De vetpot van de lipidenverlagende geneesmiddelen

Naast passende dieetmaatregelen kan de cholesterolconcentratie in het bloed worden verminderd met lipidenverlagende geneesmiddelen. Op grond van het werkingsmechanisme zijn vier groepen te onderscheiden: (1) de cholesterolsyntheseremmers, zoals simvastatine, pravastatine en fluvastatine, (2) de fibraten, waaronder gemfibrozil, (3) de galzuurbindende harsen, zoals colestyramine en colestipol, en (4) de nicotinezuuranaloga, met onder meer acipimox.1 De laatste tijd zijn er berichten verschenen over mogelijk gunstige effecten van deze geneesmiddelen op de mortaliteit ten gevolge van coronaire hartziekten. Dit heeft geleid tot een opleving in de discussie over de (preventieve) therapie met lipidenverlagende genees-middelen, de daaraan verbonden kosten en de daarvoor in aanmerking komende patiëntenpopulatie.
Het Geneesmiddelen Informatie Project (Gip) van de Ziekenfondsraad heeft het gebruik van lipidenverlagende geneesmiddelen door ziekenfondsverzekerden van 1989-1994 in beeld gebracht (fig. 1). 
Gedurende vijf jaar steeg het aantal afgeleverde standaard dagdoseringen (DDD's) jaarlijks met gemiddeld 29%. Het aantal voorschriften steeg jaarlijks met gemiddeld 27%. Deze toename in het gebruik ging gepaard met een kostenstijging van gemiddeld 25% per jaar (tabel).



De stijging in volume en kosten werd vooral veroorzaakt door een sterk toegenomen gebruik van cholesterolsyntheseremmers en de introductie van het fibraat gemfibrozil. Het gezamenlijke marktaandeel van deze middelen, uitgedrukt in DDD's, bedroeg in 1994 onder ziekenfondsverzekerden ongeveer 94%. In datzelfde jaar worden voor de gehele populatie (ziekenfonds- en particulier verzekerden) de kosten voor alle lipidenverlagende middelen samen geraamd op bijna 133 miljoen gulden. Het leeuwedeel van deze kosten komt voor rekening van de cholesterolsyntheseremmers met een aandeel van ruim 86%.
Nadere detaillering van het gebruik door ziekenfondsverzekerden in 1993 en 1994 naar leeftijd toont dat het grootst aantal DDD's wordt gebruikt in de leeftijdsgroep van 65-75 jaar (fig.2).


In alle leeftijdsklassen is het gebruik in 1994 ten opzichte van het voorgaande jaar sterk toegenomen. De grootste groei trad op in de groepen van 65-75 jaar en van 75 jaar en ouder. Dit lijkt enigszins merkwaardig aangezien onder meer de NHG-Standaard bij deze leeftijdsgroepen een terughoudend beleid adviseert. Onderzoek naar de oorzaak van de algemene toename van het aantal voorschriften lipidenverlagende middelen zou interessante aanwijzingen kunnen opleveren voor het verband tussen de indicatiestelling en het voorschrijfgedrag.