Antibioticaresistentie in de huisartsenpraktijk


Met dank aan dr W. Ang, onder medeverantwoordelijkheid van de redactiecommissie.

De toename van bacteriële resistentie tegen antibiotica is een wereldwijd probleem dat vooral wordt veroorzaakt door overmatig gebruik. Om de verspreiding van resistentie te voorkomen, dient een terughoudend antibioticumbeleid te worden gehandhaafd (Gebu 2012; 46: 73-79).


Bacteriële resistentie ofwel de ongevoeligheid van bacteriën tegen antibiotica is wereldwijd een groeiend probleem. In vergelijking met veel andere Europese landen, zoals Spanje en Griekenland waar antibiotica soms zonder recept verkrijgbaar zijn, is de mate van resistentie in Nederland thans nog relatief laag (zie fig. 1 t/m 6, pag. 78).1 De situatie kan echter snel verslechteren. Om dit te voorkomen, is het belangrijk dat zorgvuldig wordt omgegaan met de indicatiestellingen voor antibiotica. Al in Gebu 1999; 33: 61-65, toen voor het laatst uitgebreid aandacht werd besteed aan de gevolgen van bacteriële resistentie, werd vastgesteld dat resistentie eenvoudig wordt verspreid door overmatig gebruik. Antibiotica dienen daarom alleen te worden voorgeschreven als er een indicatie is en daarbij moet het juiste middel in een juiste dosering en een adequate kuurlengte worden gekozen. Behalve de zorgverleners in de eerste en tweede lijn spelen ook andere partijen, voornamelijk de agrarische sector, een belangrijke rol bij het voorkomen van resistentieproblematiek (Gebu 2001; 38: 83-88).
In dit artikel wordt eerst een overzicht gegeven van het antibioticumgebruik in Nederland. Vervolgens worden de algemene principes van het ontstaan en de verspreiding van antibioticaresistentie uiteengezet en worden de werkingsmechanismen van en de resistentiemechanismen tegen antibiotica besproken. Daarna worden de actuele resistentiegegevens van verwekkers van veel voorkomende infecties en de invloed hiervan op de Nederlandse richtlijnen voor huisartsen besproken. Infecties van en resistentie bij bijzondere micro-organismen (mycobacteriën, gisten, schimmels en virussen) blijven buiten beschouwing. Ten slotte volgt een plaatsbepaling.


Jaarlijks publiceert de Stichting Werkgroep Antibiotica Beleid (SWAB) in samenwerking met het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) het rapport ’Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands’ (Neth-Map).2 Het totale antibioticagebruik in de eerste lijn in Nederland steeg van 10,5 standaarddagdoseringen (Defined Daily Dose (DDD)) in 2005 tot 11 per 1.000 inwonersdagen in 2010.2 Dit komt ongeveer overeen met ruim 6,6 miljoen voorschriften in 2005 en bijna 7,2 miljoen voorschriften in 2010 (http://www2.sfk.nl/producten/swab/landelijk). De meest gebruikte middelen in 2010 waren tetracyclinen (25%, m.n. doxycycline), gevolgd door breedspectrumpenicillinen (16%, m.n. amoxicilline), penicillinen met een β-lactamaseremmer (16%, m.n. amoxicilline/clavulaanzuur), en macroliden (m.n. claritromycine) en clindamycine (samen 13%). Het gebruik van amoxicilline nam iets af, terwijl amoxicilline/clavulaanzuur verhoudingsgewijs juist vaker werd gebruikt in 2010 ten opzichte van de voorafgaande jaren. Nitrofurantoïne, in tabel 1 op pagina 74 ingedeeld bij de overige antibiotica, werd in de afgelopen jaren steeds vaker gebruikt. Ongeveer 8% van de antibiotica voorgeschreven in de eerste lijn in 2010 waren chinolonen. Er was een lichte toename in het gebruik van ciprofloxacine en afname in het gebruik van norfloxacine en ofloxacine. Het gebruik van levofloxacine en moxifloxacine was stabiel.2 De cijfers zijn hieronder in tabel 1 samengevat en ter vergelijking worden ook de gegevens uit een NethMap-rapport over 2005 vermeld.3

Tabel 1. Antibioticagebruik in Nederland in de eerste lijn in 2002 en 2010 als percentage van het totale gebruik.2 3


Van resistentie wordt gesproken als een bacterie ongevoelig is voor een antibioticum in een klinisch relevante dosering of als kan worden aangetoond dat de bacterie een eigenschap bezit waaruit blijkt dat het antibioticum niet effectief zal zijn (Gebu 1999; 33: 61-65). Soms is ook sprake van een verminderde gevoeligheid. Dit kan een voorstadium zijn van resistentie. Het veelvuldige gebruik van antibiotica, bijvoorbeeld in ziekenhuizen, levert een selectiedruk op in het voordeel van de bacteriën die ongevoelig zijn voor het toegepaste middel. Dit werkt resistentieontwikkeling in de hand (Gebu 1999; 33: 61-65). Ook geldt dit voor het gebruik van antibiotica in de landbouw- en tuinbouwsector en de veehouderij (Gebu 2001; 35: 83-88). Uit het rapport ’Monitoring of Antimicrobial Resistence and Antibiotic Usage in Animals in the Netherlands’ (MARAN) bleek dat er ten opzichte van 1999 in 2007 sprake was van een verdubbeling van voorschriften van antibiotica door dierenartsen, maar dat nadien een daling is ingezet.4 Het gebruik van antimicrobiële groeibevorderaars is in 2006 in Nederland verboden.4
Bacteriën kunnen van nature ongevoelig zijn voor antibiotica of ze kunnen resistentie verwerven (zie kader hieronder). De belangrijkste mechanismen die voor zowel natuurlijke als verworven resistentie kunnen zorgen, zijn veranderingen in of afwezigheid van het bacteriële aangrijpingspunt van het antibioticum, een slechte of verminderde permeabiliteit van het celmembraan van de bacterie waardoor het antibioticum de bacterie niet kan binnendringen, enzymen die antibiotica afbreken of onschadelijk maken, effluxpompen ofwel eiwitten die antibiotica uit de bacterie verwijderen, of veranderingen in het metabolisme waardoor het effect van het antibioticum kan worden omzeild (Gebu 1999; 33: 61-65).

