Antipsychotica bij de behandeling van psychoses, i.h.b. schizofrenie. I. Klinisch beeld, farmacologie en werkzaamheid


onder medeverantwoordelijkheid van de redactiecommissie

Het klassieke antipsychoticum haloperidol wordt beschouwd als het standaardmiddel voor de behandeling van acute psychoses. Met de komst van de nieuwe atypische antipsychotica doet de vraag zich voor of de werkzaamheid van deze middelen groter is dan die van haloperidol. In dit eerste van twee artikelen wordt het klinisch beeld van schizofrenie en de farmacologie van antipsychotica behandeld en wordt ingegaan op de werkzaamheid van antipsychotica. In het tweede deel komen bijwerkingen en interacties aan de orde en wordt een plaatsbepaling gegeven (Gebu 2003; 37: 93-101).

 


Terug naar boven

Antipsychotica zijn geregistreerd voor de behandeling van psychoses, dat wil zeggen toestandsbeelden gekenmerkt door hallucinaties en/of waanideeën. Bij verschillende ziektebeelden, zoals schizofrenie, stemmingsstoornissen en organische psychosyndromen, kunnen psychotische verschijnselen optreden. Ook kunnen antipsychotica geïndiceerd zijn zonder dat er sprake is van psychose, zoals ernstige onrust en manische toestandsbeelden.
Er is geen causale therapie voor schizofrenie. Het is vaak wel mogelijk om met antipsychotica de symptomen van een psychose effectief te behandelen. Daarnaast wordt in de behandeling aandacht besteed aan terugvalpreventie door uitlokkende factoren zo veel mogelijk tegen te gaan. Het bereiken van een duidelijke structuur in het dagelijks leven en het vermijden van cannabis en andere drugs zijn belangrijke aandachtspunten.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen zogenoemde ‘klassieke’ en ‘atypische’ antipsychotica (Gebu 1995; 29: 23-27). De term atypisch werd oorspronkelijk gebruikt voor stoffen die in proefdieronderzoek een antipsychotisch werkingsprofiel toonden, maar geen catalepsie gaven. In de kliniek hanteert men de term atypisch voor die antipsychotica die minder extrapiramidale bijwerkingen geven of voor stoffen die effectiever zijn tegen depressieve, negatieve of cognitieve symptomen dan de klassieke middelen). Ook verwijst men met atypisch naar een afwijkend farmacologisch profiel. Geen van deze definities is geheel bevredigend. Bovendien is het onderscheid tussen klassiek en atypisch niet absoluut. In dit artikel worden de volgende middelen als atypische antipsychotica beschouwd: clozapine, olanzapine, quetiapine, risperidon, sertindol (waarvan de registratie in 1999 was geschorst, maar inmiddels onder bepaalde voorwaarden weer beschikbaar is in Nederland (Gebu 2003; 37: 34) en sulpiride (zie voor overzicht klassieke en atypische middelen de tabel met stof- en merknamen). Het primaire indicatiegebied van atypische antipsychotica is schizofrenie.
In dit eerste deel van twee artikelen over antipsychotica zal worden ingegaan op het klinisch beeld van schizofrenie, farmacologie, middelen en voorschriften en de werkzaamheid van de klassieke en atypische antipsychotica bij de behandeling van schizofrenie. In het tweede deel zal de balans van werkzaamheid en bijwerkingen van antipsychotica worden opgemaakt en een plaatsbepaling worden gegeven.

 


Terug naar boven

Schizofrenie is een klinisch syndroom dat wordt gekenmerkt door het voorkomen van psychotische episoden, bizar gedrag en incoherent denken (de zgn. 'positieve' symptomen), vervlakking van affect, apathie, anhedonie, sociale teruggetrokkenheid, verarming van spraak en denken (de zgn. 'negatieve' symptomen, zie kader).

