In het kort Artikel

Bijwerkingen van vaccins signaleren


Vaccins worden toegediend aan gezonde mensen om ziekte te voorkomen. Daarom is er een extra kritische houding ten aanzien van mogelijke bijwerkingen. Door de onvermijdelijk relatief beperkte omvang en duur van pre-registratieonderzoek van vaccins, worden zelden voorkomende en late bijwerkingen soms niet opgemerkt. Om bijwerkingen zo spoedig mogelijk na registratie op te sporen, wordt veel moeite en aandacht gegeven aan passieve rapportagesystemen, en aan grote databanken met medische gegevens waarmee farmaco-epidemiologisch onderzoek kan worden gedaan. Over het algemeen lijken de bijwerkingen van in het verleden geregistreerde vaccins beperkt en niet ernstig.

  • Door de relatief beperkte omvang van het pre-registratieonderzoek kunnen zelden voorkomende bijwerkingen van vaccins worden gemist.
  • Veel aandacht wordt besteed aan systemen om na registratie bijwerkingen op te sporen zoals passieve rapportagesystemen en grote databanken met medische gegevens voor farmaco-epidemiologisch onderzoek.
  • Bijwerkingen van in het verleden goedgekeurde vaccins lijken over het algemeen beperkt en mild.

Vaccins worden toegediend aan veelal gezonde kinderen en volwassenen en daarom wordt een hogere standaard van veiligheid verwacht dan bij andere medische behandelingen.1 Voor acceptatie speelt ook de kennis van de ernst van de ziekte een belangrijke rol. Van een vaccin tegen pokken bijvoorbeeld zullen meer en ernstiger bijwerkingen worden geaccepteerd dan van een vaccin tegen influenza. De kennis over ziekten waartegen vaccins beschermen is bij de patiënten meestal gering. De persoon die wordt ingeënt heeft deze ziekte immers nog niet en door effectieve bescherming door vaccinatie zal die ziekte ook veel minder voorkomen en minder bekend zijn. Evenals bij geneesmiddelen wordt de veiligheid van een vaccin onderzocht en beoordeeld voor het op de markt wordt toegelaten, en ook na registratie worden de bijwerkingen gemonitord.

Nieuwe vaccins moeten net zoals geneesmiddelen voordat ze kunnen worden voorgeschreven en gebruikt, worden goedgekeurd door registratieautoriteiten zoals het EMA en de Food and Drug Administration (FDA). Naast de effectiviteit wordt ook de veiligheid van vaccins onderzocht in de verschillende fasen in het registratieonderzoek. Fase 1 betreft onderzoek bij een zeer beperkt aantal (enkele tientallen) gezonde vrijwilligers om met name de veiligheid te onderzoeken. Alleen zeer vaak voorkomende bijwerkingen zullen hier worden opgemerkt. 

In fase 2-onderzoek worden gewoonlijk enkele honderden mensen geïncludeerd en worden verschillende samenstellingen en doseringen getest. Deze fase levert onder andere gegevens op over de invloed van de hoeveelheid antigeen, exacte samenstelling, opeenvolging van doses en het profiel van de meest voorkomende bijwerkingen. Deze gegevens vormen de basis voor de keuze van de samenstelling en dosering die in fase 3 worden onderzocht. 

De omvang van fase 3-onderzoeken is veel groter: enkele (tien)duizenden deelnemers. Het onderzoek is geblindeerd en er is een controlegroep die placebo krijgt. Door het vaccin te vergelijken met een placebo is, naast de effectiviteit, een indruk te krijgen van de hoeveelheid, soort en ernst van de bijwerkingen.2 Informatie over deze in het registratieonderzoek gevonden bijwerkingen is openbaar toegankelijk en terug te vinden op de internetsite van het EMA in de zogenaamde ‘Summary of Product Characteristics’ (SmPC).3

De praktische omvang van de registratiestudies beperkt de mogelijkheid tot het ontdekken van minder vaak voorkomende bijwerkingen. Als vuistregel kan de ‘regel van drie’ een ruwe schatting geven van de statistische zeggingskracht (ofwel power) van een onderzoek om een bijwerking te ontdekken. De kans op een bijwerking die nog niet is voorgekomen in een groep van n patiënten komt ongeveer overeen met 3/n. Dit betekent bijvoorbeeld dat wanneer de bijwerking bij één op de 5.000 patiënten voorkomt ten minste 15.000 patiënten gevolgd zouden moeten worden om met 95% zekerheid één geval te ontdekken.1,4


