Eerste humaan papillomavirusvaccin, geregistreerd

Onlangs is in Europa Gardasil® geregistreerd voor 'de preventie van hooggradige cervicale dysplasie (cervicale intra-epitheliale neoplasie graad 2/3 CIN 2/3), cervixkanker, hooggradige vulvaire dysplastische laesies (vulvaire intra-epitheliale neoplasie graad 2/3, VIN 2/3) en externe cervicale wratten (condylomata acuminata) als gevolg van humaan papillomavirus (HPV) typen 6, 11, 16 en 18.' De primaire vaccinatiereeks bestaat uit drie afzonderlijke doses in een vaccinatie schema: 0, 2 en 6 maanden. Het vaccin biedt bescherming tegen ongeveer 70% van de dysplasieën. Vaccinatie is alleen effectief bij vrouwen die nog niet zijn besmet met één van de vier HPV-virussen.
De indicatie is gebaseerd op het aantonen van de beschermende werkzaamheid van Gardasil® bij volwassen vrouwen van 16-26 jaar die nog niet eerder in aanraking waren gekomen met een van de serotypen in het vaccin en op het aantonen van immunogeniciteit van Gardasil® bij 9- tot 15-jarige kinderen en adolescenten. In vier dubbelblinde placebogecontroleerde onderzoeken waaraan in totaal meer dan 20.000 vrouwen deelnamen, bleek in de per-protocol populatie (vrouwen die alle drie vaccinaties binnen een jaar na de aanvang van het onderzoek hadden ontvangen) de beschermende werkzaamheid tegen CIN 2/3 laesies 100% (95%BI=92,9-100). De beschermende werkzaamheid tegen genitale wratten was in dezelfde periode 98,9% (93,7-100). De mediane vervolgduur van de individuele onderzoeken varieerde van twee tot vier jaar. Beschermende werkzaamheid is tot nu toe niet onderzocht bij mannen. Maar in een immunogeniciteitsonderzoek werd de respons bij 10- tot 15-jarige jongens en meisjes vergeleken met 16- tot 23-jarige adolescente en jonge vrouwen. In de vaccingroep werd 99,1 tot 100% seropositief voor alle vaccinserotypen een maand na de derde dosis. In totaal werd de immunogeniciteit beoordeeld bij bijna 9.000 vrouwen van 18 tot 26 jaar (ongeveer de helft gevaccineerd met Gardasil®), ongeveer 2.100 vrouwelijke (2/3 Gardasil®, 1/3 placebo) en ongeveer 1.300 mannelijke (3/4 Gardasil®, ¼ placebo) en adolescenten van 9 tot 17 jaar. Opvallend was dat de immunogeniciteit gerelateerd leek aan de leeftijd: de anti-HPV-niveaus in de zevende maand na vaccinatie waren significant hoger bij personen jonger dan 12 jaar dan bij personen ouder dan 12 jaar.
Over de duur van de bescherming zijn beperkte gegevens beschikbaar. Maximale anti-HPV-antistoffen werden waargenomen zeven maanden na de eerste vaccinatie (één maand na de derde vaccinatie), waarna de titers daalden en zich vervolgens stabiliseerden. Tot nu toe is deze stabilisatie waargenomen tot 60 maanden na de eerste vaccinatie. Over deze periode zijn er ook aanwijzingen voor immunologisch geheugen. In een kleine groep gevaccineerden die vijf jaar na de eerste vaccindosis een provocatiedosis van Gardasil® kregen, werd een snelle en sterke respons van de anti-HPV-antistofrespons waargenomen die de respons op die van maand zeven overschreed. Dit is belangrijke informatie in verband met mogelijke beslissingen over revaccinatie. 
In het algemeen lijkt Gardasil® een veilig vaccin te zijn. De veiligheid werd uitgebreid onderzocht en de onderzoekspopulatie was groot genoeg om bijwerkingen met een incidentie van 0,1% of meer aan te tonen. In de gecontroleerde onderzoeken werden weinig verschillen met placebo gezien. Het meest opvallend waren koorts en reacties op de injectieplaats. Wel een mogelijk punt van aandacht zijn de zes gevallen van artritis bij de ongeveer 12.000 gevaccineerden. Op dit moment is nog niet duidelijk of het om een toevalsbevinding gaat of een associatie. De registratieautoriteiten zullen dit blijven volgen.

Auteurs

  • mw dr A.C.G. Voordouw (CBG)