DSM IV-criteria voor schizofrenie.2

A. Kenmerkende symptomen.
Twee (of meer) van de volgende symptomen dienen elk gedurende één maand een belangrijk deel van de tijd aanwezig te zijn (of korter bij succesvolle behandeling):
1. wanen
2. hallucinaties 
3. onsamenhangende spraak (bv. frequent de draad kwijtraken of incoherentie)
4. ernstig chaotisch of catatonisch gedrag
5. negatieve symptomen, d.w.z. vervlakking van het affect, gedachte- of spraakarmoede of apathie    
NB. Slechts één symptoom uit criterium A wordt vereist indien de wanen bizar zijn of de hallucinaties bestaan uit een stem die voortdurend commentaar levert op het gedrag of de gedachten van betrokkene, of twee of meer stemmen die met elkaar spreken.
B. Sociaal/beroepsmatig dysfunctioneren.
Vanaf het begin van de stoornis ligt het functioneren, voor een belangrijk deel van de tijd, op een of meer terreinen, zoals werk, relaties of zelfverzorging, duidelijk onder het niveau dat voor het begin van de stoornis werd bereikt. Indien het begin in de kinderleeftijd of adolescentie ligt, is het niet gelukt het niveau te bereiken dat op het gebied van relatie, opleiding of beroep kon worden verwacht.
C. Duur.
Symptomen van de stoornis zijn gedurende ten minste zes maanden ononderbroken aanwezig. In deze periode van zes maanden moeten er ten minste één maand symptomen aanwezig zijn die voldoen aan criterium A [d.w.z. symptomen uit de actieve fase] en kunnen er perioden voorkomen met symptomen met prodromale of restsymptomen. Gedurende deze prodromale of restperiode kunnen de symptomen van de stoornis zich beperken tot negatieve symptomen of tot twee of meer symptomen van criterium A in een lichte vorm (bv. vreemde overtuigingen, ongewone zintuiglijke ervaringen).
D. Uitsluiting van schizo-affectieve of stemmingsstoornissen.
Een schizo-affectieve stoornis en een stemmingsstoornis met psychotische kenmerken zijn uitgesloten.
E. Uitsluiting van het gebruik van middelen of een somatische aandoening.
De stoornis is niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel (bv. drug of geneesmiddel) of een somatische aandoening.
F. Samenhang met een pervasieve ontwikkelingsstoornis.
Indien er een voorgeschiedenis is met een autistische stoornis of een andere pervasieve ontwikkelingsstoornis wordt de aanvullende diagnose schizofrenie alleen gesteld indien er gedurende ten minste één maand (of korter indien met succes behandeld) opvallende wanen of hallucinaties zijn. 

Daarnaast is er een terugval in het sociaal en cognitief functioneren. In het algemeen kan worden gesteld dat positieve symptomen tegenwoordig goed behandelbaar zijn, maar dat de negatieve symptomen veel moeilijker zijn te bestrijden.
Tijdens een psychose raakt een patiënt het contact met de werkelijkheid kwijt: de patiënt kan stemmen horen, vreemde gezichten zien of andere hallucinaties krijgen. Daarnaast kan ook de gedachtegang zijn gestoord, hetgeen kan leiden tot paranoïde wanen, bijvoorbeeld het idee om te worden bespied of vergiftigd. Kenmerkend voor met name chronische schizofreniepatiënten is het optreden van sociale isolatie en zelfverwaarlozing.
Schizofrenie openbaart zich doorgaans tijdens de vroege volwassenheid. Vaak blijkt de patiënt zich in de jaren voorafgaand aan de eerste psychose in toenemende mate te hebben afgezonderd of een verminderde belangstelling te hebben getoond voor school, werk of sociale contacten. Schizofrenie is een chronische aandoening met een wisselend langetermijnbeloop: bij sommige patiënten komt de ziekte vrijwel in remissie, terwijl veel patiënten chronisch afhankelijk blijven van zorg. De prevalentie van schizofrenie in Nederland wordt geschat op 6-7,5/1.000 personen, hetgeen neerkomt op ongeveer 100.000 patiënten.1 Er is een hoog suïciderisico dat wordt geschat op 15%.
De oorzaak van schizofrenie is onbekend. Gezien de grote variatie in de ziektepresentatie en prognose binnen de patiëntenpopulatie lijkt een eenduidige etiologie niet voor de hand liggend. Het ontstaan wordt meestal verklaard door een combinatie van genetische predispositie en omgevingsfactoren, zoals psychische traumata, infecties en drugsgebruik (vooral cannabis).

