 en 60 minuten na inname en bereikt na twee doseringen een stabiele plasmaconcentratie. Het kent een absolute biologische beschikbaarheid van 44% door het first-passeffect in de lever en heeft een halfwaardetijd van 2 tot 3 uur. Finerenon wordt hoofdzakelijk afgebroken door CYP3A4 (90%) en in mindere mate door CYP2C8 (10%). Het wordt voor 80% geklaard via de urine. De farmacokinetiek wordt niet op klinisch relevante wijze beïnvloed door leeftijd, geslacht, etniciteit, nierfunctie, of milde tot matige leverfunctiestoornissen (Child-Pugh class A en B).8

Vanwege de omzetting via CYP3A4 zal de plasmaconcentratie finerenon toenemen bij gelijktijdig gebruik van CYP3A4-remmers. Gelijktijdig gebruik met sterke tot matige CYP3A4-remmers zoals itraconazol, erythromycine, verapamil en grapefruit of grapefruitsap moet worden vermeden. Bij gelijktijdig gebruik van zwakke CYP3A4-remmers, zoals amiodaron, moeten de serumkaliumconcentratie en plasmaconcentratie van finerenon beide worden gecontroleerd en moet de dosering hier indien nodig op aangepast worden. Gelijktijdig gebruik van sterke tot matige CYP3A4-inducerende middelen, zoals rifampicine en efavirenz dient vermeden te worden.8

Details beschreven onderzoek

FIDELIO-DKD6
Onderzoeksnaam: Finerenone in Reducing Kidney Failure and Disease Progression in Diabetic Kidney Disease (FIDELIO-DKD) trial
Opzet: gerandomiseerd dubbelblind placebogecontroleerd onderzoek in 48 landen
Insluitingscriteria: 18 jaar of ouder, diabetes mellitus type 2 met overwegend stadium 3 of 4 chronische nierziekten (eGFR ≥ 25 en < 60 ml/min/1,73 m2, waarvan ≤ 10% met een geschiedenis van diabetische retinopathie) en een meestal matig verhoogde albumine-creatinineratio in de urine (≥ 90% 30 tot 300 mg/g ≤ 10% ≥ 300 mg/g) en ingesteld op de maximale, door de fabrikant aangeraden, dosis RAAS-blokkade
Belangrijke uitsluitingscriteria: hartfalen met een verminderde ejectiefractie, serumkaliumconcentratie > 4,8 mmol/l
Interventie: er werden twee interventies vergeleken met placebo
  1.  Deelnemers met een eGFR van ≥ 25 en < 60 ml/min/1,73 m2 kregen éénmaal daags 10 mg finerenon, oraal. Na een maand kon,
       indien de serumkaliumconcentratie nog altijd ≤ 4,8 mmol/l was, verhoogd worden naar 20 mg éénmaal daags
  2.  Deelnemers met een eGFR van ≥ 60 ml/min/1,73 m2 kregen éénmaal daags 20 mg finerenon, oraal
Primair(e) eindpunt(en) en looptijd: een samengesteld eindpunt van nierfalen, een blijvende daling van de eGFR van ≥ 40% ten opzichte van baseline, of dood door renale oorzaak. Mediane follow-up was 2,6 jaar
Beoogd patiëntenaantal en power: een ‘event-driven sample size’ berekening liet zien dat er 1.068 patiënten met een primair eindpunt nodig waren om met 90% power een 20% lager risico in de finerenongroep aan te kunnen tonen
Randomisatie: 1:1 ratio, gestratificeerd op regio, eGFR-categorie en albuminurie-categorie
Blindering: behandelingen waren geblindeerd voor patiënten en onderzoekers
Geanalyseerde populatie: intention-to-treat (60 gerandomiseerde patiënten uitgesloten wegens ‘kritieke’ overtredingen van ‘good clinical practice’, waarvan 33 uit de finerenongroep en 27 uit de placebogroep)
Aantal ingesloten patiënten: 5.734 (2.866 finerenongroep + 2.868 placebogroep)
Trialregistratie: clinicaltrials.gov: NCT02540993
Financiering: Bayer
Analyses uitgevoerd door: Bayer
Belangenverstrengeling: 10 van de 11 auteurs
FIGARO-DKD7
Onderzoeksnaam: Finerenone in Reducing Cardiovascular Mortality and Morbidity in Diabetic Kidney Disease (FIGARO-DKD) trial
Opzet: gerandomiseerd dubbelblind placebogecontroleerd onderzoek in 48 landen
Insluitingscriteria: 18 jaar of ouder, diabetes mellitus type 2 met stadium 2 tot 4 chronische nierziekten (eGFR ≥ 25 en ≤ 90 ml/min/1,73 m2) en een matig verhoogde albumine-creatinineratio in de urine (≥ 30< 300 mg/g), of stadium 1 of 2 chronische nierziekten (eGFR ≥ 25 en ≤ 90 ml/min/1,73 m2) en een ernstig verhoogde albumine-creatinineratio in de urine (≥ 300 mg/g), waarvan ≤ 10% met een matig verhoogde albumine-creatinineratio in de urine (≥ 30< 300 mg/g) en stadium 2 chronische nierziekten (eGFR ≥ 60 en ≤ 90 ml/min/1,73 m2) en allemaal ingesteld op de maximale, door de fabrikant aangeraden, dosis RAAS-blokkade
Belangrijke uitsluitingscriteria: hartfalen met een verminderde ejectiefractie, serumkaliumconcentratie > 4,8 mmol/l
Interventie: er werden twee interventies vergeleken met placebo
  1.  Deelnemers met een eGFR van ≥ 25 en < 60 ml/min/1,73 m2 kregen éénmaal daags 10 mg finerenon, oraal.
       Na een maand kon, indien de serumkaliumconcentratie nog altijd ≤ 4,8 mmol/l was, verhoogd worden naar 20 mg éénmaal daags
  2.  Deelnemers met een eGFR van ≥ 60 ml/min/1,73 m2 kregen éénmaal daags 20 mg finerenon oraal
Primair(e) eindpunt(en) en looptijd: cardiovasculaire dood, niet-fataal myocardinfarct, niet-fataal cerebrovasculair accident, of ziekenhuisopname vanwege hartfalen. Mediane follow-up was 3,4 jaar
Beoogd patiëntenaantal en power: een ‘event-driven sample size’ berekening liet zien dat er 976 patiënten met een primair eindpunt nodig waren om met 90% power een 20% lager risico in de finerenongroep aan te kunnen tonen
Randomisatie: 1:1 ratio, gestratificeerd op regio, eGFR-categorie, albuminurie-categorie en geschiedenis van hart- en vaatziekten
Blindering: behandelingen waren geblindeerd voor patiënten en onderzoekers
Geanalyseerde populatie: intention-to-treat (85 gerandomiseerde patiënten uitgesloten wegens ‘kritieke overtredingen van ‘good clinical practice’, waarvan 37 uit de finerenongroep en 48 uit de placebogroep)
Aantal ingesloten patiënten: 7.437 (3.723 finerenongroep + 3.714 placebogroep)
Trialregistratie: clinicaltrials.gov: NCT02545049
Financiering: Bayer
Analyses uitgevoerd door: Bayer
Belangenverstrengeling: 11 van de 11 auteurs 

