In het kort Artikel

Colchicine bij coronaire hartziekten


Samenvatting

Is het aan te bevelen om een lage dosis colchicine (0,5 mg per dag) voor te schrijven in de secundaire preventie van coronaire hartziekten? Er zijn verschillende studies gedaan naar de effectiviteit van colchicine bij deze toepassing, en onlangs zijn er ook enkele meta-analyses verschenen. Het gebruik van colchicine bij secundaire preventie van coronaire hartziekten is echter nog niet in de richtlijnen opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat gebruik van een lage dosering colchicine de kans op grote cardiovasculaire complicaties (major adverse cardiovascular events (MACE)) verlaagt met ongeveer een derde. Ook vermindert colchicine het risico op in-stent-restenose in bare-metal stents met meer dan de helft. De keerzijde is dat de niet-cardiovasculaire mortaliteit anderhalf keer verhoogd lijkt te zijn. Deze verhoging wordt echter gecompenseerd door een gelijke afname in de cardiovasculaire mortaliteit, waardoor de overall mortaliteit gelijk blijft. Over het risico op gastro-intestinale bijwerkingen wordt wisselend gerapporteerd. Een voordeel is dat een behandeling met colchicine goedkoop is omdat er verschillende merkloze producten verkrijgbaar zijn.

CME-toets 
Bij dit artikel horen geaccrediteerde toetsvragen (i.s.m. NTvG CME).
Maak toets


Wat is het standpunt van het Ge-Bu?
  • Colchicine heeft een gunstig effect op het eindpunt van grote cardiovasculaire complicaties maar vermindert de algehele mortaliteit niet.
  • De belangrijkste rol voor colchicine is bij het voorkomen van in-stent-restenose bij het gebruik van bare-metal stents.
  • De meest voorkomende bijwerkingen bij de gebruikte lage dosering zijn gastro-intestinaal van aard en licht tot matig ernstig.
  • In verband met de smalle therapeutische breedte dienen de bijwerkingen echter nauwlettend gemonitord te worden, evenals mogelijke interacties met andere geneesmiddelen die in deze patiëntengroep veel gebruikt worden.
  • Voor de secundaire preventie van coronaire hartziekten, is colchicine in een lage dosering een veilige, effectieve en goedkope aanvulling op de huidige standaardbehandeling.

Eén van de oorzaken van atherosclerose en de daaraan gerelateerde complicaties is een chronische laaggradige inflammatie. Colchicine is een oraal, sterk anti-inflammatoir geneesmiddel dat in Nederland is geregistreerd bij jicht, familiaire mediterrane koorts en amyloïdose. In tegenstelling tot in andere landen is colchicine in Nederland niet geregistreerd bij pericarditis. Ook het gebruik bij andere secundaire preventie van coronaire hartziekten is off-label.1

De rol van geactiveerde macrofagen en daaraan gerelateerde inflammatoire processen bij de groei en destabilisatie van atherosclerotische plaques, is al langere tijd bekend. Daarom wordt er al sinds de jaren 90 van de vorige eeuw klinisch onderzoek gedaan naar een mogelijke rol van anti-inflammatoire middelen. Nadat de CANTOS-studie had aangetoond dat remming van inflammatie met behulp van canakinumab effectief was in de secundaire preventie van coronaire hartziekten,2 nam de interesse in geneesmiddelen die inflammatie remmen sterk toe. Gezien de hoge prijs van canakinumab lag de focus vooral op het vinden van goedkopere middelen met een vergelijkbare effectiviteit. Ook het onderzoek naar colchicine, dat eerder al in de belangstelling stond, kreeg hierdoor een nieuwe impuls.3 Met een prijs van ongeveer € 0,50 per tablet is merkloze colchicine, dat in Nederland door verschillende producenten wordt aangeboden, een goedkope optie voor de secundaire preventie van coronaire hartziekten. 

Dit artikel bespreekt de twee meest recente meta-analyses van het gerandomiseerde onderzoek naar het gebruik van colchicine bij de secundaire preventie van coronaire hartziekten.4,5


De auteurs van twee onlangs verschenen meta-analyses concluderen dat colchicine het risico op ‘ernstige cardiovasculaire complicaties’ (major adverse cardiovascular events (MACE), alle cardiovasculaire gebeurtenissen waarvoor medisch ingrijpen noodzakelijk is) bij patiënten met coronaire hartziekten met ongeveer één derde kan doen afnemen.4,5 Naast de twee meta-analyses is er nog een aantal gerandomiseerde onderzoeken die niet in de meta-analyses werden meegenomen, omdat in deze studies andere eindpunten werden gekozen.3,6,7,8,9

Ernstige cardiovasculaire morbiditeit en mortaliteit

Twee recente meta-analyses, van Xia en Xiang et al, onderzochten beide het bewijs voor een effect van colchicine op een samengesteld eindpunt van verschillende grote cardiovasculaire eindpunten (MACE), bij de secundaire preventie van coronaire hartziekten.4,5 Beide meta-analyses worden hieronder kort omschreven.