Verworven resistentie: overdracht genetisch materiaal en verspreiding resistentiegenen.
Behalve door mutaties kunnen bacteriën resistentie ontwikkelen door het verwerven van nieuw genetisch materiaal. De genetische informatie van bacteriën is opgeslagen in één circulair gesloten chromosoom. Sommige bacteriën wisselen chromosomaal DNA uit in een proces dat transformatie heet. Het nieuw ingebrachte DNA kan recombineren met vergelijkbare sequenties in het chromosomale DNA van de ontvangende bacterie. Transformatie zorgt voor genetische variatie die zich vooral verspreid van de ’moeder-’ naar de ’dochtercel’ (verticaal).5
Daarnaast kunnen bacteriën mobiele genetische elementen bevatten: plasmiden, (conjugatieve) transposonen en integronen.5 Genetische informatie die aanwezig is in deze elementen kan worden overgedragen tussen verschillende stammen van één bacteriesoort en tussen verschillende bacteriesoorten.5 Dit wordt horizontale genoverdracht genoemd. Plasmiden zijn extrachromosomale stukken circulair DNA, die zich zowel verticaal als horizontaal kunnen verspreiden. Transposonen en integronen zijn lineaire stukken DNA die kunnen integreren in chromosomen en plasmiden. Daardoor kunnen genen die aanwezig zijn in zulke elementen zich ook verplaatsen binnen een chromosoom of tussen één chromosoom en een plasmide. De mobiele genetische elementen vergroten de mogelijkheid tot overdracht van resistentiegenen en resistentieontwikkeling.


β-lactamantibiotica. Werkingsmechanisme. Tot de groep van β-lactamantibiotica behoren de penicillinen (bv. amoxicilline) en de reservemiddelen cefalosporinen (bv. cefotaxim) en carbapenems (bv. meropenem). Deze antibiotica hebben een bactericide werking. Ze remmen de celwandsynthese van de bacterie door te binden aan eiwitten die het peptidoglycaan in de bacteriële celwand maken, de zogenoemde penicillinebindende eiwitten (PBP’s). Peptidoglycaan zorgt voor de stevigheid van de bacteriële celwand.6
Resistentiemechanismen. β-lactamasen zijn enzymen die de β-lactamring kunnen verbreken waardoor de antibacteriële werking van het antibioticum verloren gaat.3 Ze hebben verschillende spectra. Zo breekt penicillinase, een β-lactamase voorkomend bij stafylokokken, alleen penicillinen af.5 7 Flucloxacilline, een synthetische penicilline, kan niet worden afgebroken door dit enzym en is daardoor werkzaam tegen stafylokokken. Gram-negatieve bacteriën, zoals Escherichia coli en andere Enterobacteriaceae, kunnen β-lactamasen bevatten die een breder spectrum hebben en bijvoorbeeld ook cefalosporinen kunnen afbreken. Op dit moment is sprake van een snelle verspreiding van een enzym met een bijzonder breed spectrum, de zogenoemde ’extended-spectrum β-lactamase’ (ESBL, zie ook kader hieronder). Deze kan bijna alle β-lactamantibiotica afbreken behalve de carbapenems.5 6 8 Carbapenemasen, een andere groep van β-lactamasen, zijn enzymen die carbapenems afbreken.9 Om resistentie door de meeste β-lactamasen te omzeilen, kan een stof worden toegevoegd die de werking van β-lactamasen remt, bijvoorbeeld clavulaanzuur. Carbapenemasen en vaak ook ESBL zijn echter niet gevoelig voor clavulaanzuur.9

Extended-spectrum β-lactamasen.
Een zorgelijke ontwikkeling is de verspreiding van gramnegatieve bacteriën die ?-lactamasen bevatten met een breed spectrum, de zogenoemde ESBL. Verondersteld wordt dat de verspreiding van ESBL het gevolg is van een toename van het gebruik van tweede- en derdegeneratiecefalosporinen.2 De ESBL-positieve bacteriën zijn thans een probleem van de tweede lijn, maar het is aannemelijk dat de eerstelijnszorg hier in de toekomst ook mee te maken krijgt, bijvoorbeeld in de vorm van ESBL-positieve E. coli als verwekker van urineweginfecties.

