In het kort Artikel

Erlotinib

Stand van zaken na 12 jaar ervaring


Erlotinib (Tarceva®) was de eerste geregistreerde EGFR-tyrokinaseremmer bij niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC). Het maakte extramurale behandeling van patiënten mogelijk met een gunstiger bijwerkingenprofiel ten opzichte van de bestaande chemotherapie. De registratie van erlotinib is inmiddels gespecificeerd naar NSCLC-patiënten met een mutatie in het gen voor epidermale groeifactorreceptor (EGFR).
Nieuwe ontwikkelingen bij NSCLC zijn de tweede en derde generatie EGFR-tyrosinekinaseremmers. Daarvan lijkt met name osimertinib een betere prognose te bieden op de progressievrije overleving. Duale blokkade van EGFR en vasculaire EGFR met een combinatie van ramucirumab met erlotinib lijkt de progressievrije overleving verder te verlengen dan bij erlotinib in monotherapie. Een tweede uitbreiding van de indicatie van erlotinib is behandeling van pancreascarcinoom, maar erlotinib toegevoegd aan gemcitabine voegt gemiddeld slechts een maand toe aan de totale overleving en geeft meer bijwerkingen. 

  • Erlotinib verlengt in vergelijking met chemotherapie de progressievrije overleving van patiënten met niet-kleincellig longcarcinoom met een EGFR-activerende mutatie (10% van de Nederlanders), maar niet de totale overleving. 
  • Bij niet-kleincellig-longcarcinoompatiënten in stadium IIIb of IV met een EGFR-activerende mutatie heeft osimertinib of mogelijk ramucirumab in combinatie met erlotinib de voorkeur boven monotherapie met erlotinib. 
  • Bij pancreaskanker heeft erlotinib toegevoegd aan gemcitabine geen toegevoegde waarde en heeft daarmee geen plaats in de behandeling.
  • Bijwerking van erlotinib zijn over het algemeen niet ernstig, het meest voorkomend is huiduitslag. Dit kan tevens een voorspeller zijn van een respons.

Op 19 september 2005 werd in Nederland een handelsvergunning verstrekt voor erlotinib  (Tarceva®), een eerste humane epidermale-groeifactor-receptor-tyrosinekinaseremmer (EGFR-tyrosinekinaseremmer) voor de behandeling van niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC/non-small lung cell carcinoma).1 In 2008 werd erlotinib op de Nederlandse markt gebracht en werd het als nieuw geneesmiddel besproken in het Ge-Bu.2 Erlotinib had het grote voordeel dat de patiënt met NSCLC extramuraal kon worden behandeld, wat bij de toen gangbare chemotherapie niet het geval was. Daarnaast was het bijwerkingenprofiel van erlotinib gunstiger dan van chemotherapie. Erlotinib werd indertijd op de markt toegelaten op grond van één gerandomiseerd onderzoek. In november 2018 is het patent van erlotinib (Tarceva®) verlopen en zijn er meerdere generieke varianten verschenen. De hoogste tijd dus om, na meer dan tien jaar ervaring met erlotinib, nieuw gepubliceerd onderzoek te bespreken en de balans op te maken.


Erlotinib werd initieel geregistreerd voor de behandeling van patiënten met lokaal gevorderd of gemetastaseerd NSCLC (stadium IIIB/IV, tumor in de long met uitzaaiingen aan de andere kant van de borstkas of in andere organen) na falen van tenminste één voorafgaand chemotherapieregime. Er werd op dat moment nog geen onderscheid gemaakt tussen patiënten met een bekende EGFR-activerende mutatie of niet. Sinds 2008 is de geregistreerde indicatie nader gespecificeerd en uitgebreid naar patiënten met lokaal gevorderd of gemetastaseerd niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC):

  • met een EGFR-activerende mutatie die nog niet eerder behandeld is bij wie de ziekte stabiel is na initiële chemotherapie
  • bij wie eerdere chemotherapie niet heeft gewerkt
  • zonder EGFR-activerende mutatie bij wie alle overige behandelopties niet geschikt zijn.

Ook is een tweede geregistreerde indicatie toegevoegd, namelijk gemetastaseerd pancreascarcinoom, in combinatie met gemcitabine.1


Erlotinib is een humane EGFR-type I-tyrosinekinaseremmer. Erlotinib is een klein molecuul dat de intracellulaire fosforylering van de EGFR remt en daarmee de tyrosinekinaseactiviteit en verdere doorgifte van groeisignalen blokkeert. Het is een specifieke, sterke en reversibele remmer van de intracellulaire fosforylering via de ATP-bindingplaats. EGFR komt voor op het celoppervlak van zowel normale als van tumorcellen, en geeft signalen door die de celkern aanzetten tot delen. Op tumorcellen met een EGFR-activerende mutatie is EGFR in grotere hoeveelheden aanwezig (EGFR-overexpressie), met als gevolg een oncontroleerbare en moeilijk te stoppen celdeling.3

EGFR-overexpressie komt in Nederland voor in ongeveer 10% van alle NSCLC-tumoren. Deze overexpressie leidt tot een toename van celproliferatie, remming van apoptose, stimulatie van invasief gedrag en van metastasering, en toename van angiogenese. Blokkade van de EGFR is dus een zinvolle benadering. Gebruik van erlotinib is vooral zinvol bij vrouwen met vergevorderd NSCLC, bij patiënten met een bronchioalveolair- of adenocarcinoom, bij patiënten die nooit hebben gerookt en bij patiënten van Oost-Aziatische afkomst, omdat deze patiënten meer EGFR-overexpressie vertonen.4 Biologische eigenschappen van de tumor die de kans op een respons vergroten zijn niet alleen een voldoende expressie van EGFR maar ook de aanwezigheid van activerende mutaties in het EGFR-gen (gen-symbool ErbB-1). Helaas komt resistentie tegen erlotinib na enkele maanden gebruik veel voor.1


Registratieonderzoek in 2005 had aangetoond dat de totale overleving ten opzichte van placebo werd verlengd door erlotinib.5 Latere studies waarin erlotinib werd vergeleken met de gangbare therapie lieten zien dat de progressievrije overleving werd verlengd (11,4 vs. 21,5 maanden in vergelijking met gemcitabine/cisplatine), maar dat er géén effect was op de totale overleving.6,7,8 Uit later registratieonderzoek blijkt dat erlotinib doelmatiger kan worden ingezet door screening op EGFR-activerende mutaties. Erlotinib blijkt namelijk effectiever bij patiënten met EGFR-overexpressie.8

Oorspronkelijk registratieonderzoek

Erlotinib werd geregistreerd bij NSCLC op grond van de BR.21-studie.5 Deze studie toonde een kleine, maar statistisch significante verbetering op de totale overleving van patiënten (6,7 maanden voor erlotinib en 4,7 maanden voor placebo, hazard ratio (HR) 0,70, 95% betrouwbaarheidsinterval (BI) 0,58 tot 0,85).5 De BR.21-studie werd deels gefinancierd door OSI Pharmaceuticals, de producent van Tarceva®. De klinische relevantie van de winst op de totale overleving was discutabel, maar het bleek voldoende voor registratie.

