Anti-epileptica: therapiekeuze sinds de komst van nieuwe middelen


onder medeverantwoordelijkheid van de redactiecommissie

Van de patiënten met epilepsie reageert zo’n 50% goed op het eerste middel dat hen (als monotherapie) wordt voorgeschreven en zij zijn aanvalsvrij met geen tot acceptabele bijwerkingen. De anti-epileptica die de afgelopen 12 jaar zijn geïntroduceerd, hebben hierin geen verandering gebracht. Er zijn beperkte aanwijzingen dat het bijwerkingenprofiel van een aantal nieuwe middelen gunstiger is dan dat van sommige conventionele middelen. Van patiënten bij wie aanvallen blijven optreden bij het eerste middel of die met dit middel stoppen vanwege bijwerkingen, wordt uiteindelijk nog ongeveer 20-30% aanvalsvrij (in totaal dus 70%-80%). Het is onduidelijk in hoeverre dit percentage zou kunnen worden verhoogd door het gebruik van de nieuwe anti-epileptica en/of door het gebruik van effectieve combinaties (Gebu 2003; 37: 47-56).

 


Epilepsie is een verzamelnaam voor een grote groep syndromen die epileptische aanvallen als gemeenschappelijk kenmerk hebben. Men spreekt van epilepsie als een persoon minstens twee niet-geprovoceerde epileptische aanvallen binnen een zeker tijdsbestek heeft gehad. De incidentie van epilepsie als geheel bedraagt ongeveer 80 gevallen per 100.000 inwoners per jaar en de prevalentie is ongeveer 5-10 gevallen per 1.000 inwoners.1 Een eenmalige epileptische aanval overkomt ongeveer 20 per 100.000 mensen elk jaar. Deze mensen hebben dus maar één aanval in hun leven.1 In dat geval spreekt men niet van epilepsie. Bij sommige mensen is epilepsie een levenslange aandoening en bij anderen een tijdelijke.
Anti-epileptica worden ingezet om de epileptische aanvallen te onderdrukken, waarbij het doel is patiënten aanvalsvrij te krijgen. In de laatste 12 jaar zijn er verscheidene nieuwe anti-epileptica geïntroduceerd. Dit was een gewenste ontwikkeling, omdat er in de 20 jaar daarvoor geen belangrijke nieuwe middelen aan het arsenaal waren toegevoegd. Met mono- of combinatietherapie van de conventionele middelen carbamazepine, fenobarbital, fenytoïne, primidon en valproïnezuur wordt weliswaar 70% van de patiënten aanvalsvrij,2 maar bij een aanzienlijk deel blijven aanvallen optreden en/of komen er bijwerkingen voor.
Patiënten met specifieke vormen van therapieresistente epilepsie kunnen in aanmerking komen voor epilepsiechirurgie.3 4 Een andere mogelijkheid is tegenwoordig de nervus vagusstimulator, die bij patiënten met therapieresistente lokalisatiegebonden epilepsie onderhuids kan worden geïmplanteerd en die door elektrische stimulatie van de nervus vagus epileptische aanvallen remt of onderdrukt.5 6
De middelen die in de laatste 12 jaar in Nederland zijn geregistreerd, zijn oxcarbazepine (Gebu 1991; 25: 26), vigabatrine (Gebu 1992; 26: 11-13), felbamaat (Gebu 1996; 30: 108-109), lamotrigine (Gebu 1997; 31: 7-8), topiramaat (Gebu 1999; 33: 98-99), gabapentine (Gebu 2000; 34: 98) en levetiracetam (Gebu 2001; 35: 115-116).
In dit artikel komen achtereenvolgens aan de orde: pathofysiologie en farmacologie, aanvalsbehandeling, basisprincipes onderhoudsbehandeling, werkzaamheid bij lokalisatiegebonden epilepsie, werkzaamheid bij gegeneraliseerde epilepsie, bijwerkingen, interacties en gebruik tijdens zwangerschap, en praktische overwegingen. Ten slotte volgt een plaatsbepaling.

 


Pathofysiologie. Het proces dat leidt tot een epileptische aanval is slechts voor een deel opgehelderd.7 In het begin van een lokalisatiegebonden aanval is er sprake van synchrone ontladingen (depolarisaties) van een groep bijeengelegen hersencellen, hetgeen leidt tot een aanvalsuiting in het lichaamsdeel dat correspondeert met deze groep hersencellen. Deze depolarisaties kunnen zich over de hersenen uitbreiden ofwel generaliseren. Het ontstaan van synchrone depolarisaties is afhankelijk van bepaalde veranderingen in ionkanalen en receptoren. Bij gegeneraliseerde absence-epilepsie zijn depolarisaties in bepaalde cellen in de thalamus verantwoordelijk voor de aanvallen.