Afwijkende penicillinebindende eiwitten die per bacteriesoort kunnen verschillen, kunnen ervoor zorgen dat antibiotica niet meer kunnen hechten aan deze eiwitten en daardoor hun effectiviteit verliezen.10 Dit is bijvoorbeeld het geval bij de meticillineresistente Staphylococcus aureus (MRSA).10
Chinolonen. Werkingsmechanisme.
De reserveantibiotica chinolonen hebben een bactericide werking door te binden aan twee enzymen, DNA-gyrase, ook wel topo-isomerase II genoemd, en topo-isomerase IV, die belangrijk zijn voor de synthese van DNA.6
Resistentiemechanismen.
Resistentie tegen chinolonen kwam gedurende lange tijd alleen maar voor als gevolg van chromosomale mutaties in de genen die voor DNA-gyrase en topo-isomerase IV coderen. Sinds 1998 zijn ook overdraagbare vormen van chinolonresistentie beschreven, bijvoorbeeld in de vorm van effluxpompen die het chinolon uit de bacteriën verwijderen.11 Slechts kleine genetische veranderingen, soms één puntmutatie ofwel een verandering in het DNA waarbij één base wijzigt, zijn nodig voor resistentie tegen chinolonen, waardoor de resistentie tegen deze middelen zich snel kan ontwikkelen.
Clindamycine, macroliden en tetracyclinen. Werkingsmechanismen. De voornamelijk bacteriostatisch werkende antibiotica clindamycine, macroliden (azitromycine, claritromycine, erytromycine en roxitromycine) en tetracyclinen (bv. doxycycline) remmen de bacteriële eiwitsynthese door te binden aan verschillende plekken van het bacteriële ribosoom, het deel van de bacterie dat eiwitten synthetiseert.6
Resistentiemechanismen.
Bacteriën kunnen resistent worden tegen zowel clindamycine als macroliden door het enzym rRNA-methylase te produceren. Dit enzym modificeert de bindingsplaats van clindamycine en macroliden op het ribosoom, zodat zij niet kunnen aangrijpen.12 Andere mechanismen zijn bijvoorbeeld de expressie van effluxpompen en mutaties in genen coderend voor de ribosomale eiwitten. Resistentie tegen tetracyclinen kan door meerdere mechanismen ontstaan. De meest voorkomende zijn de expressie van effluxpompen en eiwitten die het ribosoom beschermen tegen de activiteit van tetracyclinen.13
Co-trimoxazol. Werkingsmechanisme.
De twee componenten van co-trimoxazol zijn trimethoprim en het sulfonamide sulfamethoxazol. Trimethoprim remt de DNA-synthese en heeft een bacteriostatische werking.6 Sulfamethoxazol remt de foliumzuursynthese en werkt eveneens bacteriostatisch.14 De combinatie van beide werkt bactericide.14
Resistentiemechanisme.
Resistentie tegen zowel trimethoprim als co-trimoxazol ontstaat door mutaties in de genen die coderen voor de enzymen waarop ze aangrijpen.15 Deze mutaties kunnen chromosomaal zijn of de genetische informatie voor afwijkende enzymen kan aanwezig zijn in mobiele genetische elementen.
Fosfomycine en nitrofurantoïne. Werkingsmechanismen. Fosfomycine remt de bacteriële celwandsynthese door te binden aan het enzym enolpyruviltransferase, dat daarbij een rol speelt. Nitrofurantoïne verhindert de functie van meerdere bacteriële enzymen die betrokken zijn bij de citroenzuurcyclus, waardoor de energievoorziening van bacteriën onvoldoende is voor vermenigvuldiging.3
Resistentiemechanisme.
Resistentie tegen fosfomycine en nitrofurantoïne ontstaat vooral door chromosomale mutaties, maar overdraagbare resistentie tegen fosfomycine is ook beschreven.16

In vergelijking met veel Europese landen is de antibioticaresistentie in de Nederlandse huisartsenpraktijk vooralsnog laag.