Het systeem voor onderzoek naar bijwerkingen na registratie van vaccins vertoont grote gelijkenis met farmacovigilantie, het systeem voor onderzoek naar bijwerkingen van geneesmiddelen. In 2017 verscheen in het Ge-Bu een uitgebreid artikel over de registratie van bijwerkingen van geneesmiddelen.5

Passieve rapportagesystemen

Passieve rapportagesystemen vormen de hoeksteen bij de registratie van bijwerkingen, mede door de relatief lage kosten. Bij passieve rapportagesystemen worden spontane meldingen van patiënten en zorgverleners verzameld. Nationaal kan een dergelijke rapportage via dezelfde kanalen lopen als bijwerkingen van geneesmiddelen. Het Nederlandse bijwerkingencentrum Lareb verzamelt informatie en meldingen over bijwerkingen van geneesmiddelen en vaccins in Nederland. De rapporten van Lareb ’Meldingen van bijwerkingen van Rijksvaccinatieprogramma’ zijn voor iedereen toegankelijk via hun website.6 Alle Europese landen hebben dergelijke passieve rapportagesystemen. De Verenigde Staten (VS) heeft het ‘Vaccine Adverse Events Reporting System’ (VAERS). 

Om uitwisseling te vergemakkelijken zijn gestandaardiseerde definities van bijwerkingen van vaccins opgesteld tijdens de ‘International Conference on Harmonization’ en door de ‘Brighton Collaboration’.7,8 Inherent aan passieve rapportagesystemen zijn een aantal zwakke punten zoals onderrapportage, rapportagebias en onvolledige rapportage (http://www.minerva-ebm.be/Results/Glossary/1662). 

Een belangrijk methodologisch zwak punt van passieve rapportagesystemen is dat de informatie ongeschikt is voor epidemiologisch onderzoek. Voor epidemiologisch onderzoek naar bijvoorbeeld de incidentie, moet de hoeveelheid bijwerkingen onder gevaccineerden kunnen worden vergeleken met de mate waarin deze bijwerkingen voorkomen onder niet-gevaccineerden. Omdat het niet zeker is dat alle bijwerkingen van een vaccin daadwerkelijk zullen worden herkend, kan ook nooit met zekerheid worden gezegd dat een bepaald type bijwerking niet voorkomt bij een vaccin. De bewijskracht die van meldingen uitgaat, is vaak beperkt. Daarom is meestal aanvullende informatie nodig en zal een ander type onderzoek moeten worden gedaan om een oorzakelijk verband daadwerkelijk aan te tonen. 

Oorzakelijk verband

Bij meldingen over bijwerkingen is het lastig om vast te stellen of er een oorzakelijk verband ofwel causaliteit is. De criteria voor de beoordeling van het causale verband die de epidemioloog en statisticus Bradford Hill formuleerde kunnen hier bij behulpzaam zijn (http://www.minerva-ebm.be/Results/Glossary/1911). Er zijn een aantal methoden ontwikkeld waarmee vastgesteld kan worden in hoeverre een bepaald klinisch beeld ook inderdaad een bijwerking betreft:9 

1) Een algoritme: een aantal vragen, waarbij op basis van de scores op de vragen een uitspraak wordt gedaan ten aanzien van de waarschijnlijkheid. Een voorbeeld is de Naranjo-score.10 

2) De mening van experts: de WHO heeft een hierop gebaseerd model voor bijwerkingen vaccins ontwikkeld.11 

3) De derde methode is gebaseerd op een Bayesiaanse benadering.9 Bij deze benadering wordt op basis van epidemiologische gegevens berekend welke kans bestond op het ontstaan van een klacht of aandoening vóór het gebruik van het geneesmiddel. Vervolgens wordt een achterafkans bepaald waarbij deze achtergrondinformatie wordt gecombineerd met informatie uit de specifieke casus. Met deze gegevens als basis wordt een inschatting gemaakt van de sterkte van het oorzakelijke verband tussen de ontstane bijwerkingen en het gebruik van een geneesmiddel.