 



De meeste aanvallen eindigen spontaan binnen vijf minuten en hierbij is geen medicamenteuze behandeling nodig. Indien een aanval echter langer duurt, kan men het volgende stappenplan gebruiken.19
Stap 1. 
Rectale toediening van diazepam (rectiole). Bij patiënten met bekende epilepsie zullen ouders, begeleiders en verzorgers vaak al een rectiole hebben toegediend. Tien tot vijftien minuten na toediening kan men een effect verwachten. Indien symptomen na 15 minuten persisteren, kan de toediening worden herhaald. Alternatieven zijn midazolam of clonazepam in de wangzak.
Stap 2.  Parenterale toediening van een benzodiazepine. Hiervoor komen in principe drie middelen in aanmerking: midazolam intramusculair, diazepam intraveneus, en clonazepam intraveneus. In verband met het risico van ademhalingsdepressie bij toedienen van te grote hoeveelheden benzodiazepinen is het van belang om geïnformeerd te zijn over de totale hoeveelheid benzodiazepinen die zijn gebruikt als slaapmedicatie, sedativa of die door middel van rectioles zijn toegediend.
Wanneer diazepam intramusculair wordt toegediend, wordt het niet snel genoeg in de bloedbaan opgenomen. Midazolam en lorazepam zijn de enige benzodiazepinen waarvan is aangetoond dat zij effectief zijn via intramusculaire toediening voor het couperen van aanvallen.20 In Nederland wordt echter alleen gebruik gemaakt van midazolam, hoewel dit middel niet is geregistreerd voor de behandeling van epileptische aanvallen.20 De werking treedt in binnen 5-15 minuten na toediening.21 Het Informatorium Medicamentorum geeft overigens alleen voor kinderen een doseringsadvies en niet voor volwassenen.22
Stap 3.  Bij onvoldoende effect van de behandeling wordt de patiënt naar het ziekenhuis vervoerd, waar benzodiazepinen of fenytoïne continu intraveneus worden toegediend onder bewaking van ademhaling en circulatie, en zo nodig onder beademing.

 


Sinds eind jaren zeventig is het gebruikelijk bij de behandeling van epilepsie met één middel (monotherapie) te starten.19 23 Uit onderzoek is gebleken dat (de meeste) patiënten effectief met één middel kunnen worden behandeld. Wanneer een patiënt tegenwoordig met een anti-epilepticum start, wordt de dosering van het middel eerst langzaam verhoogd tot een lage onderhoudsdosering. Voor een belangrijk deel van de patiënten is een lage dosering al voldoende. Als de aanvallen bij een lage dosering onvoldoende worden onderdrukt en er geen bijwerkingen optreden, wordt de dosering van het middel verhoogd. Op deze manier kan de dosering van een middel stapsgewijs naar het maximum worden verhoogd. Indien een patiënt een middel niet goed verdraagt of wanneer een patiënt aanvallen blijft houden, ondanks een maximaal getolereerde dosering, wordt overgegaan op een ander middel als monotherapie. Aangezien het eerste middel niet abrupt mag worden gestaakt, zal het tweede middel worden toegevoegd aan het eerste. Hierbij beoordeelt men de werkzaamheid van de combinatie en kan men zodoende tot een eerste oordeel komen over de werkzaamheid van het tweede middel.19 24
Bij een goed effect van de combinatie, dient het eerste middel langzaam te worden verminderd en de toediening te worden gestaakt, omdat het goede effect wellicht geheel te danken is aan het toegevoegde middel.24 In de praktijk wordt dat niet altijd gedaan, omdat de patiënt en de arts de bereikte aanvalsvrijheid niet willen riskeren.25 Polytherapie komt echter in principe pas in aanmerking nadat twee of drie middelen als monotherapie zijn geprobeerd.9

 





Voordat men start met medicatie moet men de patiënt informeren over de kansen op aanvalsvrij worden en over de kans op bijwerkingen. Een patiënt met sporadische nachtelijke aanvallen kan er dan voor kiezen om niet te beginnen met medicatie, omdat het 's nachts aanvalsvrij worden niet opweegt tegen de mogelijke bijwerkingen overdag. Een patiënt die aanvalsvrij wil worden om op termijn weer te mogen autorijden, zal er juist voor kiezen om te beginnen met medicatie. Bij langdurige aanvalsvrijheid kan voor sommige patiënten het niet willen riskeren van de rijbevoegdheid een reden zijn om het gebruik van anti-epileptica te continueren.
Wanneer een patiënt langer dan twee jaar aanvalsvrij is, kan worden getracht de medicatie af te bouwen. In een gerandomiseerd onderzoek werden patiënten die ten minste twee jaar aanvalsvrij waren, gerandomiseerd naar een groep waarbij de medicatie werd onttrokken en naar een groep waarbij de medicatie werd gecontinueerd. Twee jaar later waren respectievelijk 59% en 80% van de patiënten nog steeds aanvalsvrij. Na deze twee jaar verminderden de verschillen in deze groepen echter.106 Het risico van aanvalsrecidieven is aan de hand van een aantal factoren te voorspellen, zoals de lengte van de aanvalsperiode en het aantal anti-epileptica dat is ingezet voordat de aanvallen onder controle kwamen.