In deze paragraaf ligt de nadruk op de resistentiegegevens van de in de huisartsenpraktijk frequent voorkomende infecties, namelijk urineweginfecties, luchtweginfecties, en infecties van de huid en de weke delen.
Urineweginfecties. E. coli. In 2009 werd in 42 Nederlandse huisartsenpraktijken de urine onderzocht van 970 niet-zwangere vrouwen van 11 jaar en ouder met klachten van een acute ongecompliceerde urineweginfectie (strangurie, dysurie en pollakisurie).17 Hun voorgeschiedenis ten aanzien van urineweginfecties is onbekend. Van de isolaten waren 781 (81%) positief en in 489 (62%) gevallen bleek dat E. coli de verwekker van de infectie was. E. coli was in 34 en 12% van de isolaten resistent tegen respectievelijk amoxicilline en amoxicilline/clavulaanzuur. Deze percentages waren stabiel sinds 2004. 19% van de bacteriën was resistent tegen trimethoprim, een daling ten opzichte van 2004 (23%).17 Mogelijk is dit het gevolg van een verandering in de Standaard ’Urineweginfecties’ van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) in 2005, waarin trimethoprim als eerstekeuzebehandeling werd vervangen door nitrofurantoïne.18 Circa 16 tot 17% van de isolaten was resistent tegen co-trimoxazol. Resistentie tegen norfloxacine, dat in de NHG-Standaard als reservemiddel wordt beschouwd,18 was 3,5% en tegen nitrofurantoïne 1,2%. In de onderzochte populatie werd geen resistentie tegen fosfomycine gevonden. Multiresistentie, waaronder wordt verstaan resistentie tegen drie of meer groepen antibiotica, kwam voor bij 2,7% van de urineweginfecties. 1% van de bacteriën was ESBL-positief.17
In een soortgelijk onderzoek in 2009 en 2010 werden bij mannen (mediane lft. 62 jr.) met symptomen van een urineweginfectie zonder koorts vergelijkbare resistentiegegevens gevonden.2 351 (64%) van de 545 isolaten waren positief en in 169 (48%) gevallen was E. coli de verwekker. Resistentie van deze verwekkers tegen amoxicilline bedroeg 34%. 15% was resistent tegen amoxicilline/clavulaanzuur, 24% tegen trimethoprim, 3-5% tegen norfloxacine en ciprofloxacine en resistentie tegen nitrofurantoïne en fosfomycine werd niet waargenomen.2
In een geselecteerde populatie, bestaande uit patiënten van wie de huisarts een urinekweek had aangevraagd om verschillende niet nader gespecificeerde redenen, mogelijk vanwege recidiverende of gecompliceerde infecties, waren de resistentiepercentages hoger.2 43% was resistent tegen amoxicilline, 20% tegen amoxicilline/clavulaanzuur, 29 en 27% tegen trimethoprim en co-trimoxazol, 10 en 12% tegen de chinolonen ciprofloxacine en norfloxacine en 5% tegen nitrofurantoïne. Resistentie tegen fosfomycine was lager dan 1%.2
Overige uropathogenen.
Gegevens over resistentie van andere uropathogenen, Klebsiella spp (spp geeft aan dat het meerdere soorten binnen hetzelfde geslacht betreft), Proteus spp en Pseudomonas aeruginosa, zijn afkomstig van de hierboven genoemde geselecteerde patiëntenpopulatie.2 Ten opzichte van E. coli is Klebsiellaspp vaker gevoelig voor amoxicilline/clavulaanzuur (12%) maar ongevoeliger voor nitrofurantoïne (ca. 30%). De resistentie tegen fosfomycine is 9 tot 12% bij Klebsiella spp. en Proteusspp. Resistentie tegen ciprofloxacine kwam het meest voor bij P. aeruginosa (10%) en was vergelijkbaar met E. coli.2
Luchtweginfecties. Bij frequent in de huisartsenpraktijk voorkomende luchtweginfecties, zoals otitis media, tonsillitis, rinosinusitis (Gebu 2006; 40: 57-58, Gebu 2008; 42: 68 en Gebu 2012; 46: 45-46) en acute bronchitis (Gebu 2003; 37: 21-22), wordt een terughoudend antibioticumbeleid gevoerd of is geen antibiotische behandeling geïndiceerd als sprake is van een gewone ziektepresentatie.19-22 Vaak is de verwekker van deze infecties geen bacterie. In een retrospectief cohortonderzoek (>30.000 pat.) werd onderzocht wat de invloed was van de in 2005 ingevoerde NHG-Standaard ’Rhinosinusitis’ op het voorschrijfgedrag van huisartsen.23 Van 2000 tot 2005 nam het aantal antibioticumvoorschriften voor acute rinosinusitis (tot. aantal episoden rinosinusitis 9.631 van 2000-2009) toe van 56 naar 62%. Na de introductie van de nieuwe Standaard daalde dit weer naar 56% in 2009.23
In het geval van een klinische verdenking op een bacteriële pneumonie (Gebu 2003; 37: 42) of bij kinderen jonger dan drie maanden of bij ouderen (> 75 jr.) is een antibiotische behandeling wel geïndiceerd.22
Belangrijkste verwekkers. Als de luchtweginfectie door een bacterie wordt veroorzaakt, dan zijn Streptococcus pneumoniae (pneumokok), Haemophilus influenzae en Moraxella catarrhalis de voornaamste verwekkers. Gegevens over de resistentie van deze typische verwekkers zijn afkomstig van patiënten uit het ziekenhuis, die deze infectie buiten het ziekenhuis opliepen (community aqcuired pneumonia (CAP)). Door de auteurs van het NethMap-rapport wordt aangenomen dat de resistentieprofielen een redelijke afspiegeling vormen van de algemene populatie.2 In Gebu 2006; 40: 73-79 werd geconcludeerd dat dit de enige beschikbare gegevens zijn en dat betrouwbaardere gegevens uit de eerste lijn ontbreken. Op theoretische gronden is het waarschijnlijk dat de resistentiecijfers in de eerste lijn lager zullen zijn dan bij geselecteerde populaties, zoals in de tweede lijn.
Streptococcus pneumoniae. Uit 2.500 in 2010 onderzochte isolaten bleek dat pneumokokken doorgaans gevoelig zijn voor penicillinen: 1,8% was resistent in 2010. Resistentie tegen erytromycine was in dat jaar 8%. Resistentie tegen doxycycline was 9%.2 Omdat de pneumokok de meest voorkomende luchtwegpathogeen is, zijn de resistentiecijfers voor deze bacterie in de praktijk bepalend voor de keuze van het middel. Thans is amoxicilline en niet doxycycline het eerstekeuzemiddel bij de behandeling van een pneumonie.22
Haemophilus influenzae.
Gebaseerd op 3.300 H. influenzae-isolaten van ziekenhuispatiënten bleek dat 17% van deze bacteriesoort in 2010 ongevoelig is voor amoxicilline, een toename vergeleken met 1998 toen dit 6% was.2 Bijna 5% is resistent tegen amoxicilline/clavulaanzuur. Resistentie tegen erytromycine is ongeveer 90%, resistentie tegen co-trimoxazol is 19% en resistentie tegen doxycycline komt zelden voor (1-3%).2
Moraxella catarrhalis.
Gebaseerd op 1.100 M. catarrhalis-isolaten van ziekenhuispatiënten bleek dat 85% van deze bacteriesoort in 2010 resistent was tegen amoxicilline.2 Resistentie tegen amoxicilline/clavulaanzuur komt weinig voor (1-2%). Resistentie tegen erytromycine varieerde tussen 5 en 10%, resistentie tegen co-trimoxazol tussen 8 en 10%. Doxycyclineresistentie was lager dan 1%.2
Atypische verwekkers.
Resistentie bij atypische verwekkers van luchtweginfecties, zoals Mycoplasma pneumoniae, wordt in Nederland niet onderzocht. Op basis van het klinische beeld kan geen onderscheid worden gemaakt tussen een pneumonie veroorzaakt door een typische of atypische verwekker en in de praktijk heeft dit geen consequenties voor de keuze van het antibioticum.22
Infecties van huid en weke delen. Staphylococcus aureus. Doorgaans is S. aureus de verwekker van de frequent in de huisartsenpraktijk voorkomende infecties van de huid en weke delen, waaronder de oppervlakkige huidinfectie impetigo (krentenbaard).5 Gegevens afkomstig van patiënten in het ziekenhuis toonden in 2010 de volgende resistentiepercentages: erytromycine en ciprofloxacine 11%, clindamycine 9%, fusidinezuur7%, doxycycline 3,5% en mupirocine 1%. Vooral erytromycine- en ciprofloxacineresistentie zijn toegenomen sinds 1998.2 In het NethMap-rapport van 2007 werden de gegevens gepresenteerd van 30 huisartsenpraktijken (n=2.691) en ruim 600 isolaten (neuskweken) van S. aureus, afgenomen van patiënten die de huisarts bezochten met niet-infectieuze klachten, waaruit bleek dat resistentie tegen fusidinezuur en mupirocine respectievelijk 4 en 0,5% bedroeg.24 In de NHG-Standaard ’Bacteriële huidinfecties’ wordt aanbevolen om impetigo, een aandoening die in de Standaard onschuldig wordt genoemd, te behandelen omdat het risico op besmetting afneemt en de aandoening sneller geneest.25 In een gerandomiseerd dubbelblind onderzoek bij kinderen (<12 jr., n=184) is het percentage klinisch genezen patiënten bij gebruik van fusidinezuur, eerstekeuzemiddel in de standaard,25 na twee weken significant hoger dan bij placebo (55 vs. 13%), maar na vier weken niet meer (92 en 88%).26 Een afwachtend beleid met als doel resistentie-inperking (zie ook paragraaf ’Maatregelen en aanbevelingen’) zou met deze gegevens ook kunnen worden gerechtvaardigd.
Streptococcus pyogenes. Streptococcus pyogenes, ofwel groep A-streptokok, is evenals S. aureus een belangrijke verwekker van verschillende huidinfecties, zoals de diepe huidinfectie erysipelas (belroos, wondroos).4 Resistentiecijfers van groep A-streptokokken zijn niet ingesloten in NethMap.2 Deze bacterie blijft gevoelig voor penicillinen. In de NHG-Standaard ’Bacteriële huidinfecties’ is flucloxacilline het eerstekeuzemiddel.25 Resistentie tegen macroliden en clindamycine, tweedekeuzemiddelen voor door groep A-streptokokken veroorzaakte infecties, komt daartegen wel voor.

