De behandeling van maligniteiten en bijkomende problemen bij kinderen


Terug naar boven

In Nederland zijn thans ruim 1.500 kinderen onder behandeling of controle wegens kanker. Per jaar wordt bij ongeveer 370 kinderen in de leeftijd tot en met 15 jaar een kwaadaardige aandoening vastgesteld. Per kinderarts is er per jaar derhalve dan ook maar één patiënt met kanker te verwachten. Een huisarts ziet in zijn hele loopbaan maar één of enkele kinderen met een maligniteit.

Het spectrum van maligniteiten bij kinderen verschilt sterk van dat bij volwassenen. Men onderscheidt solide tumoren (carcinomen en sarcomen) en hematologische maligniteiten (maligne lymfomen en leukemieën). Bij kinderen is de verdeling naar type maligniteit als volgt: leukemieën 29%, lymfomen 13%, tumoren van het centrale zenuwstelsel 22%, neuroblastomen 5%, nefroblastomen 6%, bottumoren 7%, rhabdomyosarcomen 5%, kiemcel- en trofoblasttumoren 4% en overige tumoren 9%.1

In een eerder artikel werd aandacht besteed aan de klinische toepassing van cytostatica bij volwassenen (Gebu 1997; 31; 111-117). In dit artikel worden eerst de behandelingsdoelen bij tumoren op de kinderleeftijd besproken en daarna de cytostatica en hun interacties. Vervolgens worden de huidige behandelingsmethoden besproken aan de hand van twee voorbeelden: acute lymfatische leukemie (een hematologische maligniteit) en het neuroblastoom (een solide tumor). Daarna wordt ingegaan op de korte- en langetermijneffecten van de behandeling, alsmede op een aantal specifieke problemen verbonden aan de behandeling, die ook in de thuissituatie kunnen ontstaan.

 


Terug naar boven

Behandelingsdoelen
Bij kinderen is het behandelingsdoel in eerste instantie vrijwel altijd curatie. Palliatieve behandelingen blijven vaak beperkt tot kinderen bij wie de maligniteit herhaalde malen is teruggekomen of therapeutisch resistent is gebleken.

De prognose voor kinderen met maligne aandoeningen is de laatste dertig jaar sterk verbeterd. Dit geldt voor zowel de solide tumoren als voor de hematologische aandoeningen. Bij solide tumoren met een uitgebreide metastasering, zoals die kan ontstaan bij het osteosarcoom, het rhabdomyosarcoom en het neuroblastoom, is de prognose echter nog steeds somber.

Behandelingsmethoden
Bij oncologische aandoeningen bestaan er in principe drie behandelingsmethoden: chirurgie, radiotherapie en chemotherapie. De rol van elk van deze drie is in de loop der tijd veranderd, zowel wat de volgorde als wat de benaderingswijze betreft.

In het verleden ging de chirurgie aan de andere twee behandelingsmethoden vooraf, maar nu is die volgorde soms omgekeerd. Zo wordt momenteel bij nefroblastomen eerst een gedeelte van de chemotherapie gegeven en volgt daarna pas de operatieve ingreep. De operatie kan hierdoor vaak technisch beter worden uitgevoerd, wat het risico van tumorverstrooiing in de peritoneale holte beperkt. Ook bij bottumoren wordt met chirurgie vaak gewacht tot na de chemotherapie. Door de tumorreductie door de cytostatica is het soms mogelijk een ledemaat te behouden, waar vroeger een amputatie onafwendbaar was.

Wat de radiotherapie betreft, bestaan er nieuwere benaderingen in de vorm van het tijdelijk aanbrengen van stralingsbronnen. Daarmee kan de tumor zeer lokaal worden bestraald, zodat de schade aan de omliggende structuren beperkt blijft. Conventionele radiotherapie wordt, vanwege de bijwerkingen, bij kinderen steeds minder toegepast. Doordat de huidige chemotherapie effectiever is geworden, is die behandelingswijze momenteel bij meerdere maligniteiten even doeltreffend als radiotherapie, terwijl het kind geen last heeft van de bijwerkingen van de bestraling.

Vanwege de geschetste veranderingen is het moeilijk om per type maligniteit één enkele behandelingswijze aan te geven. Een verbetering van de oncologische behandelingen is alleen te bereiken als die uniform worden uitgevoerd. Vanuit behandelingsprotocollen kunnen de verbeteringen bovendien wetenschappelijk worden getoetst. Voor de solide tumoren bestaan er daartoe per kinderoncologisch centrum afspraken met internationale werkgroepen. De hematologische maligniteiten worden in Nederland grotendeels behandeld volgens protocollen die worden gecoördineerd door de Stichting Nederlandse Werkgroep voor Leukemie bij Kinderen (SNWLK).

 



Terug naar boven

Keuze van de chemotherapie
De keuze van de cytostatica wordt in eerste instantie bepaald op basis van de histologie van de tumor of de morfologie en de immunologie van het beenmerg en de mate van uitbreiding. Gekozen wordt voor middelen met een bewezen activiteit tegen de tumor, maar desondanks kan resistentie daartegen vaak voorkomen.6 Derhalve worden cytostatica meestal in combinaties gegeven, waarbij de diverse middelen elkaars werking niet mogen antagoneren. Combinaties bestaan dan ook vaak uit middelen met een verschillend werkingsmechanisme.

