De werking van β-blokkers bij COPD

Achtergrond. Behandeling met β-blokkers vermindert de sterfte bij patiënten met cardiovasculaire aandoeningen. Artsen hebben de neiging om β-blokkers te vermijden bij patiënten die tevens een obstructieve longziekte hebben. Men vreest acute bronchospasmen, achteruitgang van de longfunctie en een verminderde reactie op inhaleerbare β2-agonisten. Uit eerder onderzoek bleek dat het gebruik van β-blokkers ook bij patiënten met chronisch obstructieve longziekte (COPD) tot minder sterfte leidt, hetgeen voor de hand ligt omdat vooral de rokers onder hen meestal tevens cardiovasculaire aandoeningen hebben. Verrassend genoeg lijkt een langdurige behandeling met β-blokkers bij patiënten met COPD echter tevens vermindering van respiratoire incidenten te geven. In een recent observationeel onderzoek vond men een vermindering van 30% van sterfte en het exacerbatierisico bij patiënten met COPD die β-blokkers gebruikten, ook als zij geen cardiovasculaire aandoeningen hadden.1 In een Schots onderzoek werd getracht het effect van β-blokkers op de sterfte, het aantal ziekenhuisopnamen en het aantal COPD-exacerbaties na te gaan bij de verschillende COPD-inhalatiebehandelingen.2 3

Methode. Er werd een retrospectief cohortonderzoek uitgevoerd waarbij een bestand van patiënten met bewezen COPD werd gekoppeld aan een bestand met sterftecijfers, gegevens over ziekenhuisopnamen en geneesmiddelengebruik. Men berekende de risico’s met en zonder gebruik van β-blokkers gerelateerd aan de ernst en de behandeling van COPD, en corrigeerde voor talrijke mogelijk verstorende variabelen, zoals cardiovasculaire aandoeningen en medicatie daarvoor, diabetes mellitus, rookgedrag en longfunctie.

Resultaat. Bijna 6.000 patiënten ouder dan 50 jaar (gem. 69 jr.) met lichte tot ernstige COPD (afgemeten aan de bij opname in het COPD-register voorgeschreven medicatie en aan de Global Initiatieve for Chronic Obstructive Lung Disease (GOLD)-classificatie*), werden gemiddeld 4,35 jaar gevolgd. Van hen hadden er 819 langdurig β-blokkers gebruikt, van wie er 720 relatief cardioselectief (β1-selectief) waren. De jaarlijkse sterfte bedroeg 34%. Na correctie voor verschillen in mogelijk met de uitkomst samenhangende variabelen tussen gebruikers en niet-gebruikers, bleek het gebruik van β-blokkers te zijn geassocieerd met een verminderde sterfte van 22% (benaderd relatief risico RR 0,78 [95%BI=0,67-0,92]). Dit voordeel was aantoonbaar in alle subgroepen met verschillende inhalatiebehandelingen en ernst, en gold vooral voor de sterfte door myocardinfarct (n=288), maar ging ook op voor het overlijden ten gevolge van COPD (n=625). Het voordeel gold ook voor de toegevoegde waarde van β-blokkers ter vermindering van stootkuren met corticosteroïden en van ziekenhuisopnamen door pulmonale oorzaak. Het gebruik van β-blokkers in combinatie met alle verschillende vormen van inhalatietherapie had niet geleid tot meer achteruitgang van de longfunctie.

Conclusie onderzoekers. β-blokkers, vooral de cardioselectieve β1-blokkers, kunnen de mortaliteit en exacerbaties bij patiënten met COPD in alle stadia verminderen, met alle combinaties van inhalatietherapie zonder nadelig effect op de longfunctie. Dit effect komt bovenop de werking van β-blokkers ter vermindering van het cardiovasculaire risico.

 

Plaatsbepaling

Het positieve effect van β-blokkers, vooral de cardioselectieve β1-blokkers, op het verminderen van de mortaliteit en exacerbaties bij patiënten met COPD in alle stadia, zou men geheel kunnen toeschrijven aan een gunstig effect op cardiovasculaire aandoeningen, geïnterpreteerd als vermindering van COPD-symptomen. De verschillen tussen wel en niet met β-blokkers behandelde patiënten bleven echter aanwezig na correctie voor cardiovasculaire comorbiditeit. Dat zou er op kunnen wijzen dat β-blokkers een onafhankelijk gunstig effect hebben op belangrijke uitkomstmaten bij COPD, zoals exacerbaties en sterfte door respiratoire oorzaken. Aanwijzingen uit ander onderzoek duiden op een verminderde reactiviteit en ontsteking van de luchtwegen na langdurige β-receptorblokkade. Het is echter nog te vroeg om patiënten met COPD β-blokkers voor te schrijven die daar geen cardiale indicatie voor hebben. Dit onderzoek was retrospectief en er zou sprake kunnen zijn van vertekende uitkomsten, bijvoorbeeld door ’confounding by indication’. Prospectief onderzoek is nodig om de eventuele gunstige werking van β-blokkers op COPD-gerelateerde uitkomsten te bevestigen. Dat geldt ook voor patiënten met astma met chronisch persisterende of reversibele luchtwegobstructie.

 

* De indeling naar ernst vindt bij COPD plaats op basis van (het percentage van de voorspelde waarde van) de FEV1 en staat bekend als de Global Initiative for Chronic Obstructive Lung Disease (GOLD)-indeling: stadium I = licht (>80% van de voorspelde waarde), stadium II = matig-ernstig (50-80%), stadium III = ernstig (30-50%) en stadium IV = zeer ernstig (<30%). Het merendeel van de patiënten heeft een lichte tot matig-ernstige vorm van COPD (Gebu 2008; 42: 111-119).

<hr />

1. Rutten FH, et al. Beta-blockers may reduce mortality and risk of exacerbations in patients with chronic obstructive pulmonary disease. Arch Intern Med 2010; 170: 880-887.
2. Short PM, et al. Effect of β blockers in treatment of chronic obstructive pulmonary disease: a retrospective cohort study. BMJ 2011; 324: d2549.
3. Kazani S, et al. Treatment with β blockers in people with COPD. BMJ 2011; 342: d2655.

 

Auteurs

  • dr A.J.F.A. Kerst