Er is geen reden om chinolonen te gebruiken voor de behandeling van luchtweginfecties in de eerste lijn.


Restrictief voorschijfbeleid. In Gebu 1999; 33: 61-65 werd vastgesteld dat resistentie wordt verspreid door overmatig gebruik van antibiotica. Waar in een individueel geval het gebruik van een antibioticum gunstig kan zijn, kan dit voor een grote groep mensen ongunstig zijn. Destijds werd een Fins onderzoek beschreven waarin werd geconcludeerd dat resistentie soms kon worden teruggedrongen door een terughoudend voorschrijfbeleid.27 Van 1991 tot en met 1992 nam het gebruik van macroliden in Finland af van 2,4 DDD’s naar 1,4 DDD’s per 1.000 inwoners. Vanaf 1993 is een daling van het resistentiepercentage ingezet van groep A-streptokokken tegen het macrolide erytromycine. Deze bedroeg 19% in 1993 en 8,6% in 1996.27 Daarentegen kon in een overeenkomend zeven jaren durend Fins onderzoek geen associatie tussen de mate van het gebruik van co-trimoxazol en resistentie tegen dit antibioticum worden bewezen.28
In theorie is het risico op resistentie het grootst bij middelen die het frequentst worden gebruikt. Om dit te voorkomen is een terughoudend voorschrijfbeleid noodzakelijk en dat wordt uitgedragen in diverse NHG-Standaarden. Dit afwachtende beleid wordt onderstreept door het gegeven dat op basis van het klinisch beeld vaak niet kan worden vastgesteld of het om een bacteriële of virale infectie gaat en of een antibiotische behandeling dus is geïndiceerd. Luchtweginfecties worden namelijk vaak door virussen veroorzaakt (zie paragraaf hierboven).
In de tandheelkunde dient eveneens een afwachtend beleid te worden gevoerd. Zo zijn antibiotica vaak niet geïndiceerd, bijvoorbeeld bij acute infecties in de bovenkaak waarbij het risico op uitbreiding gering is (Gebu 2001; 35: 119-126).
Zelfmedicatie met antibiotica is ongewenst in het kader van resistentie-inperking. Toch gebeurt dit in sommige Europese landen waar antibiotica vrij verkrijgbaar zijn. Hier is een rol weggelegd voor de politiek en de registratieautoriteiten.
Uitgesteld recept. In overeenstemming met het afwachtende beleid is het zogenoemde uitgestelde voorschrift. Dit houdt in dat een arts een antibioticum voorschrijft en de patiënt adviseert het antibioticum niet direct bij de apotheek op te halen of niet meteen te gebruiken, behalve als de symptomen niet verbeteren binnen enkele dagen. Het recept kan ook bij de arts worden achtergehouden. Het achterhouden van het recept zou voor de praktijk wenselijker kunnen zijn om ongewenste zelfmedicatie tegen te gaan. Onderzoeken naar de effecten van het uitgestelde recept bij acute bovenste luchtweginfecties zijn verzameld in een literatuuroverzicht in de Cochrane-bibliotheek.29 Tien onderzoeken (ca. 2.700 pat.) werden in het overzicht meegenomen, waarin zowel de effecten van uitgesteld gebruik werden vergeleken met direct gebruik als van uitgesteld met geen gebruik. Er was geen verschil in klinische uitkomsten tussen uitgesteld, direct of geen gebruik van een antibioticum bij patiënten met hoest of verkoudheid. Uit de resultaten van zeven onderzoeken bleek dat 295 van de 923 voorschriften (32%) alsnog werden gebruikt vergeleken met 790 van de 847 (93,3%) bij patiënten die het antibioticum direct moesten gebruiken.29
Keuze antibioticum en dosering.
Als een antibioticum wordt voorgeschreven, dienen reservemiddelen niet onnodig en blind te worden ingezet (Gebu 1998; 32: 15-21). Bovenstaande resistentiegegevens laten bijvoorbeeld zien dat er geen reden is om chinolonen te gebruiken voor de behandeling van luchtweginfecties in de eerstelijnszorg. Voorts verdient het de aanbeveling om niet onnodig een breed-spectrumantibioticum voor te schrijven, niet onnodig laag en lang te doseren, maar liever hoog en kort. Zo is amoxicilline/clavulaanzuur bij luchtweginfecties doorgaans onnodig breed en is het geen eerstekeuzemiddel.
Reizigers. Als een infectie moeilijk is te behandelen, verdient het de aanbeveling te vragen of de patiënt recent in het buitenland is geweest. Vergeleken met het buitenland is de bacteriële resistentie in Nederland laag (zie ook fig. 1 t/m 6).1 De kans bestaat dat de patiënt een resistente bacterie bij zich draagt. Een voorbeeld hiervan is MRSA, een bacterie die in Nederland zeldzaam blijft. In 2010 was 1,6% van S. aureus-stammen meticillineresistent.2 In andere landen, voornamelijk de Verenigde Staten (VS) en Australië maar ook Zuid-Europa (zie fig. 6, pag. 78), komt MRSA in de gezondheidszorg veel meer voor dan in Nederland en daarom moet er bij elke patiënt uit een buitenlands ziekenhuis rekening worden gehouden met MRSA.1 30 MRSA kan zo ook terecht komen in de huisartsenpraktijk.

