Candesartan (Atacand®), angiotensine II-antagonist

In deze rubriek worden nieuwe geneesmiddelen besproken, kort nadat ze in de handel zijn gebracht. Van sommige producten kan de plaatsbepaling slechts voorlopig zijn omdat nog relatief weinig bekend is over de veiligheid en effectiviteit. Toch menen we dat een vroeg commentaar van belang kan zijn voor de praktijk. Wanneer na verloop van tijd nieuwe gegevens daartoe aanleiding geven komen we op de eerste bespreking terug.
De prijzen zijn berekend aan de hand van de KNMP-taxe van april 1998, inkoopprijzen excl. BTW, tenzij anders aangegeven.

Candesartan
Atacand® (Astra Pharmaceutica BV)
Tablet 4, 8 en 16 mg

angiotensine II-antagonist

Candesartan is, na losartan, valsartan en irbesartan, als vierde angiotensine II-antagonist in de handel gekomen. Ook dit middel is geregistreerd voor de behandeling van 'essentiële hypertensie'. Volgens de fabrikant is candesartan de eerste niet-competitieve angiotensine II-antagonist, en zou die eigenschap het voordeel hebben van een sterke werking op de korte termijn en van een blijvende effectiviteit op de lange termijn. Enige betekenis voor de praktijk is tot nu toe echter niet aangetoond.
Er zijn drie onderzoeken gepubliceerd waarin het middel is vergeleken met zowel een ander antihypertensivum als met placebo.1-3 In het eerste onderzoek bij 337 patiënten verlaagde candesartan 8 mg/dag in acht weken de verhoogde diastolische bloeddruk even sterk als losartan 50 mg/dag.1 Het tweede onderzoek omvatte 227 patiënten. Na acht weken was bij hen de verhoogde bloeddruk met candesartan 4-8 mg/dag even sterk gedaald als met enalapril 10-20 mg/dag.2 Na vier weken bleek met candesartan echter vaker een verdubbeling van de dosering nodig (36% vs. 28%).2 Het derde onderzoek, bij 335 patiënten, duurde 12 weken. In die tijd nam de verhoogde bloeddruk met candesartan 8 mg/dag even sterk af als met enalapril 10 mg/dag.3 Net zomin als voor de andere angiotensine II-antagonisten, is voor candesartan bij hypertensie een effect op de mortaliteit of de morbiditeit aangetoond. Overigens werd vorig jaar een proefonderzoek met candesartan bij hartfalen gestaakt, nadat een interim-analyse een oversterfte had laten zien.4
De bovengenoemde onderzoeken zijn zo summier in een tijdschriftsupplement beschreven, dat precieze informatie over de bijwerkingen ontbreekt. Opvallende verschillen in het bijwerkingenprofiel tussen candesartan en losartan of enalapril werden niet gemeld. Volgens de registratietekst zijn de bijwerkingen 'mild, voorbijgaand van aard en vergelijkbaar met placebo'. Dat is echter gebaseerd op klinisch onderzoek met in totaal 1.388 patiënten, die maximaal acht weken werden behandeld. Bovendien kwam rugpijn met candesartan significant vaker (3%) voor dan met placebo (1%).5 In een open onderzoek zijn gedurende één jaar gemeld: bronchitis (10%), rugpijn (8%), bovenste luchtweginfecties (6%), influenza (6%), hoofdpijn (5%), duizeligheid (5%) en gastro-enteritis (5%).6 Bij minder dan 2% kwamen verkoudheid, misselijkheid, hoesten of vermoeidheid voor.6 Verhoogde ALAT-waarden traden met candesartan (1,3%) iets vaker op dan met placebo (0,5%). Het gebruik is gecontraïndiceerd bij ernstige leverinsufficiëntie en/of cholestasis. Candesartan mag, evenals de ACE-remmers en de andere angiotensine II-antagonisten, niet worden toegepast tijdens zwangerschap en lactatie.

Plaatsbepaling

De vierde angiotensine II-antagonist candesartan verlaagt in een dosering van 8 mg/dag een verhoogde bloeddruk even sterk als losartan 50 mg/dag en enalapril 10 mg/dag, terwijl onduidelijk is of er significante verschillen in bijwerkingen zijn. Over het effect op de morbiditeit en mortaliteit is niets bekend. Er is nog te weinig, te summier beschreven, onderzoek gepubliceerd om dit middel voor te gaan schrijven.


<hr />


1. Andersson OK et al. J Hum Hypertens 1997; 11 (suppl. 2): S63-64.
2. Zanchetti A et al. J Hum Hypertens 1997; 11 (suppl. 2): S57-59.
3. Franke H. J Hum Hypertens 1997; 11 (suppl. 2): S61-62.
4. Tsuyuki RT et al. Can J Cardiol 1997; 13: 1166-1174.
5. Belcher G et al. J Hum Hypertens 1997; 11 (suppl. 2): S85-89.
6. Sever P et al. J Hum Hypertens 1997; 11 (suppl. 2): S69-73.