 

Plaatsbepaling

Bij het bepalen van de keuze voor een bepaald anti-epilepticum zijn het aanvalstype en patiëntgebonden factoren, zoals leeftijd, comedicatie, lever- en nierfunctie en vatbaarheid voor bijwerkingen van belang. Deze kunnen aanleiding geven tot contra-indicaties (absoluut) dan wel waarschuwingen of voorzorgen bij gebruik (relatieve contra-indicaties) voor een bepaald middel.
In de praktijk wordt epilepsie stapsgewijs behandeld. Men begint met monotherapie, zo nodig gevolgd door add-on-therapie. Patiënten met moeilijk behandelbare epilepsie worden in de praktijk meestal met combinatietherapie behandeld.
Voor alle syndromen met lokalisatiegebonden epilepsie (partiële epilepsie) geldt als eerste keuze carbamazepine of valproïnezuur, waarbij carbamazepine mogelijk werkzamer is voor complex partiële aanvallen dan valproïnezuur. Vanwege het bijwerkingenprofiel worden deze middelen verkozen boven fenobarbital en fenytoïne. Verder zijn carbamazepine en valproïnezuur niet aantoonbaar werkzamer dan de nieuwe middelen bij deze patiënten, maar genieten zij de voorkeur vanwege de grote ervaring (en dus bewezen veiligheid) die met deze middelen is opgedaan en vanwege de lagere kosten. Ofschoon lamotrigine een vergelijkbare werkzaamheid heeft als carbamazepine en valproïnezuur, wordt het middel als tweede keuze beschouwd vanwege de kosten en onduidelijkheid over de langetermijnveiligheid. Bij jonge vrouwen kan men wel een voorkeur geven aan lamotrigine boven carbamazepine vanwege de verhoogde afbraak van orale anticonceptiva bij carbamazepinegebruik en boven valproïnezuur vanwege het voorkomen van het polycysteuze ovariumsyndroom bij het laatste middel. Middelen van tweede keuze zijn in alfabetische volgorde: clobazam, fenytoïne, gabapentine, lamotrigine, levetiracetam, oxcarbazepine en topiramaat. Er is onvoldoende vergelijkend onderzoek gepubliceerd om een plaatsbepaling van deze middelen bij de behandeling van epilepsie te geven. Clobazam kan vanwege mogelijke tolerantievorming beter worden gereserveerd voor het kortdurend opvangen van aanvalsexacerbaties. Een aantal andere middelen staat niet als tweedekeuzemiddel vermeld. Fenobarbital wordt vanwege de sterk sederende werking, de lange uitscheidingshalveringstijd en de kans op onttrekkingsinsulten vrijwel niet meer gebruikt als tweedekeuzemiddel. Aan het gebruik van primidon (ook een barbituraat) kleven dezelfde bezwaren. Het gebruik van vigabatrine en felbamaat bij lokalisatiegebonden epilepsie is vanwege de bijwerkingen sterk beperkt.
Valproïnezuur wordt in de praktijk het meest toegepast bij alle vormen van gegeneraliseerde epilepsie. De werkzaamheid van het middel is echter alleen in open onderzoek onderzocht en niet in gerandomiseerd dubbelblind onderzoek. Tweedekeuzemiddelen voor primair gegeneraliseerde tonisch-clonische aanvallen zijn carbamazepine, clobazam, fenytoïne en lamotrigine (alfabetische volgorde), waarbij van carbamazepine en fenytoïne bekend is dat absences en myoklonieën kunnen worden geprovoceerd. Bij falen van valproïnezuur bij absences of bij myoklonieën wordt in de praktijk gekozen voor clobazam, clonazepam, ethosuximide of lamotrigine (alfabetische volgorde), in monotherapie of in combinatie met valproïnezuur. Lamotrigine kan myoklonieën verergeren als deze voorkomen bij ernstige myoclonus-epilepsie. 

Trefwoorden: gegeneraliseerde epilepsie, partiële epilepsie, anti-epileptica, werkzaamheid, bijwerkingen, interacties, gebruik tijdens de zwangerschap