Xia et al

De auteurs van deze meta-analyse selecteerden gerandomiseerde studies die de toevoeging van colchicine aan de standaardbehandeling vergeleken met toevoeging van placebo of met alleen standaardbehandeling, en die minstens zes maanden follow-up hadden bij patiënten met coronaire hartziekten.4 Uiteindelijk werden zes studies geïncludeerd met in totaal 11.790 patiënten. Vier van deze studies waren ook opgenomen in de meta-analyse van Xiang et al.5 In de colchicinegroep kwam het eindpunt MACE bij 362 van de 5.906 patiënten voor, in de controlegroep was dit 521 van de 5.884 patiënten. MACE kwam in alle afzonderlijke studies in de colchicinegroep minder voor dan in de controlegroep. In slechts één studie was dit verschil niet statistisch significant. Met behulp van een ‘random effect’-model, werd een gepoold relatief risico (RR) van 0,65 (95% betrouwbaarheidsinterval (BI) 0,52 tot 0,82) berekend voor het krijgen van een MACE bij behandeling met colchicine, vergeleken met de controlegroep. Uitgaande van het risico op MACE dat gezien werd in de controlegroep, zou hier een number needed to treat (NNT) van 37 bij horen.

Een deel van de verschillende eindpunten waaruit MACE was samengesteld (cardiovasculaire mortaliteit, myocardinfarct, coronaire revascularisatie en beroerte) kwam ook afzonderlijk minder voor in de colchicinegroep dan in de controlegroep. Het verschil in cardiovasculaire mortaliteit was als enige niet statistisch significant. De relatieve risico’s varieerden van 0,47 bij beroerte tot 0,79 bij cardiovasculaire mortaliteit.

Een mogelijke beperking van deze meta-analyse is de heterogeniteit van de geïncludeerde studies, met verschillen tussen de inclusiecriteria, follow-up en de definitie van MACE. Deze verschillen waren echter niet heel groot.

Xiang et al

In deze tweede meta-analyse selecteerden de auteurs alle gerandomiseerde onderzoeken die de toevoeging van colchicine aan de standaardbehandeling vergeleken met toevoeging van placebo of met alleen standaardbehandeling bij patiënten met coronaire hartziekten.5 Uiteindelijk werden acht studies geïncludeerd met in totaal 11.463 patiënten. Vier van deze studies waren ook opgenomen in de meta-analyse van Xia et al.4 In de colchicinegroep kwam het eindpunt MACE bij 337 van de 5.776 patiënten voor, in de controlegroep was dit 476 van de 5.687 patiënten. Vier van de acht studies rapporteerden minder MACE in de colchicinegroep dan in de controlegroep. In één van deze vier studies was dit verschil echter niet statistisch significant. De overige vier studies rapporteerden geen verschil tussen de groepen. Met behulp van een ‘random effect’-model, werd een gepoold relatief risico van 0,70 (95%BI 0,61 tot 0,80) berekend voor het krijgen van een MACE bij behandeling met colchicine, vergeleken met de controlegroep. Uitgaande van het risico op MACE dat gezien werd in de controlegroep, zou hier een NNT van 40 bij horen.

Van de verschillende eindpunten waaruit MACE was samengesteld kwam overall mortaliteit in beide groepen evenveel voor. Myocardinfarct, coronaire revascularisatie en beroerte kwamen allemaal minder voor in de colchicinegroep dan in de controlegroep. De relatieve risico’s varieerden hierbij van 0,49 bij beroerte, tot 0,77 bij myocardinfarct.

Ook bij deze meta-analyse was de heterogeniteit van de geïncludeerde studies een mogelijke beperking. De inclusiecriteria, follow-up tijd en de definitie van MACE verschilden enigszins tussen de geïncludeerde studies. Ook bij deze meta-analyse bleken de verschillen echter klein genoeg om het samenvoegen van de data te rechtvaardigen.