Onderzoek na de registratie

Een Cochrane-review uit 2016 vond acht artikelen van hoge kwaliteit waarbij erlotinib met cytotoxische chemotherapie werd vergeleken. De progressievrije overleving werd beoordeeld in een gepoolde analyse van vier onderzoeken met in totaal 595 patiënten. Er werd een statistisch significant voordeel gezien voor erlotinib ten opzichte van cytotoxische chemotherapie (HR 0,30 [95%BI 0,24 tot 0,38], geen gegevens in maanden beschikbaar). De totale overleving vertoonde echter geen significant verschil.9

Registratie toepassing bij EGFR-activerende mutaties

Na de registratie van erlotinib is de oorspronkelijke indicatie uitgebreid met de eerstelijnsbehandeling van patiënten met lokaal gevorderd of gemetastaseerd niet-kleincellig longcarcinoom met EGFR-activerende mutaties. In 2011 werd in een meta-analyse geconcludeerd dat er bij de behandeling met erlotinib een statistisch significant verband bestaat tussen een verhoogd aantal EGFR-kopieën en een verbeterde totale overleving (HR 0,77 [95%BI 0,66 tot 0,89]) en progressievrije overleving (HR 0,60 [0,46 tot 0,79]).8 Studies die met name Kaukasische West-Europese en Noord-Amerikaanse patiënten includeerden lieten hetzelfde effect zien (HR 0,70 [0,59 tot 0,82]), terwijl studies met overwegend Aziatische patiënten dit effect juist niet lieten zien. De auteurs van de meta-analyse concludeerden dat bij West-Europese en Noord-Amerikaanse patiënten met NSCLC, screening op EGFR-activerende mutaties de beste methode is om de tumorrespons op EGFR-tyrosinekinaseremmers te voorspellen.8 In 2013 werd dit bevestigd toen bleek dat bij patiënten met NSCLC zonder overexpressie van EGFR een tweedelijnsbehandeling met docetaxel effectiever is dan erlotinib. De progressievrije overleving was 2,9 maanden met docetaxel versus 2,4 maanden met erlotinib (HR 0,71 [0,53 tot 0,95]).10 De klinische relevantie van dit verschil valt echter te bediscussiëren.

Incidentie EGFR-activerende mutatie bij NSCLC

De incidentie van niet-kleincellig longcarcinoom met een EGFR-activerende mutatie is in Azië beduidend hoger dan de incidentie in Nederland, namelijk 40 tot 60% ten opzichte van 10%. Exon-19-deletie en Leu858Arg-mutaties zijn verantwoordelijk voor ongeveer 90% van alle EGFR-mutaties.4,11,12 Dat het gros van de EGFR-mutaties is terug te leiden naar twee verschillende typen suggereert dat de optimale behandeling bij deze patiëntengroepen zou kunnen verschillen. Deze hypothese is echter nog niet onderzocht. 

Erlotinib versus andere behandelingen bij EGFR-activerende mutaties

Erlotinib versus chemotherapie

Verschillende gerandomiseerde onderzoeken die EGFR-tyrosinekinaseremmers vergelijken met standaard chemotherapie bij de eerstelijnsbehandeling van gevorderd NSCLC met EGFR-activerende mutaties lieten significante verbeteringen zien in progressievrije overleving (9,6 tot 13,1 maanden vs. 4,6 tot 6,9 maanden), met minder bijwerkingen en grotere verbetering van de symptomen. Echter, in geen van deze onderzoeken werden significante verschillen op de totale overleving gevonden en veel onderzoeken waren uitgevoerd in Aziatische populaties.13,14 In 2012 werd een open label gerandomiseerde studie opgezet in Frankrijk, Italië en Spanje om de effectiviteit en veiligheid van erlotinib versus chemotherapie te onderzoeken bij West-Europese patiënten met NSCLC. Ook in dit onderzoek werd een verlenging van de mediane progressievrije overleving in de erlotinibgroep gevonden, namelijk 9,7 maanden versus 5,2 maanden in de standaard chemotherapiegroep (HR 0,37 [95%BI 0,25 tot 0,54]). Vijf patiënten (6%) die erlotinib gebruikten, hadden aan de behandeling gerelateerde ernstige bijwerkingen, vergeleken met 16 patiënten (20%) die chemotherapie kregen. Eén patiënt in de erlotinibgroep en twee in de standaard chemotherapiegroep stierven door oorzaken gerelateerd aan de behandeling.15

Erlotinib versus andere geneesmiddelen werkend op EGFR

Er zijn verschillende EGFR-tyrosinekinaseremmers voor NSCLC beschikbaar, zoals gefitinib en erlotinib (eerste generatie), afatinib en dacomitinib (tweede generatie) en osimertinib (derde generatie). In 2019 werd een systematische review en netwerk meta-analyse gepubliceerd, van alle onderzoeken met een gerandomiseerde opzet waarin twee of meer eerstelijnsbehandelingen voor patiënten met gevorderde NSCLC met EGFR-activerende mutaties werden vergeleken.16 Achttien gerandomiseerde studies met in totaal 4.628 patiënten werden opgenomen in de analyse. In termen van progressievrije overleving leverde osimertinib niet alleen het grootste voordeel op van alle monotherapieën met EGFR-tyrosinekinaseremmers (vs. erlotinib, HR 0,48 [95%BI 0,40 tot 0,57]), maar gaf ook relevante winst in vergelijking met een tyrosinekinaseremmer plus chemotherapie. Alleen gefitinib gecombineerd met pemetrexed en erlotinib gecombineerd met bevacizumab waren op het eindpunt progressievrije overleving gelijkwaardig aan osimertinib (resp. HR 0,95 [0,72 tot 1,24] en HR 0,84[0,60 tot 1,16]). De overige EGFR-tyrosinekinaseremmers hadden resultaten vergelijkbaar met erlotinib, voor zowel werking als bijwerkingen. Behandeling met osimertinib resulteert ook in de beste resultaten op totale overleving, in vergelijking met erlotinib (HR 1,59 [1,23 tot 2,06]).16 Er moet echter worden opgemerkt dat osimertinib nooit in een directe prospectieve trial met erlotinib in monotherapie is vergeleken. De FLAURA-studie, gesubsidieerd door AstraZeneca, vergeleek osimertinib met een controlegroep die bestond uit zowel gebruikers van gefitinib als erlotinib. Osimertinib boekt een beter resultaat op progressievrije overleving dan de andere twee tyrosinekinaseremmers, namelijk 18,9 versus 10,2 maanden (HR 0,46 [0,37 tot 0,57]).17 In de FLAURA-studie lijkt osimertinib de totale overleving iets te verbeteren, al is dit verschil niet significant. De totale overleving bij osimertinib is 38,6 maanden (34,5 tot 41,8) en bij erlotinib gecombineerd met gefitinib 31,8 maanden (26,6 tot 36,0). De hazard ratio is 0,80 (0,64 tot 1,00).18 Erlotinib in combinatie met bevacizumab en chemotherapie anders dan pemetrexed gaven de meeste bijwerkingen van graad 3 of hoger volgens de ‘Common Terminology Criteria for Adverse Events’ versie 5 ( https://ctep.cancer.gov/protocoldevelopment/electronic_applications/ctc.htm geraadpleegd 15122020).16