Stofnaam                                   Merknaam®
carbamazepine merkloos, Carbymal, Tegretol
clobazam merkloos, Frisium
clonazepam merkloos, Rivoltril
diazepam merkloos, Diazemuls, Stesolid, Valium
ethosuximidi Ethymal, Zarontin
felbamaat Taloxa
fenobarbital merkloos
fenytoïne                                     Diphantoïne (Z), Epanutin 
gabapentine                                Neurontin
lamotrigine                                 Lamictal 
lorazepam  merkloos, Temesta 
levetiracetam  Keppra
lorazepam  merkloos, Temesta 
midazolam  merkloos, Dormicum 
oxcarbazepine  Trileptal 
primidon  Mysoline
topiramaat  Topamax 
valproïnezuur  merkloos, Convulex, Depakine, Orfiril, Propymal, Valproïnezuur FNA 
vigabatrine   Sabril
Overige stof- en merknamen
alprazolam  merkloos, Xanax 
amiodaron  merkloos, Cordarone 
ciclosporine  Neoral, Sandimmune 
cimetidine  merkloos, Tagamet 
co-trimoxazol   merkloos
danazol  Danatrol 
dextropropoxyfeen  Depronal 
diltiazem  merkloos, Diloc, Surazem, Tiadil, Tildiem 
disopyramide  merkloos, Dirytmin, Ritmoforine, Rythmodan 
disulfiram  Antabus, Refusal 
doxycycline  merkloos, Neo-Dagracycline, Unidox, Vibra-S, Vibramycin 
efavirenz  Storin 
erytromycine  merkloos, Eryc, Erythrocine 
esomeprazol  Nexium 
fenylbutazon  Butazolidin, Fenylbutazon FNA 
fluconazol  Diflucan 
fluoxetine  merkloos, Prozac 
fluvoxamine  merkloos, Fevarin 
isoniazide   merkloos
itraconazol  Trisporal 
kinidine  merkloos, Kinidine Durettes 
lithium  merkloos, Camcolit, Litarex, Priadel 
lorazepam  merkloos, Temesta 
methadon  Symoron 
nefazodon  Dutonin
nevirapine Viramune 
omeprazol  merkloos, Losec 
rifampicine  Rifadin, Rimactan 
ritonavir  Norvir 
sirolimus  Rapamune 
sulfamethizol  merkloos 
tacrolimus  Prograft 
triazolam  Halcion 
trimethoprim  merkloos, Monotrim, Wellcoprim
verapamil  merkloos, Geangin, Isoptin 
zidovudine   Retrovir AZT