In-stent-restenose

Twee gerandomiseerde onderzoeken vergeleken het effect van colchicine op in-stent-restenose tot 6 maanden na stentplaatsing ten opzichte van placebo.6,7De resultaten van deze twee studies suggereren dat colchicine het risico op in-stent-restenose verkleint bij gebruik van bare-metal stents. Dit zijn stents zonder coating van geneesmiddelen die het risico op in-stent-restenose verlagen.

Drug-eluting stents versus bare-metal stents

Eén studie onderzocht de effectiviteit van colchicine bij patiënten met diabetes en een contra-indicatie voor het gebruik van een drug-eluting stent.6 In deze studie werd colchicine (2-maal daags 0,6 mg) vergeleken met placebo. De primaire uitkomstmaat was in-stent-restenose bevestigd met behulp van angiografie. In-stent-restenose werd gevonden bij 16% van de 100 patiënten in de colchicinegroep en 33% van de 96 patiënten in de placebogroep. De odds ratio was 0,38 (95%BI 0,18 tot 0,79) en de NNT was 6.

Een tweede studie gebruikte een studieopzet met drie armen: drug-eluting stents, bare-metal stents en bare-metal stents plus colchicine (2-maal daags 0,5 mg).7 Hoewel er ten opzichte van het gebruik van alleen bare-metal stents significant minder in-stent-restenose werd gevonden bij toevoeging van colchicine (3% (1/30) vs. 23% (7/30)), werd in de drug-eluting stent-groep een vergelijkbaar verschil gezien (0% (0/30)). De NNT voor colchicine bij gebruik van bare-metal stents was in deze studie 5.


De veiligheid van colchicine wordt over het algemeen als goed omschreven4,5, maar vanwege de sterke toxiciteit dient colchicine wel laag gedoseerd te worden. Er zijn echter ook zorgen over een mogelijk verhoogde niet-cardiovasculaire mortaliteit.10

Niet-cardiovasculaire mortaliteit

Niet-cardiovasculaire mortaliteit werd onderzocht in twee meta-analyses. De eerder beschreven meta-analyse van Xia et al rapporteerde niet-cardiovasculaire mortaliteit als extra veiligheidsanalyse. Galli et al voerden een meta-analyse uit met het specifieke doel om alleen naar niet-cardiovasculaire mortaliteit te kijken.

Xia et al

Vier van de vijf geïncludeerde studies rapporteerden niet-cardiovasculaire mortaliteit bij 85 van de 5.806 patiënten in de colchicinegroep en bij 55 van de 5.788 patiënten in de placebogroep.4 Het risico op niet-cardiovasculaire mortaliteit was volgens een ‘random effect’-model anderhalf keer zo hoog in de colchicinegroep. Dit verschil was echter net niet statistisch significant met een relatief risico van 1,50 (95%BI 0,93 tot 2,40). De heterogeniteit tussen de studies was laag.

Galli et al

De auteurs van deze meta-analyse includeerden dezelfde vier studies als in de hiervoor besproken meta-analyse.10 Zij gebruikten echter een ‘fixed effect’-model, waardoor zij uitkwamen op een relatief risico van 1,55 (95%BI 1,10 tot 2,17), bij een matig-lage heterogeniteit. (Zie de Achtergrondinformatie voor een uitleg over hoe het gebruik van een ‘fixed effect’-model kan leiden tot een ander resultaat dan het gebruik van een ‘random effect’-model).

In een reactie op de meta-analyse van Galli et al wordt erop gewezen dat er gegevens over het hoofd zijn gezien in deze meta-analyse.11 Toevoeging van deze gegevens zou ervoor zorgen dat de gevonden associatie niet langer statistisch significant zou zijn. Dit onderstreept nogmaals het belang van het verzamelen van meer informatie. Er lijkt een klinisch relevante associatie aanwezig te zijn, maar omdat deze niet statistisch significant is, blijven definitieve conclusies hierover nog moeilijk te trekken.

Overall mortaliteit

Xia et al

In deze meta-analyse rapporteren de auteurs geen overall mortaliteit. Ze vermelden echter, naast de hierboven beschreven niet-cardiovasculaire mortaliteit, wel de cardiovasculaire mortaliteit.4 Deze is verlaagd in de colchicinegroep, maar het verschil is niet statistisch significant. Het is echter wel vergelijkbaar in grootte met het verschil in niet-cardiovasculaire mortaliteit (44 van de 5.906 in de colchicinegroep vs. 61 van de 5.884 in de controlegroep).