 




1. Hoek, HW, Oel CJ van. Epidemiologie van schizofrenie. In: Den Boer JA, Bosch RJ van den (red.). Leerboek schizofrenie; een neurobiologische benadering. Utrecht: De Tijdstroom, 1996.
2. American Psychiatric Association. Diagnostic and statistical manual of mental disorders. DSM-IV. Washington: APA, 1994.
3. Stahl SM. Psychopharmacology of antipsychotics. London: Martin Duitz, 1999.
4. Harten PN van. Bewegingsstoornissen door antipsychotica: diagnostiek en behandeling. Amsterdam: Boom, 2000.
5. Kapur S, Seeman P. Does fast dissociation from the dopamine (D)2 receptor explain the action of atypical antipsychotics? A new hypothesis. Am J Psychiatry 2001, 50: 360-369.
6. Kane JM, Eerdekens M, Lindenmayer JP, Keith SJ, Lesem M, Karcher K. Long-acting injectable risperidone: efficacy and safety of the long-acting atypical antipsychotic. Am J Psychiatry 2003; 160: 1125-1132.
7. Eijgelshoven M, Vries M de, Schutte K, Groot F de. Inventarisatie van het gebruik van antipsychotica. Amstelveen: College voor zorgverzekeringen, 2002.
8. Kay SR, Fiszbein A, Opler LA. The Positive And Negative Syndrome Scale (PANSS) for schizophrenia. Schizophr Bull 1987; 13: 261-276.
9. Overall JE, Gorham DR. The brief psychiatric rating scale. Psychological Reports 1962; 10: 799-812.
10. Geddes J, Freemantle N, Harrison P, Bebbington P. Atypical antipsychotics in the treatment of schizophrenia: systematic overview and meta-analysis. BMJ 2000; 321: 1371-1376.
11. Burg W van den. De (in)effectiviteit van psychofarmaca. Directieve Therapie 1998; 18: 6-68.
12. Joy CB, Adams CE, Lawrie SM. Haloperidol versus placebo for schizophrenia. Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 2.
13. Thornley B, Adams CE, Awad G. Chlorpromazine versus placebo for schizophrenia. Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 2.
14. Sultana A, McMonagle T. Pimozide for schizophrenia or related psychoses. Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 2.
15. Sultana A, Reilly J, Fenton M. Thioridazine for schizophrenia. Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 2.
16. Fenton M, Coutinho ESF, Campbell C. Zuclopenthixol acetate in the treatment of acute schizophrenia and similar serious mental illnesses. Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 2.
17. Quraishi S, David A, Adams CE. Depot bromperidol decanoate for schizophrenia. Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 2.
18. David A, Quraishi S. Depot perphenazine decanoate and enanthate for schizophrenia. Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 2.
19. Quraishi S, David A. Depot pipothiazine palmitate and undecylenate for schizophrenia. Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 2.
20. Quraishi S, Davis A, Adams CE. Depot fluspirilene for schizophrenia. Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 2.
21. Leucht S, Hartung B. Benperidol for schizophrenia. Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 2.
22. Kane JM. Pharmacologic treatment of schizophrenia. Biol Psychiatry 1999; 46:1396-1408.
23. Richtlijncommissie Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. Richtlijn antipsychoticagebruik bij schizofrenie en psychosen. Amsterdam: Boom, 1998.
24. Duggan L, Fenton M, Dardennes RM, El-Dosoky A, Indran S. Olanzapine for schizophrenia. Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 2.
25. Srisurapanont M, Disayanish C, Taimkaew K. Quetiapine for schizophrenia. Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 2.
26. Lewis R, Bagnall A-M, Leitner M. Sertindole for schizophrenia. Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 2.