1. Shorvon S. Handbook of epilepsy treatment. Oxford: Blackwell Science, 2000. 
2. Mattson RH, Cramer JA. The choice of antiepileptic drugs in focal epilepsy. In: Wyllie E (ed.). The Treatment of Epilepsy; Principles and Practice. Philadelphia: Lea & Febiger, 2001: 817-823. 
3. Dlugos DJ. The early identification of candidates for epilepsy surgery. Arch Neurol 2001; 58: 1543-1546. 
4. Arroyo S, Brodie MJ, Avanzini G, Baumgartner G, Chiron C, Dulac O, et al. Is refractory epilepsy preventable? Epilepsia 2002; 43: 437-444. 
5. Privitera MD, Welty TE, Ficker DM, Welge J. Vagus nerve stimulation for partial seizures (Cochrane Review). Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 1. 
6. Wagener-Schimmel LJJC, Hageman G, Aa HE van der, Janssen AMAJ, Buschman HPJ. N.-vagusstimulatie bij patiënten met medicatieresistente epilepsie. Ned Tijdschr Geneekd 2001; 145: 2229-2234. 
7. Regesta G, Tanganelli P. Clinical aspects and biological bases of drug-resistant epilepsies. Epilepsy Res 1999; 34: 109-122. 
8. Macdonald RL, Meldrum BS. Principles of antiepileptic drug action. In: Levy RH, Mattson RH, Meldrum BS (eds.). Antiepileptic Drugs. New York: Raven Press, 1995: 61-77. 
9. Deckers CLP, Czuczwar SJ, Hekster YA, Keyser A, Kubova H, Meinardi H, et al. Selection of antiepileptic drug polytherapy based on mechanisms of action: the evidence reviewed. Epilepsia 2000; 41: 1364-1374. 
10. Hassel B, Tauboll E, Gjerstad L. Chronic lamotrigine treatment increases rat hippocampal GABA shunt activity and elevates cerecral taurine levels. Epilepsy Res 2001; 43: 153-163. 
11. Kuzniecky R, Ho S, Pan J, Martin R, Gilliam F, Faught E, et al. Modulation of cerebral GABA by topiramate, lamotrigine, and gabapentin in healthy adults. Neurology 2002; 58: 368-372. 
12. Löscher W, Hönack D, Bloms-Funke P. The novel antiepileptic drug levetiracetam (L059) induces alteration in GABA metabolism and turnover in discrete areas of rat brain and reduces neuronal activity in substantia nigra pars reticulata. Brain Research 1996; 735: 208-16. 
13. Rigo JM, Hans G, Nguyen L, Rocher V, Belachew S, Malgrange B, et al. The anti-epileptic drug levetiracetam reverses the inhibition by negative allosteric modulators of neuronal GABA- and glycine-gated currents. Br J Pharmacol 2002; 135: 659-72. 
14. Commission on Classification and Terminology of the International League Against Epilepsy. Proposal for revised classification of epilepsies and epileptic syndromes. Epilepsia 1989; 30: 389-399. 
15. Commission on Classification and Terminology of the International League Against Epilepsy. Proposal for revised clinical and electroencephalographic classification of epileptic seizures. Epilepsia 1981; 22: 489-501. 
16. Loiseau P, Duche B, Loiseau J. Classification of epilepsies and epileptic syndromes in two different samples of patients. Epilepsia 1991; 32: 303-309. 
17. Richens A, Dunlop A. Serum-phenytoin levels in the management of epilepsy. Lancet 1975; 2: 247-248. 
18. Bertilsson L, Tomson T. Clinical pharmacokinetics and pharmacological effects of carbamazepine and carbamazepine-10,11-epoxide. An update. Clin Pharmacokinet 1986; 11: 177-198. 
19. Nederlandse Vereniging voor Neurologie. Richtlijnen diagnostiek en behandeling van Epilepsie. 
20. Rey E, Treluyer JM, Pons G. Pharmacokinetic optimisation of benzodiazepine therapy for acute seizures; focus on delivery routes. Clin Pharmacokin 1999; 36: 409-424. 
21. Jawad S, Oxley J, Wilson J, Richens A. A pharmacodynamic evaluation of midazolam as an antiepileptic compound. J Neurol Neurosurg Psychiatry 1986; 49: 1050-1054. 
22. Informatorium Medicamentorum. WinAp, 's-Gravenhage 2003 etc. 
23. Reynolds EH, Shorvon SD. Monotherapy or polytherapy for epilepsy? Epilepsia 1981; 22: 1-10. 
24. Deckers CLP. Place of polytherapy in the early treatment of epilepsy. CNS Drugs 2002; 16: 155-163. 
25. Informatorium Medicamentorum. 's-Gravenhage: Winap, KNMP, 2003. 
26. Leppik IE, Dreifuss FE, Pledger GW, aanvullenet al. Felbamate for partial seizures: results of a controlled clinical trial. Neurology 1991; 41: 1785-1789. 
27. Morrell MJ, McLean MJ, Willmore LJ, Privitera MD, Faught RE, Holmes GL, et al. Efficacy of gabapentin as adjunctive therapy in a large, multicenter study. Seizure 2000; 9: 241-248. 
28. Matsuo F, Bergen D, Faught E, Messenheimer JA, Dren AT, Rudd GD, et al. Placebo-controlled study of the efficacy and safety of lamotrigine in patients with partial seizures. U.S. Lamotrigine Protocol 0.5 Clinical Trial Group. Neurology 1993; 43: 2284-2291. 
29. Cereghino JJ, Biton V, Abou-Khalil B, Dreifuss F, Gauer LJ, Leppik I, et al. Levetiracetam for partial seizures: results of a double-blind, randomized, clinical trial. Neurology 2000; 55: 236-242. 