Bij kinderen met een maligniteit bestaat er, zoals eerder gesteld, meestal een curatieve behandelingsoptie. Bij de keuze van de therapie dient men dan ook te streven naar het vermijden van toxiciteit op langere termijn. Vervolgonderzoek na meerdere decennia naar de schade bij kinderen die zijn behandeld met cytostatica, zijn nog maar spaarzaam voorhanden. Dit maakt het bepalen van de juiste chemotherapie bij kinderen tot een lastig probleem.

Soorten cytostatica
De meest gebruikte groepen van chemotherapeutica bij kinderen zijn momenteel de alkylerende cytostatica, de antimetabolieten, de antitumor-antibiotica, de antimitotische cytostatica en de topo-isomeraseremmers. Daarnaast wordt frequent gebruik gemaakt van corticosteroïden en asparaginase. Tot de alkylerende cytostatica behoren onder meer chloormethine, cyclofosfamide, ifosfamide, melfalan, lomustine, carmustine, dacarbazine en procarbazine. De werking berust op het covalent binden van een alkylgroep aan nucleïnezuur. Voorbeelden van antimetabolieten zijn mercaptopurine, tioguanine, cytarabine en fluorouracil. Deze middelen interveniëren met het metabolisme van folinezuur of met de inbouw in het DNA en RNA. Van de antitumor-antibiotica worden bij kinderen met name bleomycine en dactinomycine gebruikt en de antracyclinederivaten doxorubicine en daunorubicine. Zij vormen vrije radicalen, beschadigen membranen of induceren breuken in het DNA. De antimitotische cytostatica, zoals vincristine en vinblastine, en de topo-isomeraseremmers teniposide en etoposide remmen de mitose of het topo-isomerase II. Dit laatste enzym is noodzakelijk bij de opbouw van het DNA. Corticosteroïden, zoals prednison en dexamethason, induceren lymfolyse. Asparaginase zorgt voor een depletie van asparagine naast glutamine. Beide stoffen zijn nodig voor de deling van cellen.

 


Terug naar boven

Een kind met een kwaadaardige aandoening wordt veelal met meerdere cytostatica en met een of meerdere andere geneesmiddelen behandeld. Hierbij bestaat het gevaar van interacties (Gebu 1997; 31: 87-94) .

Onderlinge interacties
De combinatie van verschillende cytostatica kan aanleiding geven tot een verminderde dan wel een toegenomen activiteit op de maligne cellen. Niet alleen de combinatie, maar ook de volgorde waarin de medicamenten worden verstrekt is daarbij van belang. Zo leidt het toedienen van asparaginase na methotrexaat tot de inactivering van de laatste.

Een probleem bij cytostatica zijn de vaak inherente bijwerkingen van het specifieke medicament. Men is beducht voor een potentiëring daarvan, zoals die bijvoorbeeld optreedt bij de nefrotoxische combinatie van cisplatine en ifosfamide. Ook de ernstige bijwerkingen van bepaalde cytostatica (o.m. dactinomycine en bleomycine) in combinatie met radiotherapie zijn bekend.

Interacties met andere middelen
Een kind krijgt naast cytostatica vaak ook andere geneesmiddelen. Allopurinol verhoogt de serumconcentraties van mercaptopurine en zijn metabolieten. Indien de toevoeging van allopurinol noodzakelijk is, dan is een dosisreductie van mercaptopurine derhalve aangewezen. Ook de toegenomen nefrotoxische invloed van cytostatica in combinatie met imidazoolderivaten of amfotericine B is berucht. Bekend is tevens de potentiëring van beenmergtoxiciteit door de toevoeging van co-trimoxazol (als profylaxe van Pneumocystis carinii) aan methotrexaat. Toch dient deze combinatie op aangepaste wijze aan alle kinderen met acute lymfatische leukemie te worden voorgeschreven.

In principe kunnen de meeste geneesmiddelen zoals die gangbaar zijn in de huisartsenpraktijk worden gegeven. In het geval van een trombopenie geldt dit echter niet voor NSAID's. Door de reversibele stoornis van de trombocytenfunctie zal de stolling door een NSAID nog verder worden gecompromitteerd. Paracetamol heeft een dergelijke werking niet en dit is dan de pijnstiller van eerste keuze.

Helaas zijn de bijwerkingen veelal niet goed voorspelbaar vanwege het vaak grote aantal medicamenten dat gelijktijdig wordt gebruikt. Men komt ondanks een nauwkeurige keuze van de middelen dus toch vaak voor onverwachte interacties te staan.7

 


Terug naar boven

Gezien de diversiteit van oncologische aandoeningen kunnen niet alle behandelingswijzen aan de orde komen. Daarom worden twee ziektebeelden besproken, waarbij de grote variatie in behandelingen naar voren komt.

Acute lymfatische leukemie
Acute lymfatische leukemie (ALL) is de meest frequent voorkomende maligniteit op de kinderleeftijd. Van de acute leukemieën is circa 85% acute lymfatische leukemie. Hiervan komt common-ALL het vaakst voor, namelijk bij 65% van alle ALL-patiënten. Common-ALL kenmerkt zich door expressie van het common-ALL-antigeen. Prognostische factoren, zoals het aantal leukocyten ten tijde van de diagnose, de chromosoomstructuur in de leukemische cellen (karyotype van blasten) en de, voor het differentiatiestadium kenmerkende structuren op de celmembraan (immuunfenotype), bepalen de intensiteit van de behandeling.