27. Soares BGO, Fenton M, Chue P. Sulpiride for schizophrenia (Cochrane review). Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 2.
28. Woods SW, Stolar M, Sernyak MJ, Charney DS. Consistency of atypical antipsychotic superiority to placebo in recent clinical trials. Biol Psychiatry 2001; 49: 64-70.
29. Tuunainen A, Wahlbeck K, Gilbody SM. Newer atypical antipsychotic medication versus clozapine for schizophrenia. Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 2.
30. Gilbody SM, Bagnall AM, Duggan L, Tuunainen A. Risperidone versus other atypical antipsychotic medication for schizophrenia. Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2002: issue 2.
31. Wahlbeck K, Cheine M, Essali MA. Clozapine versus typical neuroleptic medication for schizophrenia. Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2002: issue 2.
32. Kennedy E, Song F, Hunter R, Clarke A, Gilbody S. Risperidone versus typical antipsychotic medication for schizophrenia. Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 2.
33. Bollini P, Pampallona S, Orza MJ, Adams ME, Chalmers TC. Antipsychotic drugs: is more worse? A meta-analysis of the published randomized control trials. Psychol Med 1994; 24: 307-316.
34. Oliveira IR de, Miranda-Scippa AMA, Sena EP de, Pereira ELA, Ribiero MG, Castro-e-Silva E, et al. Risperidone versus haloperidol in the treatment of schizophrenia: a meta-analysis comparing their efficacy and safety. J Clin Pharm Ther 1996; 21: 349-358.
35. Srisurapanont M, Maneeton N. Comparison of the efficacy and acceptability of atypical antipsychotic drugs: a meta-analysis of randomized, placebo-controlled trials. J Med Assoc Thai 1999; 82: 341-346.
36. Leucht S, Pitschel-Walz G, Abraham D, Kissling W. Efficacy and extrapyramidal side-effects of the new antipsychotics olanzapine, quetiapine, risperidone, and sertindole compared to conventional antipsychotics and placebo. A meta-analysis of randomized controlled trials. Schizophrenia Research 1999; 35: 51-68.
37. Davis JM, Chen N, Glick ID. A meta-analysis of the efficacy of second-generation antipsychotics. Arch Gen Psychiatry 2003; 60: 553-564.
38. Chakos M, Lieberman J, Hoffman E, Bradford D, Sheitman B. Effectiveness or second-generation antipsychotics in patients with treatment-resistent schizophrenia: a review and meta-analysis of randomized trials. Am J Psychiatry 2001; 158: 518-526.
39. Moncrieff J. Clozapine v. conventional antipsychotic drugs for treatment-resistant schizophrenia: a re-examination. Br J Psychiatry 2003; 183: 161-166.
40. Leucht S, Barnes TRE, Kissling W, Engel RR, Correll C, Kane JM. Relapse prevention in schizophrenia with new-generation antipsychotics: a systematic review and exploratory meta-analysis of randomized, controlled trials. Am J psychiatry 2003; 160: 1209-1222.
41. Gilbert PL, Harris JH, McAdams LA, Jeste DV. Neuroleptic withdrawal in schizophrenic patients. Arch Gen Psychiatry 1995; 52: 173-188.
42. Barbui C, Saraceno B, Liberati A, Garattini S. Low-dose neuroleptic therapy and relapse in schizophrenia: meta-analysis of randomized controlled trials. Eur Psychiatry 1996; 11: 306-313.
43. Sharma T, Harvey P. Cognition in Schizophrenia. Impairments, importance and treatment strategies. New York: Oxford University Press, 2000.
44. Arunpongpaisal S, Ahmed I, Aqeel N, Suchat P. Antipsychotic drug treatment for elderly people with late-onset schizophrenia. Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 2.   

Auteurs

  • drs K.P. Grootens, dr R.J. Verkes, drs D. Bijl