Maatregelen en aanbevelingen.
Restrictief voorschrijfbeleid: een restrictief voorschrijfbeleid is noodzakelijk om de uitbreiding van antibioticaresistentie tegen te gaan.
Uitgestelde recept: dit houdt in dat een arts een patiënt adviseert het voorgeschreven antibioticum niet direct bij de apotheek op te halen of niet meteen te gebruiken, behalve als de symptomen niet verbeteren binnen enkele dagen.
Juiste middel: om de resistentieproblematiek in te perken, moet het juiste antibioticum worden ingezet. Er moet niet onnodig en blind een reservemiddel worden gegeven.
Dosering en kuurlengte: om de resistentieproblematiek in te perken, dient bij voorkeur hoog en kort en niet laag en lang te worden gedoseerd.
Reizigers: als een infectie moeilijk is te behandelen, dient de behandelaar na te gaan of de patiënt recent in het buitenland is geweest. Gezien de grotere resistentieproblematiek in het buitenland bestaat de mogelijkheid dat de patiënt is geïnfecteerd met een resistente bacterie.

Fig. 1 t/m 6. Overzicht van de resistentiepercentages van bacteriën tegen verschillende groepen antibiotica.

In deze bewerkte kaarten van Europa afkomstig uit het rapport 'Antimicrobial resistence surveillance in Europa 2010' van de 'European Centre for Disease Prevention and Control' (ECDC) wordt een overzicht gegeven van de resistentiepercentages van bacteriën tegen verschillende groepen antibiotica in Europa in 2010: (fig. 1 t/m 3) overzicht van resistentie van Escherichia coli tegen respectievelijk aminoglycosiden (fig. 1 is opgenomen ter vergelijking, maar blijft verder onbesproken), chinolonen en derdegeneratiecefalosporinen, (fig. 4 en 5) overzicht van resistentie van Streptococcus pneumonia tegen penicillinen en macroliden, (fig. 6) overzicht van het voorkomen van de meticillineresistente Staphylococcus aureus (MRSA).21 Resistentiegegevens van de hier genoemde bacteriën tegen andere antibiotica kunnen worden geraadpleegd in het gegevensbestand van 'The European Surveillance System'(TESSy, via: http://ecdc.europa.eu/en/activities/surveillance/TESSy/Pages/interactive_Tessy_databases.aspx). 