Men begint met een inductiebehandeling teneinde een complete remissie te bereiken. Deze therapie bestaat uit een intraveneus of oraal corticosteroïde (prednison, prednisolon of dexamethason), intraveneus vincristine en intraveneus of intramusculair asparaginase. Soms wordt daaraan nog een intraveneus antracycline, zoals doxorubicine, toegevoegd. Na 4 tot 6 weken zijn daarmee de meeste kinderen in remissie. Meestal wordt het kind gedurende de eerste week of weken van de inductiebehandeling opgenomen. Na die periode vindt deze behandeling vaak poliklinisch plaats.

Na de inductiefase wordt er een profylactische behandeling van het centrale zenuwstelsel gegeven. In het verleden overleden de meeste kinderen namelijk aan een recidief in het centrale zenuwstelsel. In de jaren zeventig bleek een dergelijk recidief door een schedelbestraling te kunnen worden voorkomen. Sinds het midden van de jaren tachtig is bekend dat met een hoge dosis methotrexaat een gelijksoortig effect kan worden verkregen, zonder de ongewenste bijwerkingen van de bestraling. Tegenwoordig krijgen kinderen, afhankelijk van het protocol, dan ook minimaal drie keer een hoge dosis methotrexaat. Een schedelbestraling vindt eigenlijk niet meer plaats.

Methotrexaat remt de omzetting van foliumzuur in de biologisch actieve vorm folinezuur. Ter voorkoming van systemische toxiciteit wordt na 24 uur folinezuur als antidotum gegeven. Door geforceerde diurese en alkalinisatie van de urine door middel van natriumbicarbonaat, wordt de excretie van methotrexaat bevorderd. Aan de hand van de verkregen serumconcentraties wordt bepaald hoe lang de toediening van folinezuur noodzakelijk is.

Na dit therapieblok wordt, afhankelijk van het protocol, vaak nog een intensieve consolidatietherapie gegeven. Daarvoor komen, naast de middelen, die ook bij de inductietherapie werden gebruikt, veelal cytarabine, cyclofosfamide, etoposide en mercaptopurine in aanmerking. Tijdens de daarop volgende onderhoudsbehandeling, die poliklinisch plaatsvindt, worden mercaptopurine en methotrexaat gegeven, en, afhankelijk van het protocol, soms ook vincristine en een corticosteroïde.

De farmacokinetiek van middelen kan sterk wisselen door verschillen in absorptie, metabolisatie en excretie.8 9 Met name voor mercaptopurine is dit merkbaar in de praktijk. Tijdens de onderhoudsbehandeling vinden daarom dosisaanpassingen plaats op basis van de aantallen leukocyten in het bloed. De gehele behandeling van inductie tot en met de onderhoudsbehandeling duurt over het algemeen 24 maanden. De prognose van een kind met een common-ALL is goed, met een uiteindelijke ziektevrije overleving ofwel genezing van 70 tot 80%.10 De gevolgen van de therapie op de langere termijn worden verderop beschreven.

De therapie van andere vormen van leukemie, zoals een T-cel- of een B-cel-leukemie, verschilt vaak sterk van de bovengeschetste behandeling. Hierbij worden nog intensievere kuren gegeven. Meerdere factoren zijn bepalend voor de prognose. Zo zijn de vooruitzichten voor de meeste kinderen met een Philadelphia-chromosoom in de leukemische cellen vaak dermate somber, dat een allogene beenmergtransplantatie is te verkiezen boven een langdurige en intensieve chemotherapie.11 Dat geldt ook voor kinderen met ALL én een dergelijk chromosoom.

Voor de meeste kinderen met een common-ALL is de prognose echter zo gunstig, dat het moeilijk is om eventuele verbeteringen van de behandeling (statistisch) aan te tonen. Om een toename van de ziektevrije overleving van 80 naar 90% te kunnen bewijzen, zijn namelijk enkele honderden patiënten nodig. Gezien de incidentie is dit een onmogelijke vereiste. Bij het opstellen van onderzoeksprotocollen wordt de vraag naar een vermindering van ongewenste bijwerkingen, en derhalve naar de mogelijkheden om een toxisch geneesmiddel te kunnen weglaten, steeds belangrijker.

Neuroblastoom
De behandeling van een neuroblastoom loopt uiteen van een volledig expectatief beleid tot zware chemotherapie en stamceltransplantatie. Dat laatste gebeurt via een beenmergtransplantatie of met stamcellen geoogst uit het perifere bloed. Bij de behandeling spelen met name het stadium van de tumor en de leeftijd van het kind een rol.

Indien de tumor chirurgisch is te verwijderen, wordt alleen bij een residu na de operatie nabehandeld, en wel met combinaties van vincristine, cyclofosfamide, doxorubicine, etoposide en/of carboplatine.

Indien er bij kinderen jonger dan 1 jaar, naast een lokale tumor, uitzaaiingen bestaan in de huid en/of de lever en/of het beenmerg, dan spreekt men van stadium 4-S.12 In dit stadium is men zeer terughoudend met therapie, gezien de spontane regressie in 65% van de gevallen.13 De tumor en de metastasen rijpen daarbij uit tot normaal zenuwweefsel. Met beeldvormend en metabool onderzoek wordt dan een verdwijnen van de tumor en de metastasen vastgesteld. Kinderen met een neuroblastoom in stadium 4-S worden daarom niet behandeld, tenzij zich levensbedreigende symptomen voordoen of er een progressie van de ziekte optreedt.