Xiang et al

Zes van de acht in deze meta-analyse geïncludeerde studies rapporteerden de overall mortaliteit.5 In de colchicinegroep overleden 123 van de 5.717 patiënten ten opzichte van 118 van de 5.626 patiënten in de placebogroep. De resultaten van deze studies werden samengevoegd met behulp van een ‘fixed effect’-model. Vergeleken met de controlegroep was het relatieve risico op overlijden in de colchicinegroep 1,03 (95%BI 0,80 tot 1,32).

Overige bijwerkingen

Xia et al

Vier van de vijf geïncludeerde studies rapporteerden gastro-intestinale bijwerkingen.4 Het samengevoegd relatieve risico op gastro-intestinale bijwerkingen in de colchicinegroep, vergeleken met de controlegroep was 1,05 (95%BI 0,91 tot 1,22), een niet-significant verschil.

Xiang et al

In vijf van de acht geïncludeerde studies werd diarree gerapporteerd als mogelijke bijwerking van colchicine.5 Het gepoolde relatieve risico op diarree in de colchicinegroep vergeleken met de controlegroep was 2,53 (95%BI 1,17 tot 5,48). Deze bijwerking verdween snel na stoppen van colchicine. Er waren geen ernstige bijwerkingen.

Openstaande vragen

De follow-up van alle studies die geïncludeerd werden in de besproken meta-analyses was korter dan 3 jaar. Er kan daarom nog niets gezegd worden over de effecten, positief en negatief, van colchicine op de langere termijn.

De onderzochte doseringen waren 0,5 mg per dag voor de preventie van MACE en 2-maal daags 0,5 of 0,6 mg voor de preventie van in-stent-restenose. Doordat er in de literatuur geen vergelijkingen met andere doseringen colchicine beschikbaar zijn, kan er niet gezegd worden wat de optimale dosering is.

Het gebruik van colchicine na stentplaatsing is alleen onderzocht voor bare-metal stents. Het is daarom niet duidelijk of gebruik van colchicine bij drug-eluting stents mogelijk van toegevoegde waarde kan zijn voor het voorkomen van (late) in-stent-restenose.

In het algemeen wordt colchicine bij jicht alleen als aanvalsbehandeling gebruikt en heeft allopurinol de voorkeur als onderhoudsbehandeling en voor de preventie van aanvallen. Daarnaast is bekend dat jichtpatiënten een sterk verhoogd cardiovasculair risico hebben. Het lijkt daarom logisch om colchicine voor deze groep als onderhoudsbehandeling voor te gaan schrijven. Hier is echter nog geen onderzoek naar gedaan.


Werkingsmechanisme, metabolisme en eliminatie 

De anti-inflammatoire werking van colchicine berust waarschijnlijk op een combinatie van de remming van de chemotactische activiteit van geactiveerde macrofagen en een algemeen antimitotisch effect, waardoor ook de deling van immuuncellen geremd wordt. Colchicine wordt gedeeltelijk in de lever gemetaboliseerd door het enzym CYP3A4 en uitgescheiden via de darmen en de nieren.1

Dosering colchicine

Standaarddoseringen bij jicht, familiaire mediterrane koorts en amyloïdose variëren van 0,5 tot 3 mg per dag. Doseringen boven de 1 mg per dag zijn alleen geschikt voor incidenteel gebruik. Bij chronisch gebruik is de dosering tussen de 0,5 en 1 mg per dag. Doordat de toxische dosis van colchicine dicht bij de minimale werkzame dosis ligt, heeft het een smalle therapeutische breedte. Gastro-intestinale klachten zijn een teken van toxiciteit en zouden tot een dosisreductie moeten leiden. Verder moet voorzichtig met de dosering worden omgegaan bij lever- of nierfunctiestoornissen. Gelijktijdige toediening met P-glycoproteïneremmers of sterke CYP3A4-remmers verhogen de spiegel van colchicine.1 Er zijn onder andere interacties met digoxine, verapamil, statines en fibraten. De door de in dit artikel besproken studies gebruikte dosering van 0,5 tot 1 mg per dag is een laag-normale onderhoudsdosering voor de brede remming van inflammatoire processen.

‘Fixed’ versus ‘random effect’-modellen en heterogeniteit

Bij het samenvoegen van resultaten uit verschillende studies kan gekozen worden uit een ‘fixed  effect’-model of een ‘random effect’-model. De statistische interpretatie van deze modellen is subtiel verschillend.