Erlotinib versus geneesmiddelen werkend op VEGFR

Erlotinib gecombineerd met ramucirumab, een humaan IgG1 monoklonaal antilichaam gericht tegen de vasculaire-endotheliale-groeifactor (VEGF)-receptor 2, geven patiënten met een stadium IV NSCLC met een EGFR-activerende mutatie een significant langere progressievrije overleving (19,4 maanden [95%BI 15,4 tot 21,6]) dan wanneer gecombineerd met erlotinib of placebo (12,4 maanden [11,0 tot 13,5]).19 Deze combinatie lijkt het dus beter te doen dan osimertinib, ware het niet dat de toevoeging van ramucirumab aan erlotinib leidt tot significant meer bijwerkingen.20 Helaas werd de combinatie ramucirumab met erlotinib niet meegenomen in de eerder genoemde netwerk meta-analyse.16

Kwaliteit van leven

Registratieonderzoeken

In vergelijking met de meeste andere anti-kankertherapieën heeft erlotinib monotherapie het voordeel dat het oraal kan worden toegediend, waardoor patiënten met gevorderde ziekte veelal thuis kunnen worden behandeld. In fase 2- en 3-registratieonderzoeken is de kwaliteit van leven van NSCLC-patiënten tijdens en na behandeling met erlotinib met behulp van vragenlijsten onderzocht als secundaire uitkomstmaat. Uitstel van ziektegerelateerde klachten ging samen met een verbetering van het lichamelijk functioneren (erlotinib 31% vs. placebo 19%) en de algemene kwaliteit van leven (31% vs. 26%). Bij registratie werd daarom geconcludeerd dat erlotinib ziektegerelateerde klachten uitstelt en er een verbetering optreedt van kwaliteit van leven.5,21

Onderzoeken na de initiële registratie

In de TORCH- en de OPTIMAL-studie is gekeken naar kwaliteit van leven als secundair eindpunt. Deze beide studies toonden een significante verbetering in kwaliteit van leven bij erlotinib in vergelijking met chemotherapie. De onderzoekers van de OPTIMAL-studie concludeerden dat erlotinib de kwaliteit van leven significant verbeterde, een verbetering bij 73,0% van de patiënten in de erlotinibgroep ten opzichte van 29,6% in de groep met gemcitabine/carboplatine.22 De TORCH-studie onderzocht, secundair, de verschillen in kwaliteit van leven tussen eerstelijnschemotherapie en eerstelijnserlotinib. Significante verschillen werden waargenomen ten gunste van chemotherapie voor pijn, slapen, dyspneu, diarree, maar ten gunste van erlotinib voor braken, obstipatie, pijnlijke mond en haaruitval. In de kleine subset van patiënten met EGFR-gemuteerde tumoren (n=31) was er op globale kwaliteit van leven, fysiek functioneren, hoest, dyspneu en pijn verbetering zichtbaar, terwijl verslechtering of geen verandering werd waargenomen bij wild-type patiënten.23 

Zoals eerder genoemd is in de FLAURA-studie osimertinib vergeleken met de combinatie van erlotinib met gefitinib. Er zijn in deze studie vragenlijsten afgenomen over kwaliteit van leven voor en na behandeling. Er werden geen verschillen gezien op het gebied van hoesten, dyspnoe, pijn op de borst, vermoeidheid en verlies van eetlust. Er werden wel significante verbeteringen gezien in het voordeel van osimertinib op het gebied van emotioneel functioneren en sociaal functioneren. Het cognitief functioneren bleef stabiel met osimertinib maar verslechterde met de combinatie van erlotinib met gefitinib.24

Richtlijn

De richtlijn ‘niet-kleincellig longcarcinoom’ van het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) dateert uit 2015. De aanbevelingen in deze richtlijn komen voor het grootste deel overeen met de hierboven genoemde literatuur.25 Inmiddels kan echter geconcludeerd worden dat monotherapie met osimertinib of ramucirumab in combinatie met erlotinib een beter effect heeft op de progressievrije overleving dan monotherapie erlotinib. De richtlijn is dus momenteel eigenlijk niet up-to-date.

Initiële behandeling

In de IKNL-richtlijn is opgenomen dat patiënten met een stadium IV NSCLC met een EGFR-activerende mutatie bij voorkeur worden behandeld met een EGFR-tyrosinekinaseremmer als initiële behandeling. Wanneer gegevens van de mutatieanalyse pas later bekend worden of niet bekend zijn, kan de behandeling in de tweede of latere lijn bestaan uit een EGFR-tyrosinekinaseremmer. Er is géén plaats voor een eerstelijnsbehandeling met een EGFR-tyrosinekinaseremmer bij patiënten die geen EGFR-activerende mutatie hebben of waarvan de mutatiestatus niet bekend is. Dit geldt ook voor patiënten die vanwege conditie of comorbiditeit niet in aanmerking komen voor systemische chemotherapie.25

Onderhoudsbehandeling

Onderhoudsbehandeling met erlotinib kan volgens de IKNL-richtlijn worden overwogen bij patiënten die geen progressie hebben op de eerstelijnschemotherapie. Belangrijke factoren bij de behandeloverwegingen zijn de histologie, de tumorrespons na eerstelijnsbehandeling, de toxiciteit en de voorkeur van de patiënt. Patiënten met een EGFR-activerende mutatie dienen behandeld te worden met EGFR-tyrosinekinaseremmers als onderhoudsbehandeling als zij dit al niet als eerstelijnsbehandeling hebben gekregen. EGFR-tyrosinekinaseremmers dienen niet gelijktijdig gecombineerd te worden met chemotherapie.25