 

Plaatsbepaling

De ongevoeligheid ofwel resistentie van bacteriën tegen antibiotica is wereldwijd een toenemend probleem. Ofschoon in Nederland de resistentie tegen antibiotica relatief gunstig is vergeleken met andere Europese landen, dient men, zoals ook al in Gebu 1999; 33: 61-65 werd aangegeven, terughoudend te blijven met het voorschrijven van deze middelen om verdere resistentieverspreiding te voorkomen.
Bij de in dit artikel besproken frequent in de Nederlandse huisartsenpraktijk voorkomende infecties (urineweg- en luchtweginfecties en infecties van de huid en weke delen) wordt een terughoudend antibioticabeleid geadviseerd. Vaak is zelfs geen antibiotische behandeling geïndiceerd, zoals bij de meeste luchtweginfecties, die veelal door een virus worden veroorzaakt. Dit restrictieve beleid wordt uitgedragen in diverse standaarden van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG). Ook buiten de huisartsenpraktijk, bijvoorbeeld in de tandheelkunde, moet een dergelijk afwachtend beleid gelden. In sommige Europese landen wordt geen terughoudend beleid gevoerd en zijn antibiotica zelfs zonder recept verkrijgbaar. Bacteriële resistentie komt in die landen, met name in Zuid-Europa, veel voor (zie fig. 1 t/m 6, pag. 78). Niet in de laatste plaats geldt dit voor de agrarische sector, die ook een belangrijke rol speelt bij deze problematiek (Gebu 2001; 38: 83-88). Ruim tien jaar geleden werd in het Geneesmiddelenbulletin aanbevolen om ook in deze sector het antibioticumgebruik terug te dringen. In 2007 werd helaas een verdubbeling van het gebruik van antibiotica bij landbouwdieren vastgesteld. Thans is een daling van het gebruik ingezet.
Hoewel de resistentiecijfers in Nederland gunstiger zijn dan in veel andere Europese landen en in de eerste lijn vooralsnog weinig problemen lijken te spelen, is er weinig reden tot optimisme. Zo is bijna 20% van Escherichia coli, de voornaamste verwekker van urineweginfecties, resistent tegen trimethoprim, het tweedekeuzemiddel in de NHG-Standaard ’Urineweginfecties’. Een verontrustende ontwikkeling is bijvoorbeeld de toenemende resistentie van de chinolonen (zie ook fig. 2, pag. 78). In Gebu 2011; 45: 49-54 werd ook al vastgesteld dat bijna 50% van de verwekkers van gonorroe (gonokokken) ongevoelig is voor ciprofloxacine. In Nederland zijn de belangrijkste problemen op het gebied van antibioticaresistentie de opkomst van gramnegatieve bacteriën die ’extended-spectrum β-lactamase’ (ESBL)- of carbapenemasepositief zijn. ESBL’s en carbapenemasen zijn enzymen die β-lactamantibiotica (penicillinen en de reserveantibiotica cefalosporinen en carbapenems) onwerkzaam kunnen maken. Het probleem speelt thans voornamelijk in de tweede lijn maar het is niet ondenkbaar dat de eerstelijnszorg hier in de toekomst mee te maken kan krijgen. Ook de meticillineresistente Staphylococcus aureus (MRSA), waarvan uitbraken nogal eens voorkomen in verpleeg- en ziekenhuizen, vormt een mogelijk toekomstig probleem voor de huisartsenpraktijk. Met name in Zuid-Europa komt MRSA veel voor (zie fig. 6, pag. 78).
Als antibiotica worden toegepast, moet het juiste middel worden gekozen en moet dit middel op de juiste manier worden gebruikt. Dat betekent dat niet onnodig of blind reservemiddelen moeten worden ingezet (Gebu 1998; 32: 15-21) en dat niet onnodig lang of laag moet worden gedoseerd.
Er zijn op dit moment nauwelijks nieuwe antibiotica in ontwikkeling, dus zorgvuldig gebruik van antibiotica en onderzoek naar de resistentie van bacteriën tegen antibiotica blijven belangrijke middelen om de resistentieontwikkeling tegen te gaan. Zorgverleners dienen zich daarvan bij de toepassing van antibiotica bewust te zijn.

Trefwoorden: antibioticaresistentie, huisartsenpraktijk, urineweginfecties, luchtweginfecties, infecties van huid en weke delen, maatregelen en aanbevelingen, penicillinen, cefalosporinen, carbapenems, chinolonen, clindamycine, macroliden, tetracyclinen, co-trimoxazol, fosfomycine, nitrofurantoïne

Tabel 2. Stof- en merknamen.