Bij het 'gewone' stadium 4 worden ook elders in het lichaam metastasen gezien.12 Deze kinderen worden behandeld met intensieve chemotherapie, vaak gecombineerd met vincristine, carboplatine, ifosfamide en teniposide. Na de initiële chemotherapie vindt een zo compleet mogelijke resectie van de tumor plaats. Soms volgt dan weer een aansluitende chemotherapie, met daarna een transplantatie van autologe stamcellen.12 Door gebruik te maken van radioactief jodium gekoppeld aan meta-iodobenzylguanidine (MIBG), kan men neuroblastoomcellen ook lokaal bestralen. Dit blijkt net zo effectief te zijn als intensieve chemotherapie, maar de bijwerkingen ervan zijn beduidend minder. Het lijkt dan ook zinvol om met MIBG te beginnen en pas daarna over te gaan tot chemotherapie, resectie van de tumor en beenmergtransplantatie.14

Voor kinderen met een neuroblastoom in stadium 4 is de kans op genezing slechts 10 tot 20%. Voor hen is men naarstig op zoek naar effectievere behandelingen. Zo wordt geprobeerd verbeteringen te verkrijgen door de toepassing van immunotherapie, onder meer met interleukine of met door interleukine-2 geactiveerde T-cellen. Ook wordt wel een tweevoudige beenmergtransplantatie toegepast, waarbij tussen de beide transplantaties weer cytostatica worden gegeven.15

 


Terug naar boven

De meeste kinderen ondervinden lichamelijke schade van de behandeling van hun maligne aandoening. Afgezien van de verandering door een eventuele operatie, laten ook chemo- en radiotherapie hun sporen na.

Gevolgen op de korte termijn
Antracyclinen hebben een nadelige invloed op het hart. Vroeger werd aangenomen dat doses van minder dan 400 mg/m2 relatief veilig waren. Toch bleek dat bij 57% van de kinderen met een ALL op de lange termijn hartschade aantoonbaar was.16 Men veronderstelt dat antracyclinen het aantal myocyten doet verminderen, waardoor het hart onvoldoende uitgroeit in relatie tot de normale groei van het lichaam.16 Longproblemen worden zowel bij radiotherapie (restrictieve longafwijkingen, longfibrose, pneumonitis) als bij bleomycine en carmustine (diffusiestoornissen) gezien. De combinatie van bleomycine en bestraling is berucht vanwege het ontstaan van longfibrose.17 Ifosfamide geeft functiestoornissen van de renale tubulus, die soms ernstig kunnen zijn en tot hypofosfatemische rachitis kunnen leiden.18 Platinumderivaten, zoals cisplatine, kunnen tot stoornissen van de renale glomerulaire functie leiden.

Radiotherapie heeft een negatief effect op de groei van het skelet.19 Bij kinderen die een schedelbestraling ondergingen, worden endocrinologische afwijkingen gezien, met name bij hersentumoren en bij de vroegere behandeling van leukemie. Een bestraling van de schedel verslechtert niet alleen het intellectueel functioneren, ook anatomische afwijkingen, epileptische verschijnselen en functieverlies van de hersenen worden gezien.20 21 De gonadale schade door cytostatica kan reversibel zijn.22 Bij bepaalde cytostatica, zoals cyclofosfamide, procarbazine en het niet-geregistreerde chloormethine, herstelt de gonadale schade zich echter niet.23 24 De invloed op de ovaria lijkt geringer te zijn, hoewel men op de lange termijn bevreesd moet zijn voor een premature menopauze.25

Gevolgen op de lange termijn
Op de zeer lange termijn moet een aantal kinderen voor het genezen van hun kanker alsnog de tol betalen, doordat secundaire maligne aandoeningen ontstaan. Men veronderstelt dat 3 tot 12% van de kinderen binnen 20 jaar een nieuwe kwaadaardige ziekte ontwikkelt.26 Naast solide tumoren, wordt niet-lymfatische leukemie gezien, vaak voorafgegaan door een myelodysplastisch syndroom.

De incidentie van secundaire maligne aandoeningen hangt af van de oorspronkelijke ziekte en de gegeven therapie. Voor ALL werd na 15 jaar een incidentie van 5% vastgesteld. Daarnaast is het relatieve risico van een nieuwe maligniteit zevenmaal hoger dan in de normale populatie. Het risico van een hersentumor is zelfs 22 keer zo hoog.27 Mogelijk zal de incidentie hiervan afnemen, nu sinds het midden van de jaren tachtig de schedelbestraling is vervangen door hoge doses methotrexaat. Voor de epipodofyllotoxinen is er een relatie tussen de dosis en het ontstaan van leukemieën met afwijkingen van het chromosoom 11q23.28 Wat de secundaire solide tumoren betreft, worden met name bottumoren en fibrosarcomen genoemd. Voor deze maligniteiten is er een duidelijke relatie met radiotherapie en met de alkylerende agentia.29 De prognose van kinderen met een secundaire maligniteit is somber.