Osimertinib

In de IKNL-richtlijn wordt behandeling met osimertinib genoemd voor patiënten als initiële behandeling van gemetastaseerd NSCLC met een exon-19-deletie of Leu858Arg-EGFR-mutatie. Ten tijde van de publicatie van de richtlijn in 2015 was de vergoeding van osimertinib echter nog niet geregeld en ook de langetermijnresultaten waren nog niet beschikbaar. Inmiddels kan echter geconcludeerd worden dat monotherapie met osimertinib of ramucirumab in combinatie met erlotinib een beter effect heeft op de progressievrije overleving dan monotherapie erlotinib, zoals ook door de commissie ter Beoordeling van Oncologische Middelen (BOM) geadviseerd wordt.26


Registratieonderzoek

In een fase 3-studie bij 569 patiënten met vergevorderde, niet-operabele of gemetastaseerde pancreaskanker, werd gemcitabine gecombineerd met erlotinib vergeleken met gemcitabine gecombineerd met placebo. Er werd een significante, maar zeer kleine, verlenging gezien van de totale overleving in de groep met erlotinib, namelijk 6,2 maanden versus 5,9 maanden bij de gemcitabine/placebogroep (HR 0,82 [95%BI 0,69 tot 0,99]). Patiënten die erlotinib kregen hadden vaker last van huiduitslag, diarree en infecties, maar deze waren over het algemeen graad 1 of 2 volgens de ‘Common Terminology Criteria for Adverse Events’ versie 2. De incidentie van andere bijwerkingen was vergelijkbaar in beide armen. Opvallend in deze studie is dat patiënten niet werden geïncludeerd op basis van EGFR-activerende mutatie, maar dat de EGFR-status pas tijdens de studie is bepaald. 53% van de patiënten bleek een pancreascarcinoom met EGFR-activerende mutatie te hebben, maar dit had geen significante correlatie met respons of progressievrije overleving.27

Richtlijn

In de richtlijn ‘chemotherapie en chemoradiotherapie bij pancreascarcinoom’ wordt de combinatietherapie van gemcitabine en erlotinib niet aanbevolen gezien de geringe winst ten opzichte van monotherapie met gemcitabine en de toename van de toxiciteit.28 Dit is in lijn met de gevonden literatuur.


Gevorderd colorectaal carcinoom

Voor het gevorderd colorectaal carcinoom lijkt de groep EGFR-tyrosinekinaseremmers effectief bij tumoren zonder KRAS-mutaties. KRAS-gemuteerde tumoren lijken resistent voor anti-EGFR-therapie.29 In 2019 is een meta-analyse uitgevoerd naar de effecten van gelijktijdige EGFR- en VEGFR-blokkade door respectievelijk erlotinib en bevacizumab bij de onderhoudsbehandeling van patiënten met gemetastaseerde colorectale carcinomen.30 Erlotinib laat wel een significant verschil zien in totale overleving, het verlengt de progressievrije en totale overleving echter maar met enkele maanden.

Er zijn drie onderzoeken in deze meta-analyse opgenomen die gezamenlijk 682 patiënten includeerden die een onderhoudsbehandeling kregen met bevacizumab of een combinatie van erlotinib met bevacizumab. De combinatie van bevacizumab en erlotinib verhoogde de totale overleving significant ten opzichte van het gebruik van alleen bevacizumab (HR 0,78 [95%BI 0,66 tot 0,93]). Wanneer echter wordt gekeken naar de winst in maanden is deze marginaal. De grootste studie van de drie (n=444, 65% van het totale aantal patiënten in de meta-analyse) was de enige studie die een winst op totale overleving zag in de groep met een combinatie met erlotinib en deze was slechts 2,8 maanden.31 De combinatie met erlotinib leek een vooruitgang op progressievrije overleving te geven (HR 0,81 [0,70 tot 0,93]), maar ook dit was maximaal 2 maanden. Bovendien kwam de KRAS-status in de drie onderzoeken niet overeen, respectievelijk niet-gerapporteerd/54% zonder KRAS-mutatie/100% zonder KRAS-mutatie, waardoor de uitslagen niet met elkaar te vergelijken zijn.30,31,32,33 De richtlijn Colorectaal carcinoom (CRC) van de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde noemt erlotinib dus terecht niet in haar behandelopties.34

Hersen- en leptomeningeale metastasen

Veel tumoren, waaronder ook NSCLC-tumoren, hebben het risico op hersen- en leptomeningeale metastasen. Leptomeningeale metastasen zijn uitzaaiingen van tumorcellen naar de zachte hersen- en ruggenmergvliezen of de subarachnoïdale liquorruimte. Eerste generatie EGFR-tyrosinekinaseremmers, waaronder erlotinib, hebben een matige doorgang door de bloed-hersenenbarrière, de tweede en derde generatie tyrosinekinaseremmers lijken effectiever te zijn in het doordringen van de bloed-hersenenbarrière. Afatinib en osimertinib zijn actief bij patiënten met laesies in het centrale zenuwstelsel. Bovendien lijken beide middelen het risico op hersen- en leptomeningeale metastasen te verminderen.17,35 Deze middelen moeten daarom worden beschouwd als eerstelijnsbehandelingen bij patiënten met NSCLC met een EGFR-activerende mutatie en hersenmetastasen en/of leptomeningeale ziekte, voor erlotinib is geen plaats.36


Bijwerkingen

De bijwerkingen van EGFR-tyrosinekinaseremmers zijn in het algemeen mild tot matig ernstig en leiden zelden tot staken van de behandeling. De bijwerkingen zijn goed behandelbaar. 5% van de patiënten stopt de behandeling met erlotinib met als belangrijkste reden bijwerkingen.15,37
De meest voorkomende bijwerkingen van erlotinib zijn huiduitslag (75%), diarree (54%), verlies van eetlust en vermoeidheid (elk 52%). De huiduitslag betreft meestal een acneïforme eruptie, deze is dosisafhankelijk en komt in meer of mindere mate voor bij alle EGFR-remmers doordat EGFR-signaaltransductie een rol speelt bij de normale differentiatie van de huid en de talg- en zweetklieren.38,39 De huiduitslag kan echter goed behandeld worden met indifferente crèmes en bij een acneïforme eruptie kan een systemisch werkend antibioticum toegepast worden. Alopecia is ook een vaak voorkomende bijwerking. Zelden komt interstitiële longziekte (0,8%) en leverfalen voor.40,41 Er zijn gevallen van leverfalen met fataal verloop gemeld.5,42