30. Barcs G, Walker EB, Elger CE, Scaramelli A, Stefan H, Sturm Y, et al. Oxcarbazepine placebo-controlled. dose-ranging trial in refractory partial epilepsy. Epilepsia 2000; 41: 1597-1607. 
31. Uhtman M, Rowan J, Ahmann PA, Leppik IE, Schachter SC, Sommerville KW, et al. Tiagabine for complex partial seizures. Arch Neurol 1998; 55: 56-62.
32. Faught E, Wilder BJ, Ramsay RE, Reife RA, Kramer LD, Pledger GW, et al. Topiramate placebo-controlled dose-ranging trial in refractory partial epilepsy using 200- 400- and 600-mg daily dosages. Neurology 1996; 46: 1684-1690. 
33. French JA, Mosier M, Walker S, Somerville K, Sussman N, and the Vigabatrin Protocol 024 Investigative Cohort. A double-blind, placebo-controlled study of vigabatrin 3 g/day in patients with uncontrolled partial seizures. Neurology 1996; 46: 54-61. 
34. ILAE Commission on Antiepileptic Drugs. Considerations on designing clinical trials to evaluate the place of new antiepileptic drugs in the treatment of newly diagnosed and chronic patients with epilepsy. Epilepsia 1998; 39: 799-803. 
35. Mattson RH, Cramer JA, Collins JF, Smith DB, Delgado-Escueta AV, Browne TR, et al. Comparison of carbamazepine, phenobarbital, phenytoin, and primidone in partial and secondarily generalized tonic-clonic seizures. N Engl J Med 1985; 313: 145-151. 
36. Mattson RH, Cramer JA, Collins JF. A comparison of valproate with carbamazepine for the treatment of complex partial seizures and secondarily generalized tonic-clonic seizures in adults. The Department of Veterans Affairs Epilepsy Cooperative Study No. 264 Group. N Engl J Med 1992; 327: 765-771. 
37. Chadwick DW, Anhut H, Greiner MJ, Alexander J, Murray GH, Garofalo EA, et al. A double-blind trial of gabapentin monotherapy for newly diagnosed partial seizures. International Gabapentin Monotherapy Study Group. Neurology 1998; 51: 1282-1288. 
38. Brodie MJ, Chadwick DW, Anhut H, Otte A, Messmer SL, Maton S, et al. Gabapentin versus lamotrigine monotherapy: a double-blind comparison in newly diagnosed epilepsy. Epilepsia 2002; 43: 993-1000. 
39. Brodie MJ, Richens A, Yuen AWC. Double-blind comparison of lamotrigine and carbamazepine in newly diagnosed epilepsy. UK Lamotrigine/Carbamazepine Monotherapy Trial Group. Lancet 1995; 345: 476-479. 
40. Brodie MJ, Overstall PW, Giorgi L. Multicentre, double-blind, randomised comparison between lamotrigine and carbamazepine in elderly patients with newly diagnosed epilepsy. The UK Lamotrigine Elderly Study Group. Epilepsy Res 1999; 37: 81-87. 
41. Steiner TJ, Dellaportas CI, Findley LJ, Gross M, Gibberd FB, Perkin GD, et al. Lamotrigine monotherapy in newly diagnosed untreated epilepsy: a double-blind comparison with phenytoin. Epilepsia 1999; 40: 601-607. 
42. Dam M, Ekberg R, Loyning Y, Waltimo O, Jakobsen K. A double-blind study comparing oxcarbazepine and carbamazepine in patients with newly diagnosed previously untreated epilepsy. Epilepsy Res 1989; 3: 70-76. 
43. Bill PA, Vigonius U, Pohlmann H, Guerreiro CAM, Kochen S, Saffer D, et al. A double-blind controlled clinical trial of oxcarbazepine versus phenytoin in adults with previously untreated epilepsy. Epilepsy Res 1997; 27: 195-204. 
44. Christe W, Kramer G, Vigonius U, Pohlmann H, Steinhoff BJ, Brodie MJ, et al. A double-blind controlled clinical trial: oxcarbazepine versus sodium valproate in adults with newly diagnosed epilepsy. Epilepsy Res 1997; 26: 451-460. 
45. Gilliam F, Vasquez B, Sackellares JC, Chang GY, Messenheimer J, Nyberg J, et al. An active-control trial of lamotrigine monotherapy for partial seizures. Neurology 1998; 51: 1018-1025. 
46. GillhamR, Kane K, Bryant-Comstock L, Brodie MJ. A double-blind comparison of lamotrigine and carbamazepine in newly diagnosed epilepsy with health-related quality of life as an outcome measure. Seizure 2000; 9: 375-379. 
47. Nieto-Barrera M, Brozmanova M, Capovilla G, Christe W, Pedersen ?, Kane K, et al; Lamictal vs. carbamazepine Study Group. Epilepsy Res 2001; 46: 145-155. 
48. Privitera MD, Brodie MJ, Mattson RH, Chadwick DW, Neto W, Wang ?S; EPMN 105 Study Group. Topiramate, carbamazepine and valproate monotherapy: double-blind comparison in newly diagnosed epilepsy. Acta Neurol Scand 2003; 107: 165-175. 
49. Tudur Smith C, Marson AG, Williamson PR. Carbamazepine versus phenobarbitone monotherapy for epilepsy (Cochrane Review). Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 1. 
50. Marson AG, Williamson PR, Hutton JL, Clough HE, Chadwick DW; on behalf of the epilepsy monotherapy trialists. Carbamazepine versus valproate monotherapy for epilepsy (Cochrane Review). Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 1. 