Onlangs is Causdoc ontwikkeld, een combinatie van methode 1 en 2 voor geneesmiddelen en vaccins.12

Databanken met medische gegevens

Gezien de beperkingen van de passieve rapportagesystemen zijn farmaco-epidemiologen gebruik gaan maken van grote gegevensbestanden.13 Dat kunnen bijvoorbeeld bestanden zijn van geneesmiddelen die in de apotheek zijn afgeleverd of bestanden met diagnoses en behandelingen bij de huisarts of ziekenhuizen. Deze databanken kunnen informatie bevatten over patiëntkarakteristieken, medische diagnoses, medicatiegebruik en soms ook overige gegevens zoals lichaamsgewicht, roken en alcoholgebruik. In Nederland kennen we onder meer het ‘PHARMO Database Network’. Oorspronkelijk begonnen met apotheekbestanden omvat het nu ook bestanden van medische behandelingen bij de huisarts of in de tweede lijn. Een ander voorbeeld is de ‘Clinical Practice Research Datalink’ (CPRD). Deze databank bevat gegevens van de eerstelijnsgezondheidszorg in het Verenigd Koninkrijk.14 Een derde voorbeeld is het ‘Danish National Health Service Register’ (NHSR). Databanken kunnen worden gebruikt om veiligheid van vaccins te onderzoeken.15 In de VS is in 1990 het project ‘Vaccine Safety Datalink’ (VSD) gestart door het ‘Centers for Disease and Prevention Control’ (CDC).16

Dit soort gegevensbestanden kan tot miljoenen patiënten omvatten. Doordat de gegevens routinematig worden verzameld in het kader van de reguliere gezondheidszorg, is het gevaar van onderrapportage en recall-bias verminderd (http://www.minerva-ebm.be/Results/Glossary/1667). Een beperking is dat de patiënten door onder andere geografische en sociaal-economische verschillen niet altijd representatief zijn voor de totale bevolking. Bovendien zijn bij een hoge vaccinatiegraad in verhouding minder niet-gevaccineerde patiënten beschikbaar.


Ondanks de grote successen van de vaccinatieprogramma’s voor de volksgezondheid is er onder de bevolking een toenemende verminderde bereidheid om zich te laten vaccineren mede vanwege zorgen over bijwerkingen. Vaccinatie wordt soms als onnodig en zelfs gevaarlijk beschouwd.17,18 In de huidige tijd, waarin de legitimiteit van wetenschap, expertise en medische autoriteit steeds meer ter discussie staat, wordt de relevantie van vaccinatie sneller in twijfel getrokken. Het traditionele gezag van de dokter ten aanzien van de patiëntenzorg is verschoven naar een gedeelde besluitvorming tussen zorgverleners en patiënten. Antivaccinatie-activisten spelen via internet ook een rol in de informatievoorziening.19 Mede daardoor bestaan er een aantal controversen rondom bijwerkingen van vaccins (zie Achtergrondinformatie).


Onderzoek naar door de FDA goedgekeurde vaccins

Een cohortstudie includeerde 57 tussen 1996 en 2015 door de FDA goedgekeurde vaccins.20 De oorspronkelijke goedkeuring was bij 53 van de vaccins (93%) gebaseerd op gerandomiseerde onderzoeken met een mediane omvang van 4.161 deelnemers (interkwartielafstand 2.204 tot 8.634).

In de onderzoeksperiode na registratie zijn de bijsluiters van 25 vaccins 58 maal gewijzigd in verband met ontwikkelingen rondom de veiligheid. De wijzigingen betroffen 49 maal waarschuwingen en voorzorgen, 8 contra-indicaties, en eenmaal terugtrekking om veiligheidsredenen. 55 wijzigingen betroffen extra veiligheidsinformatie en 3 betroffen schrappen van eerder opgenomen waarschuwingen en voorzorgen. De mediane tijd van registratie tot wijziging was 5 jaar. Het aantal wijzigingen in verband met de veiligheid was over de jaren heen stabiel. 6 vaccins werden teruggetrokken om commerciële redenen.

De meest voorkomende reden voor een wijziging van de bijsluiter van vaccins was uitbreiding van de populatierestricties. In 21 gevallen (36%) werd de populatie uitgebreid waarin het vaccin niet mag worden gebruikt. Het ging hierbij om immuungecompromitteerde patiënten (9 wijzigingen), specifieke pre-existente medische afwijkingen (5 wijzigingen), prematuren (4 wijzigingen) en zwangerschap (3 wijzigingen). 13 (22%) wijzigingen vanwege allergieën hielden grotendeels verband met de latex bevattende verpakking (12 van de 13 wijzigingen, 92%). 12 (21%) waarschuwingen betroffen syncope na vaccinatie, 4 wijzigingen betroffen infectie door transmissie van verzwakt levend vaccin en 3 waarschuwingen betroffen neurologische complicaties. 2 waarschuwingen en een terugtrekking waren gerelateerd aan darminvaginatie (intussusceptie) bij een product van het rotavirusvaccin. Het bewuste vaccin werd binnen een jaar na registratie teruggetrokken op basis van deze veiligheidswaarschuwingen. Een beperking van de registratieonderzoeken was dat een gedeelte van de populatie niet wordt geïncludeerd in de onderzoeken, zoals immuungecompromitteerde patiënten, zwangere vrouwen, prematuren en patiënten met ernstige comorbiditeit. Ongeveer de helft van de wijzigingen heeft betrekking op deze subpopulaties.