Lareb

Bij het Lareb zijn tot op heden (dd. 16-02-2021) 47 meldingen over erlotinib binnengekomen, waarvan 13 meldingen als ernstig zijn geclassificeerd (www.lareb.nl). De bijwerkingen gemeld aan het Lareb zijn alle beschreven in de SmPC van erlotinib.1

Huiduitslag voorspellende factor

In 2013 is een meta-analyse uitgevoerd waarbij gekeken werd naar de voorspellende waarde van huiduitslag op de respons op EGFR-tyrosinekinaseremmers bij NSCLC-patiënten.43 Zij identificeerden 33 geschikte onderzoeken met daarin 6.798 patiënten. Progressievrije overleving en totale overleving in de groep mét huiduitslag vergeleken met de groep zonder huiduitslag waren significant beter (resp. HR 0,45 [95%BI 0,37 tot 0,53] en HR 0,40 [0,28 tot 0,52]).14 Hoewel dit natuurlijk niet prospectief gebruikt kan worden, heeft huiduitslag daarmee wel een voorspellende factor op zowel progressievrije als totale overleving.

Interacties

Erlotinib wordt door het enzym CYP3A4 en in mindere mate door CYP1A2 gemetaboliseerd. Interacties kunnen worden verwacht bij gecombineerd gebruik met krachtige CYP3A4-remmers of inductoren. De te ondernemen actie bij interacties met CYP3A4-remmers of -inductoren is individueel, gezien de complexiteit van het onderliggende ziektebeeld is overleg tussen de verschillende behandelaars gewenst. Bij gelijktijdig gebruik met CYP1A2-inductoren of remmers is geen actie nodig aangezien de klinische relevantie van deze interactie niet is vastgesteld.

De oplosbaarheid van erlotinib neemt af naarmate de pH in de maag stijgt. Interacties met protonpompremmers, H2-antagonisten en antacida zijn daarom ook relevant. Bij voorkeur worden maagzuurremmers gestaakt. Als dat niet mogelijk is, moet getracht worden erlotinib in te nemen ten minste twee uur voor of vier uur na inname van de maagzuurremmer. Gelijktijdige inname met cola kan de blootstelling aan erlotinib verhogen doordat dit de omgeving in de maag tijdelijk zuurder maakt. Er is alleen onderzoek gedaan met Coca Cola classic, maar het suggereert dat dit ook geldt voor andere zure dranken.44

Er zijn cases waar de stollingstijd van het bloed steeg na het starten van erlotinib bij patiënten ingesteld op INR . Het mechanisme achter de invloed van erlotinib op de stollingstijd is niet bekend. Het is verstandig bij patiënten die vitamine K-antagonisten gebruiken, de stollingstijd nauwkeurig te monitoren en de trombosedienst op de hoogte te stellen bij het starten en stoppen van erlotinib.

Rokers

Het roken van sigaretten en sigaren veroorzaakt diverse pathogene mechanismen zoals inductie van DNA-schade, ontsteking en oxidatieve stress.45 Daarnaast heeft roken invloed op de farmacokinetiek van geneesmiddelen door inductie van onder andere CYP2E1. In het geval van erlotinib resulteert dit in versnelde klaring en verlaagde plasmaconcentraties van erlotinib bij actieve rokers.46 Een meta-analyse heeft aangetoond dat niet-rokende NSCLC-patiënten significant meer tumoren met een EGFR-activerende mutatie vertoonden (odds ratio 4,8 [95%BI 3,6 tot 6,4]).47 Dit suggereert dat niet-rokers meer baat hebben bij het gebruik van EGFR-tyrosinekinaseremmers zoals erlotinib. Bovendien toonde een farmacokinetische analyse van 4.068 monsters van 1.047 patiënten met NSCLC aan dat rokers erlotinib 24% sneller klaarden dan niet-rokers. Daarmee hebben rokers dus een lagere blootstelling aan erlotinib.48 Het fase 3-CurrentS-onderzoek vergeleek een dosis van 300 mg erlotinib met de standaarddosis van 150 mg bij actieve rokers. In CurrentS werden echter geen statistisch significante verschillen in progressievrije overleving (het primaire eindpunt) waargenomen tussen de twee doses van erlotinib. Ook op de secundaire eindpunten, waaronder totale overleving en kwaliteit van leven, werd geen significant verschil gevonden. Er lijkt bij actieve rokers dus geen klinisch voordeel van een hogere dosis erlotinib te bestaan.49

In een grote studie van 4.200 patiënten werd aangetoond dat nooit-rokers een betere totale overleving hebben dan actuele rokers (stadium I en II NSCLC HR 0,47 [0,26 tot 0,85] en stadium III HR 0,51 [0,38 tot 0,68]). Bij patiënten met stadium IV-ziekte waren de gevolgen van het roken daarnaast afhankelijk van de leeftijd waarop de diagnose NSCLC werd gesteld. Voor stadium IV geldt dat er vanaf 45 jaar geen verschil meer bestaat op totale overleving tussen rokers en rokers die minder dan 12 maanden voor de start van de behandeling zijn gestopt met roken. Boven de 85 jaar had de rookstatus überhaupt geen significante invloed meer op de totale overleving.50

Contra-indicaties

Er zijn geen specifieke contra-indicaties voor erlotinib bekend.1


Bij de behandeling met erlotinib treedt vrijwel altijd resistentie op, die vaak wordt gekenmerkt door specifieke aanvullende mutaties in de tumor naast de EGFR-activerende mutatie. Soms gebeurt dit al na enkele maanden. Door deze mutaties te bepalen kan voor een deel van de patiënten een voor hen geschikte alternatieve therapie worden ingesteld, gebaseerd op het specifieke resistentiemechanisme. Bij patiënten met NSCLC die resistentie ontwikkelen tegen EGFR-tyrosinekinaseremmers zoals erlotinib, heeft meer dan 50% van de patiënten een EGFR-T790M-mutatie.51,52 Voor deze patiëntengroep is behandeling met osimertinib nog mogelijk. Osimertinib is een EGFR-tyrosinekinaseremmer die geregistreerd is voor de behandeling van lokaal gevorderd of gemetastaseerd NSCLC met een EGFR-T790M-mutatie. Helaas blijven de intrinsieke mechanismen van EGFR-tyrosinekinase-resistentie onduidelijk bij 30% van de NSCLC-patiënten. De identificatie van EGFR-activerende mutaties is de eerste belangrijke stap op weg naar moleculair geleide precisietherapie bij NSCLC.53,54

