Hoestmedicatie bij kinderen


Dit artikel is door dr B.A. Semmekrot bewerkt aan de hand van het artikel: 'Cough medications in children'. Drug & Ther Bulletin 1999; 37: 19-21 (published by Consumers' Association, London)

Een met virale bovenste luchtweginfecties samenhangende hoest komt veelvuldig voor op de kinderleeftijd. Vaak is het niet nodig om hiervoor medicatie toe te dienen. Wanneer de ouders ongerust zijn, is een luisterend oor, geruststelling en (het geven van) uitleg in de meeste gevallen toereikend. Soms kan hardnekkig hoesten leiden tot spanningen in het gezin. Het is dan van belang om tijdens het consult aandacht hieraan te besteden (Gebu 2000; 34: 127-132).  

Er is geen overtuigend bewijs dat hoestmedicatie bij bovenste luchtweginfecties bij kinderen effectiever is dan placebo. Het gebruik van magistrale producten tegen hoest is obsoleet.

Van veel hoestmiddelen zijn bovendien min of meer ernstige bijwerkingen beschreven.

Indien het geven van medicatie desondanks geïndiceerd wordt geacht, is een 'niet-actieve' hoestsiroop wellicht de meest geschikte keuze.

De keuze van een preparaat wordt, op basis van persoonlijke voorkeur, gemaakt uit de beschikbare suikerstropen (pas op bij diabetes mellitus!).

 



Hoestklachten bij virale luchtweginfecties berusten vaak op een door virussen geïnduceerde beschadiging van het epitheel in de luchtwegen, waardoor het transportsysteem van mucus niet goed functioneert. Dit leidt tot een gestoorde mucociliaire klaring. De ontsteking in de luchtwegen en de epitheelbeschadiging kunnen leiden tot veranderde visco-elastische eigenschappen van het mucus. De genoemde factoren (overbelasting van het transportsysteem, de epitheelbeschadiging en de veranderde visco-elastische eigenschappen van mucus) kunnen receptoren prikkelen waardoor een hoestreflex ontstaat. Soms staan, bij daarvoor gevoelige kinderen, hoestklachten in verband met roken door de ouders. 

Hoest kan worden gedefinieerd als een explosieve expiratie om secreet (of aspiratievocht) en vreemde voorwerpen uit de luchtwegen te verwijderen. De hoestreflex ontstaat door stimulatie van de hoestreceptoren in de luchtwegen. Naast prikkels die uitgaan van de luchtwegen (slijm, stof, ontsteking, corpus alienum), kan hoest ook andere oorzaken hebben, zoals een ontsteking van het longparenchym, de pleurabladen en het peritoneum. Daarnaast kan het een bijwerking zijn van sommige geneesmiddelen. 

In de praktijk wordt onderscheid gemaakt tussen prikkelhoest en productieve hoest, waarna men een gerichte therapie instelt met respectievelijk een hoestprikkeldempend middel of een verzachtend dan wel expectorerend middel. Dit onderscheid is echter bij (jonge) kinderen meestal niet goed te maken. 

Hoestklachten bij virale luchtweginfecties berusten vaak op een door virussen geïnduceerde beschadiging van het epitheel in de luchtwegen, waardoor het transportsysteem van mucus niet goed functioneert. Dit leidt tot een gestoorde mucociliaire klaring. De ontsteking in de luchtwegen en de epitheelbeschadiging kunnen leiden tot veranderde visco-elastische eigenschappen van het mucus. De genoemde factoren (overbelasting van het transportsysteem, de epitheelbeschadiging en de veranderde visco-elastische eigenschappen van mucus) kunnen receptoren prikkelen waardoor een hoestreflex ontstaat. Soms staan, bij daarvoor gevoelige kinderen, hoestklachten in verband met roken door de ouders. 

Hoest kan worden gedefinieerd als een explosieve expiratie om secreet (of aspiratievocht) en vreemde voorwerpen uit de luchtwegen te verwijderen. De hoestreflex ontstaat door stimulatie van de hoestreceptoren in de luchtwegen. Naast prikkels die uitgaan van de luchtwegen (slijm, stof, ontsteking, corpus alienum), kan hoest ook andere oorzaken hebben, zoals een ontsteking van het longparenchym, de pleurabladen en het peritoneum. Daarnaast kan het een bijwerking zijn van sommige geneesmiddelen. 

In de praktijk wordt onderscheid gemaakt tussen prikkelhoest en productieve hoest, waarna men een gerichte therapie instelt met respectievelijk een hoestprikkeldempend middel of een verzachtend dan wel expectorerend middel. Dit onderscheid is echter bij (jonge) kinderen meestal niet goed te maken. 

 



Vrijwel alle onderzoeken die zijn gepubliceerd, zijn verricht met combinatiepreparaten en niet met enkelvoudige middelen. Tekortkomingen van deze onderzoeken zijn de moeilijkheid om bij kinderen objectief symptomen te meten en het feit dat er geen onderscheid is gemaakt tussen de verschillende typen hoest. In de besproken onderzoeken worden naast de hierboven genoemde middelen ook nog de volgende middelen toegepast: decongestiva (fenylefrine en fenylpropanolamine) en antihistaminica (chloorfeniramine, feniramine, pyrilamine, tripolidine). Deze middelen zijn in Nederland niet in de handel. 