51. Taylor S, Tudur Smith C, Williamson PR, Marson AG. Phenobarbitone versus phenytoin monotherapy for partial onset seizures and generalized onset tonic-clonic seizures (Cochrane Review). Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 1. 
52. Tudur Smith C, Marson AG, Clough HE, Williamson PR. Carbamazepine versus phenytoinmonotherapy for epilepsy(Cochrane Review). Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 1. 
53. Tudur Smith C, Marson AG, Williamson PR. Phenytoin versus valproate monotherapy for partial onset seizures and generalized onset tonic-clonic seizures (Cochrane Review). Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 1. 
54. Kwan P, Brodie MJ. Early identification of refractory epilepsy. N Engl J Med 2000; 342: 314-319. 
55. Lhatoo SD, Sander JWAS, Shorvon SD. The dynamics of drug treatment in epilepsy: an observational study in an unselected population based cohort with newly diagnosed epilepsy followed up prospectively over 11-14 years. J Neurol Neurosurg Psychiatry 2001; 71: 632-637. 
56. Marson AG, Kadir ZA, Hutton JL, Chadwick DW. The new antiepilepic drugs: a systematic review of their efficacy and tolerability. Epilepsia 1997; 38: 859-880. 
57. Anonymous. Anticonvulsant NNTs. Bandolier Library. http://www.jr2.ox.ac.uk/bandolier/band54. 
58. Elferink AJA, van Zwieten-Boot BJ. Analysis based on number needed to treat shows differences between drugs studied. Br Med J 1997; 314: 603. 
59. Marson AG, Hutton JL, Leach JP, Castillo S, Schmidt D, White S, et al. Levetiracetam, oxcarbazepine, remacemide and zonisamide for drug resistant localization-related epilepsy: a systematic review. Epilepsy Res 2001; 46: 259-270. 
60. Marson AG, Kadir ZA, Hutton JL, Chadwick DW.Gabapentin add-on for drug-resistant partial epilepsy (Cochrane Review). Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 1. 
61. Ramaratnam S, marson AG, Baker GA. Lamotrigine add-on for drug-resistant partial epilepsy (Cochrane Review). Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 1. 
62. Chaisewikul R, Privitera MD, Hutton JL, Marson AG. Levetiracetam add-on for drug-resistant localization related (partial) epilepsy (Cochrane Review). Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 1. 
63. Castillo S, Schmidt DB, White S. Oxcarbazepine add-on for drug-resistant partial epilepsy (Cochrane Review). Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 1. 
64. Jette NJ, Marson AG, Hutton JL. Topiramate add-on for drug-resistant partial epilepsy (Cochrane Review). Oxford: The Cochrane Library Update Software, 2003: issue 1. 
65. McDonnell GV, Morrow JI. An audit of the new antiepileptic drugs in clinical neurologcal practice. Seizure 1996; 5: 127-130. 
66. Wong ICK, Chadwick DW, Fenwick PBC, Mawer GB, Sander JWAS. The long-term use of gabapentin, lamotrigine and vigabatrin in patients with chronic epilepsy. Epilepsia 1999; 40: 1439-1445. 
67. Datta PK, Crawford PM. Refractory epilepsy: treatment with new antiepileptic drugs. Seizure 2000; 9: 51-57. 
68. Lhatoo SD, Wong ICK, Polizzi G, Sander JWAS. Long-term retention rates of lamotrigine, gabapentin and topiramate in chronic epilepsy. Epilepsia 2000; 41: 1592-1596. 
69. Krakow K, Walker M, Otoul C, Sander JWAS. Long-term continuation of levetiracetam in patients with refractory epilepsy. Neurology 2001; 56: 1772-1774. 
70. Perucca E, Gram L, Avanzini G, Dulac O. Antiepileptic drugs as a cause of worsening seizures. Epilepsia 1998; 39: 5-17. 
71. Murphy K, Delanty N. Primary generalized epilepsies. Curr Treat Options Neurol 2000; 2: 527-542. 
72. Sato S, White BG, Penry JK. Valproic acid versus ethosuximide in the treatment of absence seizures. Neurology 1982; 32: 157-163. 
73. Felbamate Study Group in the Lennox-Gastaut syndrome. Efficacy of felbamate in childhood epileptic encephalopathy (Lennox-Gastaut syndrome). N Engl J Med 1993; 328: 29-33. 
74. Chadwick D, Leiderman DB, Sauermann W, Alexander J, Garofalo E. Gabapentin in generalized seizures. Epilepsy Res 1996; 25: 191-197. 
75. Trudeau V, Myers S, LaMoreaux L, Anhut H, Garofalo E, Ebersole J. Gabapentin in naive childhood absence epilepsy: results from two double-blind, placebo-controlled, multicenter studies. J Child Neurol 1996; 11: 470-475. 
76. Panayiotopoulos CP. Treatment of typical absence seizures and related epileptic syndromes. Paediatr Drugs 2001; 3: 397-403.
77. Sachdeo RC, Glauser TA, Ritter F, Reife R, Lim P, Pledger G, et al. A double-blind, randomized trial of topiramate in Lennox-Gastaut syndrome. Neurology 2000; 52: 1882-1887. 