 


Terug naar boven

Kinderen met maligniteiten verblijven in toenemende mate thuis. De redenen daarvoor zijn velerlei. Zo blijven er door de betere behandelingsresultaten meer kinderen met kanker in leven. Daarnaast is er een stijgende tendens om kinderen tijdens de behandeling zoveel mogelijk thuis te laten zijn. Een door chemotherapie geïnduceerde aplasie wordt bijvoorbeeld veelal niet langer klinisch vervolgd, maar poliklinisch. Door deze ontwikkeling zullen de huisarts, de wijkverpleegkundige en de fysiotherapeut vaker met een kind met een maligniteit worden geconfronteerd. Enkele frequent voorkomende problemen in de thuissituatie worden hieronder nader toegelicht. Behoudens infecties, waarbij direct overleg tussen huisarts en kinderarts is aangewezen, zal de huisarts pijn, misselijkheid en voedingsproblemen grotendeels zelf kunnen behandelen. Nader overleg is dàn noodzakelijk, indien de problemen met de in eerste aanleg genomen maatregelen niet verdwijnen.

Pijn
Bij kinderen met een maligniteit is pijn een symptoom dat bij de meeste primaire diagnosen niet voorop staat. Pijn wordt wel aangegeven wanneer er bot, beenmerg of slijmvliezen bij de maligniteit zijn betrokken, en wanneer er een obstructie van organen, zoals de urinewegen, is ontstaan. Ook treedt pijn op bij doorgroei van de tumor aan het oppervlak van huid en slijmvliezen, en bij doorgroei in of compressie van zenuwen, ruggenmerg of hersenen. Veel vaker wordt echter pijn gezien tijdens de behandeling. Die pijn wordt onder meer veroorzaakt door mucositis ten gevolge van chemotherapie en bestraling, en door operaties en infecties. Verder kan pijn het gevolg zijn van gastro-oesofagitis na excessief braken. Door de medicatie (m.n. vincristine) kunnen neuralgische pijnen optreden en voorts komen fantoomverschijnselen na amputaties voor. Daarnaast lijden kinderen vaak kortdurend pijn door diverse ingrepen, zoals beenmerg- en lumbaalpuncties, al worden die in toenemende mate onder anesthesie verricht.

De behandeling van pijn kan zeer lastig zijn. Het is belangrijk een onderscheid te maken naar de ontstaanswijze.30 31 Op het moment dat de ziekte zich openbaart of als deze recidiveert, geschiedt pijnstilling het meest adequaat door een snelle diagnose en behandeling van de tumor. Daarnaast kunnen analgetica worden gegeven. Daartoe wordt over het algemeen gebruik gemaakt van een stapsgewijze keuze van de medicatie, waarbij de dosering zo wordt gekozen dat deze de pijn voorkómt.32 Hierop zal in een volgend artikel nader worden ingegaan.

In specifieke situaties kan een adjuvante therapie noodzakelijk zijn, die tevens een lagere dosering en/of een lichtere soort pijnmedicatie mogelijk maakt. Bij neuralgische pijnen zijn carbamazepine, amitriptyline of fenytoïne te overwegen. Botpijn en pijn door compressie van of ingroei in het perifere of het centrale zenuwstelsel, kunnen worden verlicht met corticosteroïden. Daarbij geniet dexamethason de voorkeur. Pijn door spierspasmen is het best te verminderen door diazepam. Het is gebruikelijk om de analgetica bij mucositis, oesofagitis en/of misselijkheid rectaal toe te dienen.

Infecties
Een verlaging van de immunologische weerstand treedt in de kinderoncologie zeer vaak op. De ziekte op zich kan aanleiding geven tot stoornissen in het afweersysteem. Veel vaker nog daalt de weerstand als gevolg van de behandeling, met name door een granulocytopenie. Als grens daarvoor wordt 0,5 x 109/l granulocyten aangehouden. Bij een lager aantal bestaat een sterk verhoogd gevaar voor ernstige infecties, dat nog toeneemt met de duur van de granulocytopenie. Door het ontbreken van leukocyten kan de infectie zich namelijk verspreiden en blijven ontstekingsreacties uit. Koorts is dan vaak het eerste en enige verschijnsel.33 Kinderen met kanker hebben daarnaast vaak een permanente intraveneuze catheter hetgeen een belangrijke bron van infecties kan vormen.

Een kind met kanker en koorts dient zeer nauwgezet te worden onderzocht. Bestaat er geen granulocytopenie, dan kan men het kind volgens de gebruikelijke maatstaven behandelen. Bij een permanente intraveneuze toegangsweg dient men bedacht te zijn op kolonisatie met een bacterie. Daarbij moet ook de insteekopening van de intraveneuze toegangsweg worden beoordeeld. Het is aangewezen dat de huisarts overlegt met de kinderarts en het kind zo nodig instuurt. Bij aanhoudende of recidiverende koorts moet men uit alle lumina van het intraveneuze toedieningssysteem bloedkweken afnemen.