  1. Wetenschappelijke discussie en IB-tekst erlotinib (Tarceva®). Via: https://www.ema.europa.eu/en/documents/product-information/tarceva-epar-product-information_nl.pdf. Geraadpleegd op 15-11-2020.
  2. Croockewit AJ. Erlotinib (Tarceva®), tweedelijnsbehandeling van niet-kleincellig longcarcinoom. Gebu. 2008;42(3):27-28.
  3. Grimsky A, Shah KS, McKibbin T. Chapter 17: Monoclonal antibodies in cancer. P. 349-352. In: Crommelin DJA, Sindelar RD, Meibohm B. Pharmaceutical Biotechnology. Fundamentals and Applications. 4th ed. New York: Springer Science & Business Media, 2013.
  4. Zhang YL, Yuan JQ, Wang KF, Fu XH, Han XR, Threapleton D, et al. The prevalence of EGFR mutation in patients with non-small cell lung cancer: a systematic review and meta-analysis. Oncotarget. 2016 Nov 29;7(48):78985-78993. doi: 10.18632/oncotarget.12587.
  5. Shepherd FA, Rodrigues Pereira J, Ciuleanu T, Tan EH, Hirsh V, Thongprasert S, et al. National Cancer Institute of Canada Clinical Trials Group. Erlotinib in previously treated non-small-cell lung cancer. N Engl J Med. 2005 Jul 14;353(2):123-32. doi: 10.1056/NEJMoa050753.
  6. Zhong WZ, Chen KN, Chen C, Gu CD, Wang J, Yang XN, et al. Erlotinib Versus Gemcitabine Plus Cisplatin as Neoadjuvant Treatment of Stage IIIA-N2 EGFR-Mutant Non-Small-Cell Lung Cancer (EMERGING-CTONG 1103): A Randomized Phase II Study. J Clin Oncol. 2019 Sep 1;37(25):2235-2245. doi: 10.1200/JCO.19.00075.
  7. Schaake EE, Kappers I, Codrington HE, Valdés Olmos RA, Teertstra HJ, van Pel R, et al. Tumor response and toxicity of neoadjuvant erlotinib in patients with early-stage non-small-cell lung cancer. J Clin Oncol. 2012 Aug 1;30(22):2731-8. doi: 10.1200/JCO.2011.39.4882.
  8. Dahabreh IJ, Linardou H, Kosmidis P, Bafaloukos D, Murray S. EGFR gene copy number as a predictive biomarker for patients receiving tyrosine kinase inhibitor treatment: a systematic review and meta-analysis in non-small-cell lung cancer. Ann Oncol. 2011 Mar;22(3):545-552. doi: 10.1093/annonc/mdq432. Erratum in: Ann Oncol. 2011 Jul;22(7):1693. Erratum in: Ann Oncol. 2011 Sep;22(9):2155.
  9. Greenhalgh J, Dwan K, Boland A, Bates V, Vecchio F, Dundar Y, et al. First-line treatment of advanced epidermal growth factor receptor (EGFR) mutation positive non-squamous non-small cell lung cancer. Cochrane Database Syst Rev. 2016 May 25;(5):CD010383. doi: 10.1002/14651858.CD010383.pub2.
  10. Garassino MC, Martelli O, Broggini M, Farina G, Veronese S, Rulli E, et al. TAILOR trialists. Erlotinib versus docetaxel as second-line treatment of patients with advanced non-small-cell lung cancer and wild-type EGFR tumours (TAILOR): a randomised controlled trial. Lancet Oncol. 2013 Sep;14(10):981-8. doi: 10.1016/S1470-2045(13)70310-3.
  11. Pan Q, Pao W, Ladanyi M. Rapid polymerase chain reaction-based detection of epidermal growth factor receptor gene mutations in lung adenocarcinomas. J Mol Diagn. 2005 Aug;7(3):396-403. doi: 10.1016/S1525-1578(10)60569-7.
  12. Murray S, Dahabreh IJ, Linardou H, Manoloukos M, Bafaloukos D, Kosmidis P. Somatic mutations of the tyrosine kinase domain of epidermal growth factor receptor and tyrosine kinase inhibitor response to TKIs in non-small cell lung cancer: an analytical database. J Thorac Oncol. 2008 Aug;3(8):832-9. doi: 10.1097/JTO.0b013e31818071f3.
  13. Zhou C, Wu YL, Chen G, Feng J, Liu XQ, Wang C, Zhang S, Wang J, Zhou S, Ren S, Lu S, Zhang L, Hu C, Hu C, Luo Y, Chen L, Ye M, Huang J, Zhi X, Zhang Y, Xiu Q, Ma J, Zhang L, You C, et al. Erlotinib versus chemotherapy as first-line treatment for patients with advanced EGFR mutation-positive non-small-cell lung cancer (OPTIMAL, CTONG-0802): a multicentre, open-label, randomised, phase 3 study. Lancet Oncol. 2011 Aug;12(8):735-42. doi: 10.1016/S1470-2045(11)70184-X.
  14. Hochmair M. Medical Treatment Options for Patients with Epidermal Growth Factor Receptor Mutation-Positive Non-Small Cell Lung Cancer Suffering from Brain Metastases and/or Leptomeningeal Disease. Target Oncol. 2018 Jun;13(3):269-285. doi: 10.1007/s11523-018-0566-1. Erratum in: Target Oncol. 2018 Oct;13(5):667.
  15. Rosell R, Carcereny E, Gervais R, Vergnenegre A, Massuti B, Felip E, et al. Erlotinib versus standard chemotherapy as first-line treatment for European patients with advanced EGFR mutation-positive non-small-cell lung cancer (EURTAC): a multicentre, open-label, randomised phase 3 trial. Lancet Oncol. 2012 Mar;13(3):239-46. doi: 10.1016/S1470-2045(11)70393-X.
  16. Zhao Y, Liu J, Cai X, Pan Z, Liu J, Yin W, et al. Efficacy and safety of first line treatments for patients with advanced epidermal growth factor receptor mutated, non-small cell lung cancer: systematic review and network meta-analysis. BMJ. 2019 Oct 7;367:l5460. doi: 10.1136/bmj.l5460.
  17. Soria JC, Ohe Y, Vansteenkiste J, Reungwetwattana T, Chewaskulyong B, Lee KH, et al. FLAURA Investigators. Osimertinib in Untreated EGFR-Mutated Advanced Non-Small-Cell Lung Cancer. N Engl J Med. 2018 Jan 11;378(2):113-125. doi: 10.1056/NEJMoa1713137.