‘Fixed effect’-modellen

Een ‘fixed effect’-model schat het gewogen gemiddeld effect onder de aanname dat alle geïncludeerde studies hetzelfde effect schatten en de gevonden verschillen tussen de studies uitsluitend door toeval zijn ontstaan. Dit is dus een aanname van lage heterogeniteit tussen de studies. Als de studies heel heterogeen zouden zijn, bijvoorbeeld omdat ze heel andere patiëntenpopulaties onderzoeken, dan verwachten we ook dat ze verschillende effecten schatten. Een ‘fixed effect’-model weegt de bijdragen van de afzonderlijke studies daarom uitsluitend op grond van de hoeveelheid informatie in de studies. De uitkomst wordt vervolgens geïnterpreteerd als een schatting van één onderliggende “werkelijke waarde”.

‘Random effect’-modellen

Een ‘random effect’-model schat het gewogen gemiddeld effect onder de aanname dat de verschillende studies mogelijk verschillende effecten schatten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als er verschillen zijn tussen de geïncludeerde patiëntenpopulaties. Het ‘random effect’-model houdt hier vervolgens rekening mee in de weging van de afzonderlijke studies. Het model weegt studies die dichter bij het gemiddelde liggen relatief iets zwaarder mee. Daardoor kan de uiteindelijke schatting van het gewogen gemiddelde iets anders uitpakken dan bij het ‘fixed effect’-model. De uitkomst wordt vervolgens geïnterpreteerd als het gemiddelde van een aantal mogelijk verschillende ‘werkelijke waardes’.

Homo- versus heterogeniteit en I2

Het verschil in weging van de verschillende modellen is dus gebaseerd op een aanname over de homo- dan wel heterogeniteit van de geïncludeerde studies. Daarom is de keuze voor het ene of het andere model ook meestal gebaseerd op de heterogeniteit tussen de geïncludeerde studies. Deze heterogeniteit kan statistisch uitgedrukt worden in de I2. Als globale richtlijn voor de interpretatie van de I2 worden meestal de volgende afkapwaarden aangehouden: < 25% (laag), 25% tot 75% (gemiddeld), > 75% (hoog). Als de statistische heterogeniteit hoog-gemiddeld tot hoog is, dan kan onderzocht worden of dit berust op werkelijke klinische heterogeniteit tussen de studies. Hier zou dan in de interpretatie van de resultaten rekening mee gehouden kunnen worden. Daarnaast kan dus een ‘random effect’-model gebruikt worden om statistisch rekening te houden met de gevonden heterogeniteit. In de studies van Xia et al en Galli et al was dus sprake van lage tot laag-gemiddelde heterogeniteit. De keuze van Galli et al, voor een ‘fixed effect’-model, lijkt hiermee dus goed te rechtvaardigen.

Details beschreven onderzoek

Xia et al4
Soort onderzoek: systematisch literatuuronderzoek en meta-analyse
Financiering: Southwest Medical University, Grant No. 19071, Luzhou, China
Belangenverstrengeling: door geen van de 3 auteurs gemeld
Uitkomstmaat: major adverse cardiovascular events (MACE)
Insluitingscriteria: gerandomiseerde gecontroleerde onderzoeken met colchicine vs. placebo of geen behandeling bij patiënten met coronaire hartziekten, met minimaal 6 maanden follow-up
Aantal geanalyseerde onderzoeken: 5, met een studieduur van 6 tot 36 maanden, van 2013 tot 2020
Aantal patiënten: 11.790, gemiddelde leeftijden van 60 tot 66 jaar, 83% man
Xiang et al5
Soort onderzoek: systematisch literatuuronderzoek en meta-analyse
Financiering: National Natural Science Foundation of China (81770360), Hubei Province Health and Family Planning Scientific Research Project (WJ2019Z004), Hubei Provincial Natural Science Foundation of China (2018CFA044), and Hubei Province’s Outstanding Medical Academic Leader program
Belangenverstrengeling: door geen van de 10 auteurs gemeld
Uitkomstmaat: major adverse cardiovascular events (MACE)
Insluitingscriteria: gerandomiseerde gecontroleerde onderzoeken met colchicine vs. placebo of geen behandeling voor secundaire preventie bij patiënten met coronaire hartziekten
Aantal geanalyseerde onderzoeken: 8
Aantal patiënten: 11.463
Galli et al10
Soort onderzoek: systematisch literatuuronderzoek en meta-analyse
Financiering: niet vermeld
Belangenverstrengeling: één auteur heeft vergoedingen ontvangen van Biotronic, Amgen, AstraZeneca, Servier, Menarini en BMS. De overige drie auteurs melden geen belangenverstrengeling
Uitkomstmaat: niet-cardiovasculaire mortaliteit
Insluitingscriteria: gerandomiseerde gecontroleerde onderzoeken met colchicine vs. placebo bij patiënten met coronaire hartziekten, onderzoek met minimaal 100 patiënten.
Aantal geanalyseerde onderzoeken: 4, van 2012 tot 2020
Aantal patiënten: 11.555

