Efavirenz en suïcidaliteit

Achtergrond. Efavirenz (merkloos, Stocrin®) behoort tot de groep van de niet-nucleoside reverse transcriptaseremmers die zijn geregistreerd voor de behandeling van infecties met het humane immunodeficiëntievirus (HIV) (Gebu 2010; 44: 13-21). In de productinformatie is opgenomen dat het gebruik ervan is geassocieerd met zeldzame maar ernstige psychiatrische bijwerkingen, zoals suïcidaliteit en suïcidepogingen.1 In een in 2011 gepubliceerde meta-analyse naar de psychiatrische bijwerkingen van efavirenz werd geen bewijs voor een dergelijke associatie gevonden en werd geconcludeerd dat patiënten met een psychiatrische voorgeschiedenis niet van het gebruik van het middel moeten worden uitgesloten.2 Twee van de drie auteurs hebben echter financiële belangenverstrengelingen gemeld. Onafhankelijke onderzoekers wilden de associatie tussen het gebruik van efavirenz en suïcidaliteit nader onderzoeken.
Methode. In een niet door de farmaceutische industrie gesponsord onderzoek gingen onderzoekers in gerandomiseerde onderzoeken waarin patiënten met HIV werden behandeld, na of er verschillen waren in suïcidaliteit tussen patiënten die in eerste instantie een behandelschema van antivirale middelen met efavirenz hadden gekregen, vergeleken met een behandelschema van antivirale middelen zonder efavirenz.3
Resultaat. Er werden vier onderzoeken, waarvan drie niet-geblindeerde, opgenomen in de analyse met in totaal 5.332 patiënten: 3.241 patiënten kregen een behandeling met efavirenz en 2.091 een behandeling zonder efavirenz. Van de patiënten had 32% een psychiatrische voorgeschiedenis of psychofarmaca binnen 30 dagen voor de aanvang van de onderzoeken voorgeschreven gekregen. De mediane vervolgduur van de onderzoeken bedroeg 96 weken en in die periode kwamen 62 gevallen van suïcidaliteit voor. De incidentie bedroeg 8,08 per 1.000 persoonsjaren bij behandelschema’s met efavirenz (47 pat.) tegenover 2,28 per 1.000 persoonsjaren bij behandelschema’s zonder efavirenz (15 pat.), een significant verschil. De incidentie van suïcidepogingen of geslaagde suïcides was respectievelijk 2,90 (17 pat.) en 1,22 (5 pat.) per 1.000 persoonsjaren, eveneens een significant verschil. Er waren acht geslaagde suïcides in de groep die efavirenz kreeg tegenover één in de groep die geen efavirenz kreeg.
Conclusie onderzoekers. Initiële behandeling van patiënten met HIV met een efavirenzbevattende combinatietherapie van antivirale middelen was geassocieerd met een twee maal zo hoog risico op suïcidaliteit vergeleken met een initiële behandeling zonder efavirenz.

Plaatsbepaling
Het gebruik van efavirenz was in deze meta-analyse geassocieerd met een verhoogd risico op suïcidaliteit. De onderzoekers geven aan dat de vier gerandomiseerde onderzoeken niet waren opgezet om verschillen in bijwerkingen te onderzoeken, maar gezien de aselecte toewijzing van de patiënten aan de behandelcondities in die onderzoeken maakt dit een causale relatie echter wel aannemelijk.
Behoudens de hierboven genoemde gegevens in de productinformatie hebben de Europese en Amerikaanse registratieautoriteiten geen waarschuwingen over het risico op suïcidaliteit van efavirenz doen uitgaan. Bij het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb zijn tot nu toe geen meldingen over suïcidaliteit bij het gebruik van efavirenz geregistreerd.


Literatuurreferenties
1. Productinformatie efavirenz (merkloos, Stocrin®), via: www.cbg-meb.nl, Geneesmiddeleninformatiebank.
2. Kenedi CA, et al. A systematic review of the psychiatric side-effects of efavirenz. AIDS Behav 2011;15: 1803-1818.
3. Mollan KR, et al. Association between efavirenz as initial therapy for HIV-1 infection and increased risk for suicidal ideation or attempted or completed suicide. Ann Intern Med 2014; 161: 1-10.

Auteurs

  • dr D. Bijl