Bij een kind met een granulocytopenie begint men, bij een eenmalige temperatuurstijging tot boven de 38,5°C, over het algemeen met antibiotica. Eerst dienen er echter bloed- en urinekweken te worden afgenomen. Bij een intraveneuze toegangsweg dienen ook nu uit alle lumina bloedkweken te worden ingezet. Meestal wordt in deze situatie een aminoglycoside gebruikt in combinatie met een b -lactam-antibioticum met een breed spectrum. Als de verwekker bekend wordt, kan men de antibiotica zo nodig aanpassen. Bij positieve kweken uit een vaatcatheter dient men enkele dagen na aanvang van een adequate therapie de bloedkweken uit de betreffende catheter te herhalen. Indien deze dan negatief zijn geworden, kan de catheter meestal behouden blijven. Is het kind enkele dagen na het starten van de behandeling nòg koortsig, dan moet men ernstig rekening houden met andere verwekkers: virussen, schimmels en parasieten.

Bij granulocytopenie wordt in Nederland over het algemeen een selectieve darmdecontaminatie toegepast (Gebu 1990; 24: 23-26). In het kader hiervan worden routinematig kweken van keel, feces en urine afgenomen. Men is uit hoofde daarvan vaak geïnformeerd over de bacteriestam(men) die het kind nog bij zich draagt. Bij de keuze van de antibiotica houdt men, ook bij een op dat moment nog onbekende verwekker van de koorts, rekening met deze kolonisatiegegevens. Het nut van dergelijke inventarisatiekweken, genomen voordat men met decontaminatie start, is echter in klinisch onderzoek tot nu toe niet aangetoond.

Misselijkheid
Misselijkheid en braken zijn vaak voorkomende bijwerkingen van chemo- en radiotherapie. Serotonine, dopamine en histamine zijn belangrijk bij de prikkeloverdracht van de in de hersenstam gelegen 'chemoreceptor trigger zone'.34 Dit gebied stimuleert weer het braakcentrum. Het is belangrijk om een anti-emetische therapie adequaat en vroegtijdig te starten. Late misselijkheid is daarmee te voorkomen. Tevens ontstaat bij een niet-afdoende anti-emetische behandeling zeer snel anticiperend braken. Bij volgende kuren is het kind dan al misselijk voordat de chemotherapie is toegediend. Deze vorm van misselijkheid is zeer therapieresistent.35 

Bij een weinig emetogene therapie, bijvoorbeeld vincristine, bleomycine, etoposide, of oraal cyclofosfamide, is domperidon, vaak in combinatie met een benzodiazepine, voldoende werkzaam.36 Ook metoclopramide, droperidol en antihistaminica zijn dan bruikbaar. Van de middelen die de receptoren van serotonine en histamine blokkeren, is tropisetron niet geregistreerd voor het gebruik bij kinderen en granisetron alleen voor intraveneus gebruik op de dag van de chemotherapie. Van ondansetron is zowel de orale als de intraveneuze vorm geregistreerd voor de dagen na de chemo- of radiotherapie, dus ook voor de thuissituatie. Thuis zal ondansetron dan ook vaak het middel van eerste keuze zijn. Bij onvoldoende effect hiervan kan de toevoeging van dexamethason zinvol zijn. In orale vorm is dat bij kinderen echter maar matig effectief voor het bestrijden van misselijkheid en braken na cisplatine en ifosfamide. Adequaat vergelijkend onderzoek met andere anti-emetica ontbreekt (Gebu 1993; 27: 80).

Voedingsproblemen
Bij kinderen met kanker zijn misselijkheid, mucositis, somnolentie na schedelbestraling, malabsorptie, tubulaire nefropathie, een obstructie van het maag-darmkanaal, koorts en sepsis frequente oorzaken van ondervoeding. Deze kan leiden tot een verminderde weerstand, groeiremming, darmschade, een verminderde tolerantie voor chemotherapie en een gestoorde wondgenezing, en kan daarmee aanleiding geven tot apathie en depressie.

Men dient te voorkomen dat ondervoeding optreedt. Een adequate bestrijding van de misselijkheid is daarbij essentieel. Daarnaast is de hulp van een diëtiste nodig om, mede gezien de smaakverandering door de medicatie, toch een optimale voeding te behouden. Lukt het niet een kind voldoende te laten eten, dan is sondevoeding noodzakelijk. In eerste instantie kan gewone sondevoeding worden gegeven. Bij darmvlokatrofie door chemo- of radiotherapie zijn eerder oligomere preparaten aangewezen.37 Vaak kan men met nachtelijke bijvoeding volstaan. Een totale parenterale voeding is over het algemeen alleen noodzakelijk bij een darmobstructie, aspiratiegevaar (coma), ernstige malabsorptie en therapieresistent braken. Gezien de risico's van de parenterale toediening, waaronder infecties en metabole stoornissen, maar ook gezien de kosten voor onder meer de verzorging ervan, wordt indien mogelijk aan sondevoeding de voorkeur geven.

 


Terug naar boven

Een maligniteit is bij kinderen in Nederland een weinig voorkomende aandoening. De initiële behandeling vindt plaats in gespecialiseerde centra, waarbij vaak intensieve chemotherapie wordt toegepast, naast chirurgie en bestraling. De prognose is over het algemeen goed, maar de bijwerkingen van een dergelijke behandeling op de lange termijn zijn aanzienlijk. Vaak treden endocrinologische en groeistoornissen op. Daarnaast is de ontwikkeling van secundaire tumoren, waarvan de prognose uiterst somber is, van belang.

Tegenwoordig vindt de behandeling zoveel mogelijk vanuit de thuissituatie plaats. De huisarts wordt daardoor steeds vaker geconfronteerd met kinderen die een oncologische behandeling (hebben) ondergaan. Problemen die zich bij deze kinderen voordoen zijn met name pijn, infecties, misselijkheid en voedingsstoornissen.