1. European Antimicrobial Resistance Surveillance Network (EARS-Net) [internet]. Via: http://ecdc.europa.eu/EN/ACTIVITIES/SURVEILLANCE/Pages/Activities_Surveillance.aspx.
2. NethMap 2011. - Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands [document op het internet]. Stichting Werkgroep Antibiotica Beleid (SWAB). Via: http://www.swab.nl/swab/cms3.nsf/uploads/35ACD3A546C31716C12578BF002EDC4F/$FILE/NethMap2011.pdf.
3. NethMap 2003 - Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands [document op het internet]. Stichting Werkgroep Antibiotica Beleid (SWAB). Via: http://www.swab.nl/swab/cms3.nsf/uploads/A7127CA4573EDF18C12575940049979F/$FILE/Nethmap2003.pdf.
4. MARAN-2009 - Monitoring of Antimicrobial Resistance and Antibiotic Usage in Animals in the Netherlands in 2009 [document op het internet]. Central Veterinary Institute of Wageningen University and Research centre (Wageningen UR). Via: http://www.cvi.wur.nl/NR/rdonlyres/A906A4C0-A458-423E-B932-28F222385988/135695/MARAN_20092.pdf.
5. Hoepelman AIM, Kroes ACM, Sauerwein RW, Verbrugh HA (red.). Microbiologie en infectieziekten. Bohn Stafleu van Loghum, 2011.
6. Sitsen JMA, Cohen AF, Franson KL, Smits P, Struijker Boudier HAJ, Bortel LM van (red.). Farmacologie. Maarssen: Elsevier Gezondheidszorg, 2009.
7. Paterson DL, Bonomo RA. Extended-spectrum beta-lactamases: a clinical update. Clin Microbiol Rev 2005; 18: 657-686.
8. Reuland E, Vandenbroucke-Grauls C, Naiemi Na. ESBL in de kliniek; achtergrond, relevantie en epidemiologie. Tijdschrift voor Infectieziekten. 2011; 6: 126-132.
9. Queenan AM, Bush K. Carbapenemases: the versatile β-lactamasen. Clin Microbiol Rev 2007; 20: 440-458.
10. Zapun A, Contreras-Martel C, Vernet T. Penicillin-binding proteins and β-lactam resistance. FEMS Microbiol Rev 2008; 32: 361-385.
11. Poirel L, Cattoir V, Nordmann P. Plasmid-mediated quinolone resistance; interactions between human, animal, and environmental ecologies. Front Microbiol 2012; 3: 24.
12. Roberts MC. Update on macrolide-lincosamide-streptogramin, ketolide, and oxazolidinone resistance genes. FEMS Microbiol Lett 2008; 282: 147-159.
13. Thaker M, Spanogiannopoulos P, Wright GD. The tetracycline resistome. Cell Mol Life Sci 2010; 67: 419-431.
14. Informatorium Medicamentorum. ’s-Gravenhage: WINAp/KNMP, 2012.
15. Huovinen P, Sundstrom L, Swedberg G, Skold O. Trimethoprim and sulfonamide resistance. Antimicrob Agents Chemother 1995; 39: 279-289.
16. Michalopoulos AS, Livaditis IG, Gougoutas V. The revival of fosfomycin. Int J Infect Dis 2011; 15: e732-739.
17. NethMap 2010 - Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands [document op het internet]. Stichting Werkgroep Antibiotica Beleid (SWAB). Via: http://www.swab.nl/swab/cms3.nsf/uploads/6F9140D61805A468C12577530037D22B/$FILE/Nethmap_2010_def.pdf.
18. Haaren KAM van, Visser HS, Vliet S van, Timmermans AE, Yadava R, Geerlings SE, et al. NHG-Standaard Urineweginfectie. Huisarts Wet 2005: 341-352.
19. Zwart S, Dagnelie CF, Staaij BK van, Balder FA, Boukes FS, Starreveld JS. NHG-Standaard Acute keelpijn. Huisarts Wet 2007: 50: 59-68.
20. Sutter A de, Burgers JS, Bock GH de, Dagnelie CF, Labots-Vogelesang SM, Oosterhuis WW, et al. NHG-Standaard Rhinosinusitis. Huisarts Wet 2005: 48: 615-624.
21. Damoiseaux RAMJ, Balen FAM van, Leenheer WAM, Kolnaar BGM. NHG-Standaard Otitis media acuta. Huisarts Wet 2006; 49: 615-621.
22. Verheij ThJM, Hopstaken RM, Prins JM, Salomé PhL, Bindels PJ, Ponsioen BP et al. NHG-Standaard Acuut hoesten. Huisarts Wet 2011: 54: 68-92.
23. Venekamp RP, Rovers MM, Verheij TJ, Bonten MJ, Sachs AP. Treatment of acute rhinosinusitis: discrepancy between guideline recommendations and clinical practice. Fam Pract 2012 Mar 1. [Epub ahead of print]
24. NethMap 2007 - Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands [document op het internet]. Stichting Werkgroep Antibiotica Beleid (SWAB). Via: http://www.swab.nl/swab/swabcms.nsf/(WebFiles)/D552D3B6190D0461C12572FF0024F246/$FILE/NETHMAP_2007.pdf
25. Wielink G, Koning S, Oosterhout RM, Wetzels R, Nijman FC, Draijer LW. NHG-Standaard Bacteriële huidinfecties. Huisarts Wet 2007; 50: 426-444.
26. Koning S, van Suijlekom-Smit LW, Nouwen JL, Verduin CM, Bernsen RM, Oranje AP, et al. Fusidic acid cream in the treatment of impetigo in general practice: double blind randomised placebo controlled trial. BMJ 2002; 324: 203-206.
27. Seppälä H, Klaukka T, Vuopio-Varkila J, Muotiala A, Helenius H, Lager K, et al. Finnish Study Group for Antimicrobial Resistance. The effect of changes in the consumption of macrolide antibiotics on erythromycin resistance in group A streptococci in Finland. N Engl J Med 1997; 337: 441-446.
28. Karpanoja P, Nyberg ST, Bergman M, Voipio T, Paakkari P, Huovinen P, et al. Finnish Study Group for Antimicrobial Resistance (FiRe Network). Connection between trimethoprim-sulfamethoxazole use and resistance in Streptococcus pneumoniae, Haemophilus influenzae, and Moraxella catarrhalis. Antimicrobial Agents Chemother 2008; 52: 2480-2485.
29. Spurling GK, Del Mar CB, Dooley L, Foxlee R. Delayed antibiotics for respiratory infections. Cochrane Database Syst Rev 2007: CD004417.
30. Eady EA, Cove JH. Staphylococcal resistance revisited: community-acquired methicillin resistant Staphylococcus aureus--an emerging problem for the management of skin and soft tissue infections. Curr Opin Infect Dis 2003; 16: 103-124.
31. Antimicrobial resistance surveillance in Europe 2010 - Annual report of the European Antimicrobial Resistance Surveillance Network (EARS-Net) [document op het internet]. European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). Via: http://www.ecdc.europa.eu/en/publications/Publications/1111_SUR_AMR_data.pdf.pdf

Auteurs

  • mw dr S.J. Vainio