De conclusie van het cohortonderzoek is dat de in deze periode van 20 jaar door de FDA goedgekeurde vaccins opmerkelijk veilig gebleken zijn.

Bijwerkingen vaccins bij massa-immunisatie

Bij immunisatiecampagnes waarbij veel mensen in een korte tijd worden gevaccineerd, is het van groot belang dat er een veiligheidssysteem operationeel is. Daarmee moeten potentiële veiligheidsproblemen snel op te sporen zijn zodat zo snel mogelijk actie kan worden ondernomen. Het is ook van belang dat de achtergrondincidentie van mogelijke bijwerkingen bekend is, om snel te kunnen evalueren of gerapporteerde bijwerkingen in hogere aantallen worden gemeld dan normaliter is te verwachten. Een goed voorbeeld is het vaststellen van achtergrondincidenties in het geval van de vaccins die werden gebruikt tijdens de H1N1-pandemie.21

Monitoren bijwerkingen vaccins tegen Mexicaanse griep

In november 2009 werd in Nederland een vaccinatiecampagne begonnen tegen influenza A (H1N1). Er werden twee vaccins met een versnelde registratieprocedure geregistreerd en deze zouden op grote schaal worden toegepast. Dit rechtvaardigde de noodzaak van een uitgebreide monitoring van de veiligheid na de registratie.22,23 Er werden van 1 november 2009 tot 1 maart 2010 7.534 meldingen van een of meer bijwerkingen ontvangen, die mogelijk gerelateerd waren aan de toediening van de vaccins. De conclusie was dat het profiel van de gerapporteerde bijwerkingen vergelijkbaar was met de informatie in de SmPC.


Controversen rondom bijwerkingen van vaccins

Een aantal belangrijke controversen die zijn ontstaan ten aanzien van bijwerkingen van vaccins zijn de volgende:24,25

  • mazelen, bof en rubellavaccin en autisme
  • thiomersal, een conserveermiddel op kwikbasis en het risico op neurologische ontwikkelingsstoornissen
  • vaccin-geïnduceerd Guillain-Barré-syndroom
  • vaccin-geïnduceerde auto-immuunziekten
  • veiligheid van het humaan papillomavirusvaccin
  • ziekten veroorzaakt door hulpstoffen op aluminiumbasis
  • te veel vaccins op jonge leeftijd.

Uit onderzoek blijkt dat er mogelijk een licht verhoogd risico is op Guillain-Barré-syndroom na griepvaccinatie maar minder groot dan het risico na een griepinfectie. Voor de andere veronderstelde bijwerkingen is geen bewijs gevonden.24,25