Stofnaam

Merknaam®

allopurinol 

merkloos, div. fabr., Apurin, Zyloric 

amfotericine B 

AmBisome, Amphoxil, Fungizone 

amitriptyline 

merkloos, div. fabr., Sarotex, Tryptizol 

asparaginase 

Paronal 

bleomycine 

merkloos, div. fabr. 

carbamazepine 

merkloos, div. fabr., Carbymal, Tegretol 

carboplatine 

Paraplatin 

cisplatine 

merkloos, div. fabr., Platinol, Platinoxan, Platosin 

co-trimoxazol 

merkloos, div. fabr., Bactrimel, Eusaprim, Lidatrim, Sulfotrim, Trimoxol 

cyclofosfamide 

Cycloblastine, Endoxan 

cytarabine 

Alexan, Cytosar 

dacarbazine 

Déticène 

dactinomycine 

Lyovac Cosmegen 

daunorubicine 

Cerubidine 

dexamethason 

merkloos, div. fabr., Decadron, Dexamethason caps. FNA, Oradexon 

diazepam 

merkloos, div. fabr., Stesolid, Valium 

domperidon 

Gastrocure, Motilium 

doxorubicine 

Adriblastina, Doxorubin 

droperidol 

Dehydrobenzperidol 

etoposide 

merkloos, div. fabr., Vepesid 

fenytoïne 

merkloos, div. fabr., Diphantoïne-Z, Epanutin 

fluorouracil 

merkloos, div. fabr., Fluracedyl 

folinezuur 

merkloos, div. fabr. 

granisetron 

Kytril 

ifosfamide 

Holoxan 

lomustine 

Cecenu 

melfalan 

Alkeran 

mercaptopurine 

Puri-Nethol 

methotrexaat 

merkloos, div. fabr., Emthexate, Ledertrexate 

metoclopramide 

merkloos, div. fabr., Primperan 

ondansetron 

Zofran 

prednisolon 

merkloos, div. fabr., Di-Adreson-F, Prednisolon caps. en drank FNA 

prednison 

merkloos, div. fabr. 