  18. Ramalingam SS, Vansteenkiste J, Planchard D, Cho BC, Gray JE, Ohe Y, et al. FLAURA Investigators. Overall Survival with Osimertinib in Untreated, EGFR-Mutated Advanced NSCLC. N Engl J Med. 2020 Jan 2;382(1):41-50. doi: 10.1056/NEJMoa1913662.
  19. Nakagawa K, Garon EB, Seto T, Nishio M, Ponce Aix S, Paz-Ares L, et al. RELAY Study Investigators. Ramucirumab plus erlotinib in patients with untreated, EGFR-mutated, advanced non-small-cell lung cancer (RELAY): a randomised, double-blind, placebo-controlled, phase 3 trial. Lancet Oncol. 2019 Dec;20(12):1655-1669. doi: 10.1016/S1470-2045(19)30634-5.
  20. Chen F, Chen N, Yu Y, Cui J. Efficacy and Safety of Epidermal Growth Factor Receptor (EGFR) Inhibitors Plus Antiangiogenic Agents as First-Line Treatments for Patients With Advanced EGFR-Mutated Non-small Cell Lung Cancer: A Meta-Analysis. Front Oncol. 2020 Jun 25;10:904. doi: 10.3389/fonc.2020.00904.
  21. Bezjak A, Tu D, Seymour L, Clark G, Trajkovic A, Zukin M, et al. Symptom improvement in lung cancer patients treated with erlotinib: quality of life analysis of the National Cancer Institute of Canada Clinical Trials Group Study BR.21. J Clin Oncol. 2006 Aug 20;24(24):3831-7. doi: 10.1200/JCO.2006.05.8073. Erratum in: J Clin Oncol. 2007 Jan 1;25(1):167.
  22. Chen G, Feng J, Zhou C, Wu YL, Liu XQ, Wang C, et al. Quality of life (QoL) analyses from OPTIMAL (CTONG-0802), a phase III, randomised, open-label study of first-line erlotinib versus chemotherapy in patients with advanced EGFR mutation-positive non-small-cell lung cancer (NSCLC). Ann Oncol. 2013 Jun;24(6):1615-22. doi: 10.1093/annonc/mdt012.
  23. Di Maio M, Leighl NB, Gallo C, Feld R, Ciardiello F, Butts C, et al. Quality of life analysis of TORCH, a randomized trial testing first-line erlotinib followed by second-line cisplatin/gemcitabine chemotherapy in advanced non-small-cell lung cancer. J Thorac Oncol. 2012 Dec;7(12):1830-1844. doi: 10.1097/JTO.0b013e318275b327.
  24. Leight NB, Karaseva N, Nakagawa K, et al. Patient-reported outcomes from FLAURA: Osimertinib versus erlotinib or gefitinib in patients with EGFRmutated advanced non-small-cell lung cancer. European Journal of Cancer 2020; 125: 49e57 https://doi.org/10.1016/j.ejca.2019.11.006
  25. Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose (NALT). Richtlijn Niet-kleincellig longcarcinoom. Januari 2020. Via: https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/niet_kleincellig_longcarcinoom/startpagina_-_niet-kleincelling_longcarcinoom.html. Geraadpleegd op 15-11-2020
  26. NVMO-commissie ter Beoordeling van Oncologische Middelen (BOM). Ramucirumab en erlotinib bij niet-kleincellig longcarcinoom met een EGFR-mutatie. Med Oncol 2020;23(2):29-32.
  27. Moore MJ, Goldstein D, Hamm J, et al. Erlotinib plus gemcitabine compared with gemcitabine alone in patients with advanced pancreatic cancer: a phase III trial of the National Cancer Institute of Canada Clinical Trials Group. J Clin Oncol. 2007;25(15):1960-1966. doi:10.1200/JCO.2006.07.9525.
  28. Nederlandse Vereniging voor Heelkunde. Richtlijn Pancreascarcinoom. Juni 2019. Via: https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/pancreascarcinoom/startpagina.html. Geraadpleegd op 15-11-2020
  29. Salazar R, Capellà G, Tabernero J. Paracrine network: another step in the complexity of resistance to EGFR blockade? Clin Cancer Res. 2014 Dec 15;20(24):6227-9. doi: 10.1158/1078-0432.CCR-14-1615.
  30. Kaveh S, Ebrahimi P, Rezapour A, Mozafari M, Sayehmiri K. Bevacizumab and erlotinib versus bevacizumab for colorectal cancer treatment: systematic review and meta-analysis. Int J Clin Pharm. 2019 Feb;41(1):30-41. doi: 10.1007/s11096-018-0754-1.
  31. Tournigand C, Chibaudel B, Samson B, Scheithauer W, Vernerey D, Mésange P, et al. Bevacizumab with or without erlotinib as maintenance therapy in patients with metastatic colorectal cancer (GERCOR DREAM; OPTIMOX3): a randomised, open-label, phase 3 trial. Lancet Oncol. 2015 Nov;16(15):1493-1505. doi: 10.1016/S1470-2045(15)00216-8. Erratum in: Lancet Oncol. 2015 Dec;16(16):e589.
  32. Johnsson A, Hagman H, Frödin JE, Berglund A, Keldsen N, Fernebro E, et al. A randomized phase III trial on maintenance treatment with bevacizumab alone or in combination with erlotinib after chemotherapy and bevacizumab in metastatic colorectal cancer: the Nordic ACT Trial. Ann Oncol. 2013 Sep;24(9):2335-41. doi: 10.1093/annonc/mdt236.
  33. Hagman H, Frödin JE, Berglund Å, Sundberg J, Vestermark LW, Albertsson M, et al. A randomized study of KRAS-guided maintenance therapy with bevacizumab, erlotinib or metronomic capecitabine after first-line induction treatment of metastatic colorectal cancer: the Nordic ACT2 trial. Ann Oncol. 2016 Jan;27(1):140-7. doi: 10.1093/annonc/mdv490.
  34. Nederlandse Vereniging voor Heelkunde. Richtlijn Colorectaal carcinoom. Oktober 2019. Via: https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/colorectaal_carcinoom_crc/startpagina_-_crc.html. Geraadpleegd op 15-11-2020