  1. Informatorium Medicamentorum. Den Haag: KNMP, 2021. Via Informatorium Medicamentorum. Den Haag: KNMP, 2021. Via: https://www.knmp.nl/producten/knmp-kennisbank.
  2. Ridker PM, Everett BM, Thuren T, MacFadyen JG, Chang WH, Ballantyne C, et al. CANTOS Trial Group. Antiinflammatory Therapy with Canakinumab for Atherosclerotic Disease. N Engl J Med. 2017 Sep 21;377(12):1119-1131. doi: 10.1056/NEJMoa1707914.
  3. O'Keefe JH Jr, McCallister BD, Bateman TM, Kuhnlein DL, Ligon RW, Hartzler GO. Ineffectiveness of colchicine for the prevention of restenosis after coronary angioplasty. J Am Coll Cardiol. 1992 Jun;19(7):1597-600. doi: 10.1016/0735-1097(92)90624-v. 
  4. Xia M, Yang X, Qian C. Meta-analysis Evaluating the Utility of Colchicine in Secondary Prevention of Coronary Artery Disease. Am J Cardiol. 2021 Feb 1;140:33-38. doi: 10.1016/j.amjcard.2020.10.043.
  5. Xiang Z, Yang J, Yang J, Zhang J, Fan Z, Yang C, et al. Efficacy and safety of colchicine for secondary prevention of coronary heart disease: a systematic review and meta-analysis. Intern Emerg Med. 2021 Mar;16(2):487-496. doi: 10.1007/s11739-020-02606-7.
  6. Deftereos S, Giannopoulos G, Raisakis K, Kossyvakis C, Kaoukis A, Panagopoulou V, et al. Colchicine treatment for the prevention of bare-metal stent restenosis in diabetic patients. J Am Coll Cardiol. 2013 Apr 23;61(16):1679-85. doi: 10.1016/j.jacc.2013.01.055.
  7. Habib M, Salama I, Agha HA, Hasira MA. Colchicine Treatment for Prevention of in Stent Restenosis (CISR Trial). American J Emerg Crit Care Med. 2019;2(1): 001-005.
  8. Deftereos S, Giannopoulos G, Angelidis C, Alexopoulos N, Filippatos G, Papoutsidakis N, et al. Anti-Inflammatory Treatment With Colchicine in Acute Myocardial Infarction: A Pilot Study. Circulation. 2015 Oct 13;132(15):1395-403. doi: 10.1161/CIRCULATIONAHA.115.017611.
  9. Shah B, Pillinger M, Zhong H, Cronstein B, Xia Y, Lorin JD, et al. Effects of Acute Colchicine Administration Prior to Percutaneous Coronary Intervention: COLCHICINE-PCI Randomized Trial. Circ Cardiovasc Interv. 2020 Apr;13(4):e008717. doi: 10.1161/CIRCINTERVENTIONS.119.008717.
  10. Galli M, Princi G, Crea F, D'Amario D. Colchicine and risk of non-cardiovascular death in patients with coronary artery disease: a pooled analysis underling possible safety concerns. Eur Heart J Cardiovasc Pharmacother. 2021 May 23;7(3):e18-e19. doi: 10.1093/ehjcvp/pvaa137.
  11. Fiolet ATL, Opstal TSJ, Mosterd A, Eikelboom JW, Nidorf SM, Thompson PL, et al. Article referred to: Colchicine and risk of non-cardiovascular death in patients with coronary artery disease: a pooled analysis underlying possible safety concerns. Eur Heart J Cardiovasc Pharmacother. 2021 Mar 13:pvab019. doi: 10.1093/ehjcvp/pvab019.

Auteurs

  • dr Rutger A. Middelburg, epidemioloog
  • Margriet H. Veerman, ziekenhuisapotheker, klinisch farmacoloog i.o.