procarbazine 

Natulan 

teniposide 

Vumon 

tioguanine 

Lanvis 

tropisetron 

Novaban 

vinblastine 

merkloos, div. fabr., Velbe 

vincristine 

merkloos, div. fabr., Oncovin 



  1. Vereniging van Integrale Kankercentra. Incidence of cancer in the Netherlands, 1993. Utrecht: Vereniging van Integrale Kankercentra, 1996.
  2. Sitsen JMA, Breimer DD, Cools AR, Saxena PR, Smits JFM, Wimersma Greidanus TjB van. Farmacologie. Utrecht: Wetenschappelijke Uitgeverij Bunge, 1996.
  3. Evans WE, Petros WP, Relling MV, Crom WR, Madden T, Rodman JH et al. Clinical pharmacology of cancer chemotherapy in children. Pediatr Clin North Am 1989; 36: 1199-1230.
  4. Ames MM. Pharmacokinetics of antitumor agents in children. In: Ames MM, Powis G, Kovach JS (eds). Pharmacokinetics of anticancer agents in humans. Amsterdam: Elsevier, 1983: 400-431.
  5. Sallan SE, Clavell LA. Cardiac effects of anthracyclines used in the treatment of childhood acute lymphoblastic leukemia: a 10-year experience. Semin Oncology 1984; 11 (4 Suppl 3): 19-21.
  6. Goldie JH, Coldman AJ. The genetic origin of drug resistance in neoplasms: implications for systemic therapy. Cancer Research 1984; 44: 3643-3653.
  7. Loadman PM, Bibby MC. Pharmacokinetic drug interactions with anticancer drugs. Clinical Pharmacokinet 1994; 26: 486-500.
  8. Lennard L, Keen D, Lilleyman JS. Oral 6-mercaptopurine in childhood leukemia: parent drug pharmacokinetics and active metabolite concentrations. Clin Pharmacol Ther 1986; 40: 287-292.
  9. Sulh H, Koren G, Whalen C, Soldin S, Zipursky A, Greenberg M. Pharmacokinetic determinants of 6-mercaptopurine myelotoxicity and therapeutic failure in children with acute lymphoblastic leukemia. Clin Pharmacol Ther 1986; 40: 604-609.
  10. Van den Berg. Acute lymfatische leukemie. In: Voute PA, Kraker J de, Caron HN (eds.). Kinderoncologie. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum, 1997: 145-160.
  11. Pui CH, Crist WM, Look AT. Biology and clinical significance of cytogenetic abnormalities in childhood acute lymphoblastic leukemia. Blood 1990; 76: 1449-1463.
  12. Caron HN. Neuroblastoom. In: Voute PA, Kraker J de, Caron HN (eds.). Kinderoncologie. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum, 1997: 232-245.
  13. Evans AE, Chatten J, D'Angio GJ, Gerson JM, Robinson J, Schnaufer L. A review of 17 IV-S neuroblastoma patients at the children's hospital of Philadelphia. Cancer 1980; 45: 833-839.
  14. Kraker J de, Hoefnagels CA, Caron H, Valdes Olmos RA, Zsiros J, Heij HA et al. First line targeted radiotherapy, a new concept in the treatment of advanced stage neuroblastoma. Eur J Cancer 1995; 31: 600-602.
  15. Ladenstein R, Hartmann O, Pinkerton CR. The role of megatherapy with autologous bone marrow rescue in solid tumours of childhood. Ann Oncol 1993; 4 (suppl 1): 45-58.
  16. Lipshultz SE, Colan SD, Gelber RD, Perez-Atayade AR, Sallan SE, Sanders SP. Late cardiac effects of doxorubicin therapy for acute lymphoblastic leukemia in childhood. N Engl J Med 1991; 324: 808-815.
  17. Catane R, Schwade JG, Turrisi AT 3d, Webber BL, Muggia FM. Pulmonary toxicity after radiation and bleomycin: a review. Int J Radiat Oncol Biol Phys 1979; 5: 1513-1518.
  18. Raney B, Ensign LG, Foreman J, Kahn F, Newton W, Ortega J et al. Renal toxicity of ifosfamide in pilot regimens of the intergroup rhabdomyosarcoma study for patients with gross residual tumor. Am J Pediatr Hematol Oncol 1994; 16: 286-295.
  19. Probert JC, Parker BR. The effects of radiation therapy on bone growth. Radiology 1975; 114: 155-162.
  20. Jankovic M, Brouwers P, Valsecchi MG, Veldhuizen A van, Huisman J, Kamphuis R et al. Association of 1800 cGy cranial irradiation with intellectual function in children with acute lymphoblastic leukaemia. Lancet 1994; 344: 224-227.
  21. Ochs JJ, Rivera G, Aur RJ, Hustu HO, Berg R, Simone JV. Central nervous system morbidity following an initial isolated central nervous system relapse and its subsequent therapy in childhood acute lymphoblastic leukemia. J Clin Oncol 1985; 3: 622-626.
  22. Meistrich ML, Chawla SP, Da Cunha MF, Johnson SL, Plager C, Papadopoulos NE et al. Recovery of sperm production after chemotherapy for osteosarcoma. Cancer 1989; 63: 2115-2123.
  23. King DJ, Ratcliffe MA, Dawson AA, Bennett B, Macgregor JE, Klopper AI. Fertility in young men and women after treatment for lymphoma: a study of a population. J Clin Pathol 1985; 38: 1247-1251.
  24. Da Cunha MF, Meistrich ML, Fuller LM, Cundiff JH, Hagemeister FB, Velasquez WS et al. Recovery of spermatogenesis after treatment for Hodgkin's disease: limiting dose of MOPP chemotherapy. J Clin Oncol 1984; 2: 571-577.
  25. Byrne J, Fears TR, Gail MH, Pee D, Connelly RR, Austin DF et al. Early menopause in long-term survivors of cancer during adolescence. Am J Obstet Gynecol 1992; 166: 788-793.
  26. Mike V, Meadows AT, D'Angio GJ. Incidence of second malignant neoplasms in children: results of an international study. Lancet 1982; 2: 1326-1331.
  27. Neglia JP, Meadows AT, Robison LL, Kim TH, Newton WA, Ruymann FB et al. Second neoplasms after acute lymphoblastic leukemia in chidhood. N Engl J Med 1991; 325: 1330-1336.
  28. Pui CH, Ribeiro RC, Hancock ML, Rivera GK, Evans WE, Raimondi SC et al. Acute myeloid leukemia in children treated with epipodophyllotoxins for acute lymphoblastic leukemia. N Engl J Med 1991; 325: 1682-1687.
  29. Hawkins MM, Wilson LM, Burton HS, Potok MH, Winter DL, Marsden HB et al. Radiotherapy, alkylating agents, and risk of bone cancer after childhood cancer. J Natl Cancer Inst 1996; 88: 270-278.
  30. Gaukroger PB. Paediatric analgesia. Which drug? Which dose? Drugs 1991; 41: 52-59.
  31. Leahy S, Hockenberry-Eaton M, Sigler-Price K. Clinical management of pain in children with cancer: selected approaches and innovative strategies. Cancer Pract 1994; 2: 37-45.
  32. Miser AW, Miser JS. The treatment of cancer pain in children. Pediatr Clin North Am 1989; 36: 979-999.
  33. Pizzo PA, Robichaud KJ, Wesley R, Commers JR. Fever in the pediatric and young adult patient with cancer. A prospective study of 1001 episodes. Medicine 1982; 61: 153-165.
  34. Grunberg SM, Hesketh PJ. Control of chemotherapy-induced emesis. N Engl J Med 1993; 329: 1790-1796.
  35. Morrow GR. The effect of a susceptibility to motion sickness on the side effects of cancer chemotherapy. Cancer 1985; 55: 2766-2770.
  36. Bishop JF, Olver IN, Wolf MM, Matthews JP, Long M, Bingham J et al. Lorazepam: a randomized, double-blind, crossover study of a new antiemetic in patients recieving cytotoxic chemotherapy and prochlorperazine. J Clin Oncol 1984; 2: 691-695.
  37. Kamps WA, Tamminga RYJ, Kimpen JLL. Ondersteunende behandeling. In: Voute PA, Kraker J de, Caron HN (eds.). Kinderoncologie. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum, 1997: 70-75.

Auteurs

  • dr H. van den Berg