  1. Nederlands Huisartsen Genootschap, Utrecht, 2021. Via: https://richtlijnen.nhg.org/standaarden/diabetes-mellitus-type-2#volledige-tekst-richtlijnen-beleid. Geraadpleegd op 14-12-2021.
  2. Nederlands Huisartsen Genootschap, Utrecht, 2021. Via: https://richtlijnen.nhg.org/standaarden/cardiovasculair-risicomanagement#volledige-tekst-richtlijnen-beleid. Geraadpleegd op 14-12-2021.
  3. Horizonscan geneesmiddelen, Zorginstituut Nederland, Diemen, 2021. Via: https://www.horizonscangeneesmiddelen.nl/geneesmiddelen/finerenon-stofwisseling-en-endocrinologie-diabetes/versie3. Geraadpleegd op 16-11-2021.
  4. Capelli I, Gasperoni L, Ruggeri M, Donati G, Baraldi O, Sorrenti G, et al. New mineralocorticoid receptor antagonists: update on their use in chronic kidney disease and heart failure. J Nephrol. 2020 Feb;33(1):37-48. doi: 10.1007/s40620-019-00600-7. 
  5. Ruilope LM, Tamargo J. Renin-angiotensin system blockade: Finerenone. Nephrol Ther. 2017 Apr;13 Suppl 1:S47-S53. doi: 10.1016/j.nephro.2017.02.003. 
  6. Bakris GL, Agarwal R, Anker SD, Pitt B, Ruilope LM, Rossing P, et al. FIDELIO-DKD Investigators. Effect of Finerenone on Chronic Kidney Disease Outcomes in Type 2 Diabetes. N Engl J Med. 2020 Dec 3;383(23):2219-2229. doi: 10.1056/NEJMoa2025845. 
  7. Pitt B, Filippatos G, Agarwal R, Anker SD, Bakris GL, Rossing P, et al. FIGARO-DKD Investigators. Cardiovascular Events with Finerenone in Kidney Disease and Type 2 Diabetes. N Engl J Med. 2021 Dec 9;385(24):2252-2263. doi: 10.1056/NEJMoa2110956.
  8. Frampton JE. Finerenone: First Approval. Drugs. 2021 Oct;81(15):1787-1794. doi: 10.1007/s40265-021-01599-7. 

Auteurs

  • dr Rutger A. Middelburg, epidemioloog