Een α1-blokker en/of finasteride bij benigne prostaathyperplasie?

De klinische relevantie van de toepassing van α1-blokkers of finasteride (Proscar®) bij benigne prostaathyperplasie is marginaal tot afwezig (Gebu 1995; 29: 57-62) . Omdat ze via verschillende mechanismen hun werking uitoefenen, zou een combinatie van beide middelen meer effect kunnen hebben. Recent verscheen het eerste dubbelblinde, placebogecontroleerde en gerandomiseerde onderzoek dat de α1-blokker terazosine 10 mg/dag (Hytrin®) vergeleek met finasteride 5 mg/dag en met de combinatie van beide.1 Het betrof 1.229 patiënten met benigne prostaathyperplasie en een maximale urinestroomsnelheid van 4-15 ml/sec. Zij hadden een klachtenscore op de American Urologic Association Symptom Index van minstens 8 op een schaal van 0-35. Hun gemiddelde prostaatvolume bedroeg 37 ml, zonder dat het onderzoek een ondergrens stelde aan dit volume.
Na één jaar behandeling was de symptoomscore ten opzichte van placebo met finasteride 0,6 punten afgenomen, met terazosine 3,5 en met de combinatie finasteride/terazosine 3,6. Alleen deze laatste twee verschillen waren significant, terwijl ze onderling niet significant verschilden. De maximale urinestroomsnelheid was ten opzichte van placebo met finasteride 0,2 ml/sec. toegenomen, met terazosine 1,3 ml/sec. en met de combinatie 1,8 ml/sec. Ook hier gold dat alleen de laatste twee verschillen significant waren, maar het onderlinge niet. De gemiddelde urinestroomsnelheid is in dit onderzoek niet gemeten. Het prostaatvolume nam met finasteride en de combinatie significant af, maar niet met terazosine. Duizeligheid kwam significant vaker voor met terazosine (26%) en met de combinatie (21%) en hetzelfde gold voor orthostatische hypotensie (8% resp. 9%). Impotentie trad significant vaker op met finasteride (9%) en met de combinatie (9%) en dat was ook het geval voor een afname van de libido (5% resp. 5%). Ejaculatiestoornissen traden alleen significant vaker op met de combinatie (7%).
Deze resultaten zijn wat terazosine betreft in overeenstemming met de uitkomsten van twee eerder gepubliceerde placebogecontroleerde onderzoeken. Met finasteride werden in drie eerder gepubliceerde onderzoeken tenminste nog statistisch significante verbeteringen gezien in de symptoomscore en de maximale urinestroomsnelheid, al waren deze klinisch irrelevant. Die verschillen werden wellicht veroorzaakt doordat patiënten in die onderzoeken wel een minimaal prostaatvolume (30 ml) moesten hebben.

Men kan concluderen dat terazosine de symptomen van benigne prostaathyperplasie en de maximale urinestroomsnelheid weliswaar statistisch significant verbeterde, maar dat het de vraag blijft in hoeverre de geringe verbetering klinisch relevant is. Finasteride veroorzaakte een afname van het prostaatvolume, maar had geen enkele invloed op de symptomen en de urinestroomsnelheid. De combinatie van de twee middelen was niet effectiever dan terazosine alleen.
Bij ernstige klachten van benigne prostaathyperplasie is meestal een prostaatresectie aangewezen en bij lichte tot matige klachten een afwachtend beleid. Dit onderzoek laat zien dat finasteride geen en een α1-blokker een gering effect heeft, zodat de plaats van een medicamenteuze behandeling zeer beperkt blijft. Men dient bij een eventuele therapie met een α1-blokker onder meer rekening te houden met het optreden van orthostatische hypotensie en duizeligheid.



1. Lepor H, Williford WO, Barry MJ, Brawer MK, Dixon CM, Gormley G et al. The efficacy of terazosin, finasteride, or both in benign prostatic hyperplasia. N Engl J Med 1996; 335: 533-539. [commentaar in: N Engl J Med 1996; 335: 586-587].