  35. Ballard P, Yates JW, Yang Z, Kim DW, Yang JC, Cantarini M, et al. Preclinical Comparison of Osimertinib with Other EGFR-TKIs in EGFR-Mutant NSCLC Brain Metastases Models, and Early Evidence of Clinical Brain Metastases Activity. Clin Cancer Res. 2016 Oct 15;22(20):5130-5140. doi: 10.1158/1078-0432.CCR-16-0399.
  36. von Pawel J, Wagner H, Duell T, Poellinger B. Erlotinib in patients with previously irradiated, recurrent brain metastases from non-small cell lung cancer: two case reports. Onkologie. 2008;31(3):123-126. doi:10.1159/000113928
  37. Luu M, Lai SE, Patel J, Guitart J, Lacouture ME. Photosensitive rash due to the epidermal growth factor receptor inhibitor erlotinib. Photodermatol Photoimmunol Photomed. 2007 Feb;23(1):42-5. doi: 10.1111/j.1600-0781.2007.00273.x.
  38. Tjin-A-ton ML, van Montfrans C, Koldenhof JJ, Sigurdsson V, Voest EE, Witteveen PO. Huidafwijkingen als bijwerking van remmers van epidermale-groeifactorreceptor [Skin eruptions as an adverse reaction to epidermal growth-factor receptor inhibitors]. Ned Tijdschr Geneeskd. 2007 Apr 28;151(17):945-52. 
  39. Kozuki T. Skin problems and EGFR-tyrosine kinase inhibitor. Jpn J Clin Oncol. 2016 Apr;46(4):291-8. doi: 10.1093/jjco/hyv207.
  40. ter Heine R, van den Bosch RT, Schaefer-Prokop CM, Lankheet NA, Beijnen JH, Staaks GH, et al. Fatal interstitial lung disease associated with high erlotinib and metabolite levels. A case report and a review of the literature. Lung Cancer. 2012 Mar;75(3):391-7. doi: 10.1016/j.lungcan.2011.10.008.
  41. Hotta K, Kiura K, Takigawa N, Yoshioka H, Harita S, Kuyama S, et al. Comparison of the incidence and pattern of interstitial lung disease during erlotinib and gefitinib treatment in Japanese Patients with non-small cell lung cancer: the Okayama Lung Cancer Study Group experience. J Thorac Oncol. 2010 Feb;5(2):179-84. doi: 10.1097/JTO.0b013e3181ca12e0.
  42. Wnorowski AM, de Souza A, Chachoua A, Cohen DE. The management of EGFR inhibitor adverse events: a case series and treatment paradigm. Int J Dermatol. 2012 Feb;51(2):223-32. doi: 10.1111/j.1365-4632.2011.05082.x.
  43. Liu HB, Wu Y, Lv TF, Yao YW, Xiao YY, Yuan DM, et al. Skin rash could predict the response to EGFR tyrosine kinase inhibitor and the prognosis for patients with non-small cell lung cancer: a systematic review and meta-analysis. PLoS One. 2013;8(1):e55128. doi: 10.1371/journal.pone.0055128.
  44. van Leeuwen RW, Peric R, Hussaarts KG, Kienhuis E, IJzerman NS, de Bruijn P, et al. Influence of the Acidic Beverage Cola on the Absorption of Erlotinib in Patients With Non-Small-Cell Lung Cancer. J Clin Oncol. 2016 Apr 20;34(12):1309-14. doi: 10.1200/JCO.2015.65.2560. Erratum in: J Clin Oncol. 2016 Aug 10;34(23):2806.
  45. Kroon LA. Drug interactions with smoking. Am J Health Syst Pharm. 2007 Sep 15;64(18):1917-21. doi: 10.2146/ajhp060414.
  46. Hamilton M, Wolf JL, Rusk J, Beard SE, Clark GM, Witt K, et al. Effects of smoking on the pharmacokinetics of erlotinib. Clin Cancer Res. 2006 Apr 1;12(7 Pt 1):2166-71. doi: 10.1158/1078-0432.CCR-05-2235.
  47. Ren JH, He WS, Yan GL, Jin M, Yang KY, Wu G. EGFR mutations in non-small-cell lung cancer among smokers and non-smokers: a meta-analysis. Environ Mol Mutagen. 2012 Jan;53(1):78-82. doi: 10.1002/em.20680.
  48. Lu JF, Eppler SM, Wolf J, Hamilton M, Rakhit A, Bruno R, et al. Clinical pharmacokinetics of erlotinib in patients with solid tumors and exposure-safety relationship in patients with non-small cell lung cancer. Clin Pharmacol Ther. 2006 Aug;80(2):136-45. doi: 10.1016/j.clpt.2006.04.007.
  49. Smit EF, Wu YL, Gervais R, Zhou C, Felip E, Feng J, et al. A randomized, double-blind, phase III study comparing two doses of erlotinib for second-line treatment of current smokers with advanced non-small-cell lung cancer (CurrentS). Lung Cancer. 2016 Sep;99:94-101. doi: 10.1016/j.lungcan.2016.06.019.
  50. Ferketich AK, Niland JC, Mamet R, Zornosa C, D'Amico TA, Ettinger DS, et al. Smoking status and survival in the national comprehensive cancer network non-small cell lung cancer cohort. Cancer. 2013 Feb 15;119(4):847-53. doi: 10.1002/cncr.27824.
  51. Jotte RM, Spigel DR. Advances in molecular-based personalized non-small-cell lung cancer therapy: targeting epidermal growth factor receptor and mechanisms of resistance. Cancer Med. 2015 Nov;4(11):1621-32. doi: 10.1002/cam4.506.
  52. Cortot AB, Jänne PA. Molecular mechanisms of resistance in epidermal growth factor receptor-mutant lung adenocarcinomas. Eur Respir Rev. 2014 Sep;23(133):356-66. doi: 10.1183/09059180.00004614.
  53. Morgillo F, Bareschino MA, Bianco R, Tortora G, Ciardiello F. Primary and acquired resistance to anti-EGFR targeted drugs in cancer therapy. Differentiation. 2007 Nov;75(9):788-99. doi: 10.1111/j.1432-0436.2007.00200.x.
  54. Dong JK, Lei HM, Liang Q, Tang YB, Zhou Y, Wang Y, et al. Overcoming erlotinib resistance in EGFR mutation-positive lung adenocarcinomas through repression of phosphoglycerate dehydrogenase. Theranostics. 2018 Feb 12;8(7):1808-1823. doi: 10.7150/thno.23177. Erratum in: Theranostics. 2021 Feb 9;11(8):3963.

Auteurs

  • Juul M. Cox, ziekenhuisapotheker
  • dr Lisanne L. Krens, ziekenhuisapotheker, klinisch farmacoloog i.o.