Er zijn vijf gerandomiseerde dubbelblinde en placebogecontroleerde onderzoeken gepubliceerd over het gebruik van hoestmedicatie bij kinderen.8-12 In twee onderzoeken werd een statistisch significant hoestprikkeldempend effect van combinatiepreparaten in vergelijking met placebo gerapporteerd.8 11 Het betrof combinatiepreparaten met respectievelijk decongestiva/ hoestprikkeldempende middelen/antihistaminica8 en decongestiva/antihistaminica11. In de drie andere onderzoeken, waarin respectievelijk hoestprikkeldempende middelen/expectorantia, decongestiva/antihistaminica,10 en alleen antihistaminica12 werden onderzocht, werd geen statistisch significant hoestprikkeldempend of symptoomverlichtend effect gerapporteerd. 

Hoestmedicatie bij kinderen is vrijwel niet onderzocht en is niet effectiever dan placebo. 

Voorts zijn nog twee niet-placebogecontroleerde vergelijkende onderzoeken gepubliceerd. Beide onderzoeken rapporteerden significante effecten van combinatiepreparaten.13 14 In het ene onderzoek betrof dit combinatiepreparaten van hoestprikkeldempende middelen, decongestiva, antihistaminica en analgetica of sympathicomimetica13, en in het andere onderzoek antihistaminica en hoestprikkeldempende middelen of expectorantia14. Het is uiteraard niet duidelijk of de gesignaleerde verbetering het gevolg is van de gegeven middelen of een placebo-effect, dan wel van een spontane verbetering.

 



  1. Mossad SB. Treatment of the common cold. BMJ 1998; 317: 33-36. 
  2. Hardman JG, et al (eds.). Goodman & Gilman’s The Pharmacological Basis of Therapeutics. New York: McGraw-Hill, 1996. 
  3. Braga PC, et al. (eds.). Drugs in bronchial mucology. New York: Raven Press, 1989.
  4. Informatorium Medicamentorum. Den Haag: WINAP, 2000. 
  5. Parfitt K (ed.). Martindale. Taunton: Pharmaceutical Press, 1999. 
  6. Kuy A van der (red.). Farmacotherapeutisch Kompas. Amstelveen: College Voor Zorgverzekeringen, 2000. 
  7. Duijvestijn YC, et al. Acetylcysteïne bij kinderen met longaandoeningen voorgeschreven door eenderde van de huisartsen; geen onderbouwing in de literatuur. Ned Tijdschr Geneeskd 1997; 141: 826-830. 
  8. Rece CA, et al. Tape recorder for evaluation of coughs in children. Am J Dis Child 1966; 112: 124-128. 
  9. Taylor JA, et al. Efficacy of cough suppressants in children. J Pediatr 1993; 122: 799-802. 
  10. Hutton N, et al. Effectiveness of an antihistamine-decongestant combination for young children with the common cold: a randomized, controlled clinical trial. J Pediatr 1991; 118: 125-130. 
  11. Clemens CJ, et al. Is an antihistamine-decongestant combination effective in temporarily relieving symptoms of the common cold in preschool children? J Pediatr 1997; 130: 463-466. 
  12. Sakchainanont B, et al. Effectiveness of antihistamines in common cold. J Med Assoc Thai 1990; 73: 96-100. 
  13. Jaffé G, et al. Randomized single-blind trial in general practice comparing the efficacy and palatability of two cough linctus preparations, 'Pholcolix' and 'Actifed' compound, in children with acute cough. Curr Med Res Opin 1983; 8: 594-599. 
  14. Weippl G. Therapeutic approaches to the common cold in children. Clin Ther 1984; 6: 475-482. 
  15. Mühlendahl KE von, et al. Codeine intoxication in childhood. Lancet 1976; ii: 303-305. 
  16. American Academy of Pediatrics, Committee on Drugs. Use of codeine- and dextromethorphan-containing cough remedies in children. Pediatrics 1997; 99: 918-920. 
  17. Heath HW, et al. Acute dystonia following standard doses of a cold medicine containing phenylpropanolamine. Clin Pediatr 1997; 36: 57-58.
  18. Joint Formulary Committee. British National Formulary. London: Royal Pharmaceutical Society of Great Britain and British Medical Association, 1998. 
  19. Dukes MN (ed.). Meyler's side effects of drugs. Amsterdam: Elsevier, 1996. 
  20. Sankey RJ, et al. Visual hallucinations in children receiving decongestants. BMJ 1984; 288: 1369. 
  21. Orson J, et al. Over-the-counter cough formulas. Clin Pediatr 1987; 26: 287 [letter]. 
  22. Kahn A, et al. Phenothiazines and sudden infant death syndrome. Pediatrics 1982; 70: 75-78. 
  23. Kahn A, et al. Phenothiazine-induced sleep apneas in normal infants. Pediatrics 1985; 75: 844-847. 
  24. Jonge GA de. Wiegedood en promethazine. Ned Tijdschr Geneeskd 1992; 136: 1945-1948. 
  25. Stanton AN. Sudden infant death syndrome and phenothiazines. Pediatrics 1983; 71: 986-987.

Auteurs

  • dr B.A. Semmekrot