78. Richens A, Davidson DL, Cartlidge NE, Easter DJ. A multicentre comparative trial of sodium valproate and carbamazepine in adult onset epilepsy.Adult EPITEG Collaborative Group. J Neurol Neurosurg Psychiatry 1994; 57: 682-687. 
79. Wilder BJ, Ramsay BE, Murphy JV, Karas BJ, Marquardt K, Hammond EJ. Comparison of valproic acid and phenytoin in newly diagnosed tonic-clonic seizures. Neurology 1983; 33: 1474-1476. 
80. Appleton RE, Peters AC, Mumford JP, Shaw DE. Randomised, placebo-controlled study of vigabatrin as first-line treatment of infantile spasms. Epilepsia 1999; 40: 1627-1633. 
81. Vigabatrin Paediatric Advisory Group. Guideline for prescribing viagabtrin has been revised. Br Med J 2000; 320: 1404-1405. 
82. Vigevano F, Cilio MR. Vigabatrin versus ACTH as first-line treatment for infantile spasms: a randomized, prospective study. Epilepsia 1997; 38: 1270-1274. 
83. Arroyo S, Sander JWAS. Carbamazepine in comparative trials. Pharmacokinetic characteristics too often forgotten. Neurology 1999; 53: 1170-1174. 
84. McKee PJW, Blacklaw J, Butler E, Gillham RA, Brodie MJ. Monotherapy with conventional and controlled-release carbamazepine: a double-blind, double-dummy comparison in epileptic patients. Br J Clin Pharmac 1991; 32: 99-104. 
85. Deckers CLP, Hekster YA, Keyser A, Lier HJJ van, Meinardi H, Renier WO. Monotherapy versus polytherapy for epilepsy: a multicenter double-blind randomized study. Epilepsia 2001; 42: 1387-1394. 
86. Troupin AS. Dose-related adverse effects of anticonvulsants. Drug Safety 1996; 14: 299-328. 
87. Thompson PJ, Baxendale SA, Duncan JS, Sander JWAS. Effects of topiramate on cognitive function. J Neurol Neurosurg Psychiatry 2000; 69: 636-641. 
88. Guerrini R, Belmonte A, Canapicchi R, Casalini C, Perucca E. Reversible pseudoatrophy of the brain and mental deterioration associated with valproate treatment. Epilepsia 1998; 39: 27-32.
89.  Martin R, Kuzniecky R, Ho S, Hetherington H, Pan J, Sinclair K, Gilliam F, Faught E. Cognitive effects of topiramate, gabapentin, and lamotrigine in healthy young adults. Neurology. 1999; 52: 321-327. 90. Mula M, Trimble MR, Thompson P, Sander JW. Topiramate and word-finding difficulties in patients with epilepsy. Neurology. 2003; 60: 1104-1107. 
90. Besag FMC. Behavioral effects of the new anticonvulsants. Drug Safety 2001; 24: 513-536. 
91. Mula M, Trimble MR, Liu R, Sander L. Levetiracetam and neuropsychiatric adverse events in patients with epilepsy. Epilepsia 2002; 43 (suppl. 8): 56-57. 
92. Lahr MB. Hyponatremia during carbamazepine therapy. Clin Pharmacol Ther 1985; 37: 693-696. 
93. Jallon P, Picard F. Bodyweight gain and anticonvulsants. A comparative review. Drug Safety 2001; 24: 969-978. 
94. Genton P, Bauer J, Duncan S, Taylor AE, Balen AH, Eberle A, et al. On the association between valproate and polycystic ovary syndrome. Epilepsia 2001; 42: 295-304. 
95. Isojärvi JIT, Tauboll E, Tapanainen JS, Pakarinen AJ, Laatikainen TJ, Knip M, et al. On the association between valproate and polycystic ovary syndrome: a response and an alternative view. Epilepsia 2001; 42: 305-310. 
96. Herzog AG, Schacter SC. Valproate and the polycystic ovarian syndrome: final thoughts. Epilepsia 2001; 42: 311-315. 
97. Hardus P, Verduin WM, Engelsman M, Edelbroek PM, Segers JP, Berendschot TT, et al. Visual field loss associated with vigabatrin: quantification and relation to dosage. Epilepsia 2001; 42: 262-267. 
98. Ben-Menachem E. Vigabatrin. In: Levy RH, Mattson RH, Meldrum BS, Perucca E (eds.). Antiepileptic drugs (5th ed.). Philadelphia: Lippincott, Williams & Wilkins, 2002: 855-863. 
99. Pellock JM, Willmore LJ. A rational guide to routine blood monitoring in patients receiving antiepileptic drugs [editorial]. Neurology 1991; 41: 961-964. 
100. Camfield C, Camfield P, Smith E, Tibbles JAR. Asymptomatic children with epilepsy: little benefit from screening for anticonvulsant-induced liver, blood, or renal damage. Neurology 1986; 36: 838-841. 
101. Perucca E. Clinical consequences of microsomal enzyme induction by anti-epileptic drugs. Pharm Ther 1978; 2: 285. 
102. Besag FMC, Berry DJ, Pool F, Newbery JE, Subel B. Carbamazepine toxicity with lamotrigine: pharmacokinetic or pharmacodynamic interaction ? Epilepsia 1998; 39: 183-187. 
103. Berg K ten, Lindhout D. Antiepileptic drugs in pregnancy: options for the prevention of congenital abnormalities. Community Genet 2002; 5: 40-49. 
104. Meyler’s side effects of drugs. Dukes MNG, Aronson JK (eds.). Amsterdam: Elsevier, 2000.
105. MRC Antiepileptic Drug Withdrawal Study Group. Randomised study of antiepileptic drug withdrawal in patients in remission. Lancet 1991; 337: 1175-1180. 

Tabel. Selectiecriteria voor anti-epileptica [PDF]

Auteurs

  • dr C.L.P. Deckers, prof. dr H. Meinardi