  1. Destefano F, Offit PA, Fisher A. Vaccine Safety. Plotkin's Vaccines. 2018;1584-1600.e10. doi:10.1016/B978-0-323-35761-6.00082-1
  2. RIVM. COVID-19-vaccinatie. Via: https://www.rivm.nl/covid-19-vaccinatie. Geraadpleegd op 22-11-2020.
  3. European Medicines Agency. Summary op Product Characteristics. Via: https://www.ema.europa.eu/en/glossary/summary-product-characteristics. Geraadpleegd op 22-12-2020
  4. Jacobson RM, Adegbenro A, Pankratz VS, Poland GA. Adverse events and vaccination - the lack of power and predictability of infrequent events in pre-licensure study. Vaccine. 2001 Mar 21;19(17-19):2428-33. doi: 10.1016/s0264-410x(00)00467-9.
  5. van Puijenbroek EP. Geneesmiddelen en bijwerkingen. Gebu. 2017;51(7):59-64.
  6. Bijwerkingencentrum Lareb. Jaarrapporten Vaccins. Via: https://www.lareb.nl/nl/pages/jaarrapporten-vaccins. Geraadpleegd op 4-12-2020
  7. Food and Drug Administration. International Conference on Harmonisation: guideline on clinical safety data management: periodic safety update reports for marketed drugs. Fed Regist. F1997;62:27470-27476.
  8. Bonhoeffer J, Kohl K, Chen R, Duclos P, Heijbel H, Heininger U, Jefferson T, Loupi E. The Brighton Collaboration: addressing the need for standardized case definitions of adverse events following immunization (AEFI). Vaccine. 2002 Dec 13;21(3-4):298-302. doi: 10.1016/s0264-410x(02)00449-8.
  9. Agbabiaka TB, Savovi? J, Ernst E. Methods for causality assessment of adverse drug reactions: a systematic review. Drug Saf. 2008;31(1):21-37. doi: 10.2165/00002018-200831010-00003.
  10. Bijl D. Naranjoscore: beoordeling oorzakelijk verband bijwerkingen. Gebu. 2011;45(11):132
  11. World Health Organization. Causality assessment of an adverse event following immunization (AEFI) Updated user manual for the revised WHO classification. Second edition 2019. Via: https://www.who.int/vaccine_safety/publications/CausalityAssessmentAEFI_EN.pdf?ua=1. Geraadpleegd op 21-12-2020
  12. Oosterhuis I, Zweers P, Rümke H, Muller-Hansma A, van Puijenbroek EP. A tailor-made approach for causality assessment for ADR reports on drugs and vaccines. Pharmacoepidemiol Drug Saf. 2019 Apr;28(4):544-550. doi: 10.1002/pds.4637.
  13. Verstraeten T, DeStefano F, Chen RT, Miller E. Vaccine safety surveillance using large linked databases: opportunities, hazards and proposed guidelines. Expert Rev Vaccines. 2003 Feb;2(1):21-9. doi: 10.1586/14760584.2.1.21.
  14. Clinical Practice research Datalink. Via: https://www.cprd.com/. Geraadpleegd op 05-12-2020
  15. Leite A, Thomas SL, Andrews NJ. Implementing near real-time vaccine safety surveillance using the Clinical Practice Research Datalink (CPRD). Vaccine. 2017 Dec 14;35(49 Pt B):6885-6892. doi: 10.1016/j.vaccine.2017.09.022.
  16. McNeil MM, Gee J, Weintraub ES, Belongia EA, Lee GM, Glanz JM, et al. The Vaccine Safety Datalink: successes and challenges monitoring vaccine safety. Vaccine. 2014 Sep 22;32(42):5390-8. doi: 10.1016/j.vaccine.2014.07.073.
  17. Dubé E, Laberge C, Guay M, Bramadat P, Roy R, Bettinger J. Vaccine hesitancy: an overview. Hum Vaccin Immunother. 2013 Aug;9(8):1763-73. doi: 10.4161/hv.24657.
  18. Olthuis G, Hanssen P, van Gurp J. Vaccinatieweigeraars De noodzaak van een verhalend weerwoord. Ned Tijdschr Geneeskd. 2018;162:D2151
  19. Kata A. Anti-vaccine activists, Web 2.0, and the postmodern paradigm--an overview of tactics and tropes used online by the anti-vaccination movement. Vaccine. 2012 May 28;30(25):3778-89. doi: 10.1016/j.vaccine.2011.11.112. 
  20. Tau N, Yahav D, Shepshelovich D. Postmarketing Safety of Vaccines Approved by the U.S. Food and Drug Administration : A Cohort Study. Ann Intern Med. 2020 Sep 15;173(6):445-449. doi: 10.7326/M20-2726
  21. Black S, Eskola J, Siegrist C et al. Importance of background rates of disease in assessment of vaccine safety during mass immunisation with pandemic H1N1 influenza vaccines. Lancet. 2009;374:2115–2122. Black S, Eskola J, Siegrist CA, Halsey N, MacDonald N, Law B, et al. Importance of background rates of disease in assessment of vaccine safety during mass immunisation with pandemic H1N1 influenza vaccines. Lancet. 2009 Dec 19;374(9707):2115-2122. doi: 10.1016/S0140-6736(09)61877-8. Erratum in: Lancet. 2010 Jan 30;375(9712):376.
  22. van Puijenbroek EP, van Grootheest AC. II. Registratie van bijwerkingen van vaccins tegen de Mexicaanse griep. Gebu. 2010;44(11):124-127
  23. van Puijenbroek EP, van Grootheest AC. Monitoring adverse events of vaccines against Mexican flu. Int J Risk Saf Med. 2011;23(2):81-7. doi: 10.3233/JRS-2011-0525.
  24. DeStefano F, Bodenstab HM, Offit PA. Principal Controversies in Vaccine Safety in the United States. Clin Infect Dis. 2019 Aug 1;69(4):726-731. doi: 10.1093/cid/ciz135.
  25. Spencer JP, Trondsen Pawlowski RH, Thomas S. Vaccine Adverse Events: Separating Myth from Reality. Am Fam Physician. 2017 Jun 15;95(12):786-794. PMID: 28671426.

Auteurs

  • dr Leo M.L. Stolk, ziekenhuispotheker n.p., klinisch farmacoloog n.p.